Twijfels over Arabische Kamers

DEN HAAG, 9 APRIL. De afloop van de Golfoorlog heeft het Nederlands bedrijfsleven weer alert gemaakt op de mogelijkheid zaken te doen met het Midden-Oosten. Maar ook het omgekeerde is het geval: sinds kort kent Den Haag maar liefst twee Arabisch-Nederlandse Kamers van Koophandel.

Beide hebben de bevordering van de commerciele en economische relaties tussen Nederland en de Arabische wereld tot doel en trachten daartoe Nederlandse ondernemingen tot een lidmaatschap te verleiden.

Opmerkelijk is dat de meeste ambassades van Arabische landen zich verre van beide Kamers houden.

De oudste Arabisch-Nederlandse Kamer van Koophandel, de stichting United Arab-Dutch Chamber of Commerce, is in 1978 opgericht door de Egyptenaar Ali Baghal Hassan Fahmi Shouhayeb. De tweede, de stichting Arabisch-Nederlandse Kamer van Koophandel, is opgericht in oktober vorig jaar en actief sinds begin 1991. Hier zwaait Ahmed Ezzat Abdellatif, voormalig ambassadeur van Egypte in Nederland, de scepter.

Het ministerie van economische zaken reageert uiterst behoedzaam op de oprichting van een tweede Arabisch-Nederlandse kamer van Koophandel.

Een opvatting over nut en noodzaak zegt het departement niet te hebben. “We vragen ons af wat hij toevoegt en wie nu wie vertegenwoordigt”, wil een woordvoerder slechts kwijt.

Duidelijker is in dat geval Shouhayeb. Hij verwijt zijn landgenoot Abdellatif zich bezig te houden met 'Mickey Mouse-business'. “Hij probeert geld te verdienen als adviseur, maar hij kan niets.”

Vrij uitgesproken is Abdellatif ook over Shouhayeb: “Laten we niet over die man praten. Hij is een schurk. Hij vervalst en bedriegt. Wij zijn de goede Kamer. Wij vertegenwoordigen de hele Arabische wereld.”

Het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering, gelieerd aan Economische Zaken, laat zich ongaarne over de claims van beide Egyptenaren uit. Er bestaan contacten met Abdellatif, erkent een woordvoerster, maar dat is niet meer dan logisch gezien diens voormalig ambassadeursschap.

Feit is dat geen van beide Kamers van onbesproken gedrag is. Abdellatif vestigde recentelijk vooral de aandacht op zich doordat hij ondernemingen aanbood certificaten van oorsprong voor te exporteren goederen te verstrekken. En die taak is wettelijk voorbehouden aan de 36 regionale Nederlandse Kamers van Koophandel.

Pag. 18:

'Een grote schoft met een geweldige service'; Hij zet stempels op papieren die zendingen begeleiden

Een brief aan Economische Zaken, namens de Kamers verzonden door algemeen secretaris mr. J. Bevaart van de Amsterdamse KvK, heeft er inmiddels toe geleid dat staatsecretaris Van Rooij Abdellatif schriftelijk heeft gewezen op 'de in dit land gebruikelijke procedure'. Abdellatif ontkent desgevraagd certificaten van oorsprong te verstrekken of te hebben verstrekt.

Wel houdt hij zich bezig met de afhandeling van exportdocumenten. Hij zet stempels op papieren die zendingen naar Egypte, Libanon en Yemen begeleiden. De ambassades van die landen zouden exporteurs adviseren een endossering bij Abdellatifs Kamer te halen.

Volgens bestuurslid E.L. van Raay van het Midden-Oosten Instituut, onderdeel van het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering (NCH), is het stempelwerk van Abdellatif helemaal niet nodig. “Hij probeert zo tussen ambassades en exporteurs te komen”, meent Van Raay. “In Brussel mag de Belgisch-Luxemburgs-Arabische Kamer van Koophandel wel legalisaties doen. Daar halen ze driekwart van hun inkomsten uit.”

Abdellatif erkent dat die stempels strikt genomen niet nodig zijn, maar dat ze geloofwaardigheid van de documenten in de Arabische wereld verhogen. Hij is er van overtuigd dat er ook om andere redenen behoefte is aan zijn Kamer. Met het vertrek van het kantoor van de Arabische Liga uit Den Haag ontbrak het de Arabische ambassadeurs aan een forum. “De Raad van Arabische Ambassadeurs heeft daarom de opzet van een Arabisch-Nederlandse Kamer van Koophandel bestudeerd.”

Zijn claim de hele Arabische wereld te vertegenwoordigen kan Abdellatif niet hard maken. Zo ontbreekt hem de steun van de Golfstaten. “Dat komt door de Golfoorlog”, verklaart hij. “Het was niet de juiste tijd om te praten over samenwerking.”

Shouhayeb is al langer in opspraak. In 1986 zond de Nederlandse vertegenwoordiger van de Arabische Liga in Den Haag, Ali A. Sahlool, brieven naar verschillende ministeries waarin hij waarschuwde voor de Kamer van Shouhayeb. Deze zou leden werven onder het voorwendsel de lidstaten van de Arabische Liga te vertegenwoordigen. De Liga en zijn leden hadden “de eer” mee te delen geen enkele binding met Shouhayeb te hebben.

