Voetbalclub Feyenoord: van parochie tot belegging

Sinds 1974 heeft Feyenoord 1 nauwelijks meer aansprekende successen behaald. Maar hoe presteerden de bestuurders? Wat waren de oorzaken van de permanente chaos in de bestuurskamer, die zelfs geroutineerde zakenlieden niet konden beteugelen?

ROTTERDAM, 9 april - Ze kenden elkaar vaak uit het jeugdelftal.

Bestuurders van Feyenoord waren tot de jaren zeventig slimme kooplieden en leden van de club der havenarbeiders die hadden doorgeleerd. In de krant kwam je hun naam zelden tegen. De enige woordvoerder was de voorzitter, 'Vader' Cor Kieboom. En al dachten ze in de kleuren rood en wit, een ding zouden ze nooit doen: hun eigen geld in de club steken. Dat was 'inbreken'.

De bestuurders van vandaag kennen elkaar hooguit uit het zakenleven. De club Feyenoord bestaat niet meer, maar is een belegging voor financiers en sponsors, die onafhankelijk van elkaar in de publiciteit komen. Sommigen staken miljoenen guldens uit eigen zak in het voetbal.

Zonder die 'inbraak' had de Europa-Cupwinnaar van weleer niet meer bestaan. Het eerste elftal staat nu op de veertiende plaats in de eredivisie.

Ooit had Feyenoord geen hulp van vreemden nodig. Het stadion De Kuip zat meestal vol tot rij-bovenaan op de tweede ring. Ook bij de midweekse vriendschappelijke wedstrijden tegen Engelse clubs marcheerde een leger supporters vanuit Rotterdam-Zuid op naar de Kuip.

Als spelers dat beeld voor de wedstrijd zagen, hadden ze geen aansporing van de trainer meer nodig.

Speciale bussen voerden fans aan uit Terneuzen en Den Helder. Met de trein uit Zwijndrecht kwam de kleine Jorien van den Herik aan de hand van zijn vader. Men zou nog van hem horen. Dertig jaar later was Feyenoord, berooid, met weinig punten en zonder publiek, een van zijn beleggingen.

Op topdagen was de kas te klein en moest het geld in plastic zakken worden weggebracht. De Rotterdamse bestuurders hadden een verfijnd instinct voor zaken en konden spelers contant kopen. Kieboom kocht het hoger geklasseerde Holland Sport op om zich verzekerd te weten van een plaats voor Feyenoord in de betaald-voetbalcompetitie, die in 1954 begon. Toen dat was gelukt, deed hij de Scheveningse club weer van de hand.

De kolenhandelaar Kieboom was een voetbalpatriarch, die verder keek dan een nederlaag op zondag. Als gelovig katholiek zag hij de Kuip als 'mijn parochie' en de toeschouwers als 'mijn parochianen.'' Hij had een 'zwaan-kleef-aan'-filosofie. Iedere Feyenoord-supporter moest vrouw en kinderen kunnen meenemen naar het stadion, opdat de kinderen later hun kinderen weer zouden meenemen. Volgens sommige oud-bestuurders was dat de laatste lange-termijnvisie die de club heeft gehad.

Het einde van Kiebooms adagium 'zwaan-kleef-aan'

ROTTERDAM, 9 april - Feyenoord was oorspronkelijk een overzichtelijke vereniging, met amateurs en profs onder een bestuur. Het dagelijks werk was gedelegeerd aan een manager en een administrateur, die spelersproblemen en financien voor hun rekening namen. Tussen bestuurskamer en veld bestond een afstand van gepast respect. Alleen linksbuiten Coen Moulijn kon onaangekondigd bij Kieboom binnenlopen, desnoods tot in diens slaapkamer.

Feyenoord stond bekend als een van de rijkste clubs van Europa. Het stadion met een waarde van enige tientallen miljoenen guldens was als een van de weinige eigendom van de vereniging. De plastic zakken met geld waren deels belegd in flats voor spelers en trainers te Hendrik Ido Ambacht, Zwijndrecht, Rotterdam en een obligatie-portefeuille, met een door oud-bestuurders geschatte waarde van twee miljoen gulden. Het vermogen werd beheerd in een kleine ruimte onder de Maastribune. Daar vergaderde het bestuur eens in de twee weken in een walm van Amerikaanse import-sigaretten, die Kieboom dank zij 'contacten in de haven' aan zijn mede-bestuursleden kon presenteren.

Zo was Feyenoord even overzichtelijk als de Nederlandse samenleving in de jaren vijftig en zestig. De club bood betaalbaar volksvermaak voor de werkende klasse, zonder concurrentie van caravan en video.

Nederlanders wilden in het tijdperk voor de individualisering nog tot een club behoren. Voetbalclubs hadden de commercie niet nodig en daardoor ontkwamen besturen aan de verleiding van glitter en ijdelheid.

Vanaf het midden van de jaren '70 zakte Feyenoord weg. Het publiek kwam niet meer, omdat er buiten het stadion steeds meer en binnen het stadion steeds minder te beleven was. Met een enkel seizoen van opleving behaalde Feyenoord geen aansprekende resultaten meer.

Trainers en spelers vertrokken voor de afgesproken datum in hun contract. Bestuurders verdwenen sneller dan Moulijn kon passeren.

Voorzitter na voorzitter stapte met onenigheid op of werd gewoon weggestuurd.