Volgens Shouhayeb was dat een streek van M.S. Rabbani, voormalig consul van Koeweit in Nederland, die hem zou willen dwarsbomen om zijn eigen zakelijke belangen veilig te stellen. Een woordvoerder van de ambasade van Koeweit noemt Shouhayeb ronduit “een oplichter”.

Een functionaris op de ambassade van Saoedi-Arabie, die wegens zijn status anoniem wil blijven, noemt Shouhayeb een zakkenvuller, die Nederlandse bedrijven besteelt. Dat zou hij niet alleen doen via zijn United Dutch-Arab Chamber of Commerce, maar ook via de eveneens op de sjieke Haagse Plaats gevestigde stichtingen Euro-Arab Communication Centre en The International Arab College, de United Arab Counsel, de United Arab Journal, de United Arab Academy en de Islamic Council for International Co-operation.

Curieus is overigens dat de stichtingen, blijkens het register van de Haagse Kamer van Koophandel, sinds 1 januari in liquidatie verkeren, maar dat Shouhayeb niet in het minst de indruk wekt zijn werkzaamheden te staken. Desgevraagd zegt hij wegens stress zijn activiteiten stop te zetten: “Idealisme wordt niet betaald.” Hij zou verder een aanbieding voor “een hoge buitenlandse functie” bij de Islamic Council overwegen.

Volgens de Saoedische ambassade zou Shouhayeb exportdocumenten voor Egypte, Saoedi-Arabie, Libie, Koeweit, Iran, Irak en Algerije voorzien van nagemaakte officiele stempels. Zijn 'legalisaties' zijn duurder dan normaal, maar ze worden onmiddellijk gegeven. De bedrijven die met hem samenwerken zouden te goeder trouw zijn en zich niet bewust zijn van het risico dat hun exportzendingen geweigerd of in beslag genomen worden.

Shouhayeb ontkent dit “honderd procent”. Geur- en smaakstoffenfabrikant Quest in Naarden, dochterbedrijf van Unilever, maakte tot voor kort veelvuldig gebruik van de diensten van Shouhayeb. “Een grote schoft met een geweldige service”, zegt H.J.

Doorenspleet, bij Quest belast met de verzorging van exportdocumenten. “Hij had hoge tarieven, en voor zaken met grote spoed betaalde je twee- of driemaal zoveel. Maar dan kon je er ook op wachten. En dat wil je wel als er een paar vrachtwagens op het punt van vertrekken staan.”

Problemen met de export heeft Quest nooit gehad; de banden met Shouhayeb werden pas verbroken nadat de nieuwe Arabisch-Nederlandse Kamer van Koophandel een boekje over hem opendeed. Quest maakt op dit moment alleen gebruik van Abdellatifs kamer om autorisaties voor zendingen naar Libanon te krijgen. Die schrijft de Libanese ambassade voor, aldus Doorenspleet.

Volgens een Haagse ondernemer die zijn brood verdient aan de verzorging van onder meer exportdocumenten - en die ter bescherming van zijn relaties met consulaire vertegenwoordigingen en ambassades anoniem wil blijven - trachten zowel Abdellatif als Shouhayeb een slaatje te slaan uit de handelsdrift van ondernemers. Velen zouden lid zijn geworden van hun organisaties en storten geld. Baat het niet, het schaadt ook niet, zou hun motivering zijn.

Abdellatif zegt inmiddels “ergens in de twintig” leden te hebben, die elk 500 gulden voor het lidmaatschap betalen. Verleende diensten worden apart in rekening gebracht. Shouhayeb beweert ongeveer 1.800 Nederlandse bedrijven als lid te hebben ingeschreven. Kosteloos, zegt hij, hoewel hij bij oprichting van zijn organisatie in ieder geval nog 500 tot 1.000 gulden voor het lidmaatschap vroeg.

Grote bedrijven die geregeld zaken doen in het Midden-Oosten, zoals een Hollandsche Beton Groep en de KLM, zeggen niet van het bestaan van twee Arabisch-Nederlandse Kamers van Koophandel af te weten. “Wij doen ons eigen onderzoek in het Midden-Oosten”, aldus een woordvoerder van de KLM. “Als we al samenwerken met een Kamer van Koophandel, dan is dat in het buitenland met een aan Nederland gelieerde Kamer, meest voor promotionele doeleinden.”

Op zichzelf staat het iedereen vrij een internationale Kamer van Koophandel op te richten, omdat het fenomeen geen wettelijke bescherming geniet. Drs. Chr.W.L. de Bouter, directeur van de Kamer van Koophandel voor de regio Den Haag, vindt dat “geen goede zaak”

en “verwarrend”. Als zo'n organisatie een winstdoel zou hebben, vindt hij het gebruik van de naam bovendien misleidend.

Volgens bestuurder Van Raay van het Midden-Oosten Instituut hoeven ondernemers niet echt in te zitten over een keuze tussen een van beide Arabisch-Nederlandse Kamers van Koophandel. “Je hebt ze helemaal niet nodig.”