Commercieel haakte Feyenoord te laat aan, waardoor zij terrein verloor op andere traditionele en al langer gesponsorde topclubs. Ook met gelouterde zakenlieden als bestuurders ging het niet beter. Het is moeilijk meetbaar hoe de chaos in de bestuurskamer doorwerkte op het spel van Feyenoord 1, maar ze gingen opmerkelijk hand in hand. Hoe raakte Kiebooms bestuurlijke bolwerk in verval? En waarom was de club al die jaren moeilijker te leiden dan, pakweg, een multinational?

In Benidorm was Feyenoord definitief een bedrijf geworden. Voorzitter Guus Couwenberg en manager Guus Brox ondernamen in april 1968 een geheime missie naar Spanje, waar directeur Piet Hoogenboom van Volkswagen Nederland vakantie hield. Hoogenboom was eigenaar van Xerxes-DHC en wilde, zo luidde de tip die Feyenoord had gekregen, zijn club afstoten. Het bleek een nuttige reis. Uit de boedel nam Feyenoord drie spelers over: Treytel, Van der Heide en Van Hanegem. Brox: “We namen alleen waar we behoefte aan hadden. Ik besefte dat voetbal business was geworden”.

Dat maakte Kieboom niet meer mee. Het boterde niet tussen hem en penningmeester Couwenberg, wiens prive-leven niet altijd spoorde met de strenge religieuze maatstaven van Kieboom. Het conflict tussen de twee bestuursleden bleef binnenskamers, maar greep diep in. Een ander bestuurslid trof Kieboom huilend aan in de directiekeet van zijn kolenhandel aan de Rosestraat, vlak bij de Kuip.

Toen Kieboom na een zoveelste maagbloeding op het randje van de dood in het St. Claraziekenhuis lag, nam Couwenberg de macht over. In een bestuursvergadering verbaasde hij zijn collega's met de mededeling: “Dan ga ik maar op de plaats van Kieboom zitten”.

Leo van Zandvliet, bestuurslid, vroeg: “Moet dat niet eerst met Kieboom worden besproken”?

“Nee hoor, ik ga er zitten”, zei Couwenberg. Daarmee was hij na 27 jaar Kieboom de nieuwe voorzitter, die tot '73 de club leidde tijdens de gloriejaren. Kieboom herstelde overigens op miraculeuze wijze, hetgeen de vermoedens van zijn onsterfelijkheid binnen de vereniging alleen maar versterkte.

De bruuske overname van de macht zou Couwenberg, directeur van een grote transportonderneming, blijven achtervolgen. Kieboom voerde zijn oppositie via de verenigingsdemocratie, maar de eerste jaren hield het succes de nieuwe voorzitter moeiteloos uit de wind. Feyenoord won in 1970 de Europa Cup voor landskampioenen en de wereldbeker met het middenveld Jansen-Hasil-Van Hanegem als ziel van een roemrucht elftal.

Dat middenveld was een compromis tussen bestuur en technische staf. “Van Hanekem moes wek”, had trainer Ernst Happel het bestuur laten weten. Hij was de lastige speler liever kwijt dan rijk. Met bestuurslid technische zaken Gerard Kerkum, oud-eerste elftalspeler, ging hij naar het Westduitse Schalke '04 om Hasil te bekijken. De Oostenrijker speelde een onopvallende rol als linksbuiten. Kerkum was niet onder de indruk, maar zei: “Okee, we kopen Hasil, maar dan houden we Van Hanegem”. Niet voor niets zijn alle letters van het woord toeval terug te vinden in voetbal.

De profclub was in die dagen nog vastgeklonken aan de amateurs. Feyenoord had 1100 leden van wie de helft stemrecht had. Het verzet tegen de eigengereide Couwenberg was in 1973 zo groot geworden, dat de amateurs bestuurslid Van Zandvliet benaderden om hem als voorzitter te vervangen. Van Zandvliet was een naam binnen de club. Onder het voorzitterschap van zijn vader was in 1937 de Kuip gebouwd.

Na een blik op de begroting wist Van Zandvliet dat Feyenoord het zonder geld van buitenaf niet meer zou redden: “Elk bedrag moet worden aangepakt”. Het succes eiste zijn tol. De spelerssalarissen waren na de successen soms tot het vijfvoudige verhoogd naar ongeveer 250.000 gulden, alleen al om potentiele kopers af te schrikken. Het noodzakelijke gemiddelde van 33.000 toeschouwers haalde men niet meer.

Het onroerend goed moest in de aanbieding. Een jaar later, in 1974, behaalde Feyenoord onder trainer Wiel Coerver zijn laatste grote succes: het winnen van de UEFA Cup. Maar in de finale tegen Tottenham Hotspur voltrok zich in de Kuip een ramp. Voor het eerst kwam Nederland ruw in aanraking met het Engelse voetbalvandalisme. De stoelen vlogen vanaf de tweede ring naar beneden en Van Zandvliet telde in de gangen van het stadion, 'het stadion van mijn vader', met afschuw de gewonden. Het was het einde van Kiebooms adagium 'zwaan-kleef-aan'. Moeders en kinderen bleven thuis.

Van Zandvliets bestuursstijl, die hij in praktijk had geleerd als voorzitter van de Vakraad Metaalnijverheid, was er een van delegeren.

Het technische gedeelte viel onder de beleidsgroep betaald voetbal, waar Kerkum en Brox deel van uitmaakten. Toen de spelersgroep de onbekende Poolse trainer Antoni Brzezanczyk niet meer accepteerde, belde Kerkum op een avond in maart '76 zijn voorzitter met de mededeling: “Zo kan het niet langer, Brzezanczyk moet er morgen uit”. “Als jij dat vindt, akkoord”, antwoordde Van Zandvliet, “maar werk het correct af en zorg dat Feyenoord niet de dupe wordt.”