Stadsarcheoloog ontdekt middeleeuws beeld tijdens bouw; Haarlem richt museum in voor eigen bodemvondsten

HAARLEM, 9 april - Wat is er mooier dan wanneer men tijdens de bouw van een archeologisch museum een belangrijke archeologische vondst doet? Dit overkwam de Haarlemse stadsarcheoloog dr. J. M. Poldermans tijdens de verbouwing van de kelder van de Vleeshal aan de Grote Markt: onder de oude keldervloer vond hij een vroeg middeleeuws houten beeld dat vermoedelijk een monnik voorstelt. Samen met de andere vondsten die tijdens de verbouwingen werden gedaan krijgt het een plaats in het nieuwe museum, dat vrijdag wordt geopend.

Hoewel al sinds het midden van de vorige eeuw duidelijk was dat de bodem onder de stad Haarlem belangrijke archeologische gegevens verbergt, is het archeologisch onderzoek in deze stad pas de laatste twintig jaar goed op gang gekomen. Sinds 1982 heeft deze stad, als achtste in ons land, een eigen stadsarcheoloog. Onder diens leiding wordt gemiddeld twee maal per jaar op een terrein in Haarlem of omgeving een opgraving verricht. Ettelijke tientallen malen per jaar gaat men ergens kijken omdat bouwbedrijven of particulieren iets gevonden hebben.

Zoveel archeologisch werk levert uiteraard een schat aan materiaal op. De kelders van de archeologische dienst puilen dan ook uit. De meeste vondsten bestaan uit scherven, botresten of stukjes metaal die eigenlijk alleen wetenschappelijke waarde hebben. Toch zijn er ook prachtige, soms vrijwel ongeschonden objecten gevonden: veel glaswerk, maar ook zilver en aardewerk van hoge kwaliteit. Voldoende, dacht men in Haarlem, om een eigen museum te kunnen vullen.

In 1986 begon de stichting Archeologie Haarlem in samenwerking met de gemeentelijke commissie voor Bodemkundig Onderzoek plannen te maken voor een dergelijk museum. In de historische ambiance van de Vleeshal staan in fraaie vitrines de Haarlemse topstukken opgesteld. Daaronder zijn zeventiende eeuwse Haarlemse majolica aardewerk, tinnen bekers en lepels van de eveneens uit Haarlem afkomstige tingieter Cornelis Jacobuszoon (1604-1607) en een vrijwel gaaf paar leren schoenen uit de veertiende eeuw.

Naast een permanente tentoonstelling streeft het museum ernaar om door middel van wisselende tentoonstellingen, de vondsten van nieuwe opgravingen zo snel mogelijk aan het publiek te kunnen tonen. Net als de objecten is in dit nieuwe museum ook het educatieve gehalte van zeer hoge kwaliteit. Het publiek kan hier bij voorbeeld terecht voor uitleg over het werk van de archeologische dienst in en rond de stad.

In een hoek van de zaal is een reconstructie op ware grootte gemaakt van een deel van een opgraving die een aantal jaren geleden in Haarlem plaats vond. Bovendien is er voor dit museum een speciaal computerprogramma ontwikkeld waar kinderen, maar naar ik vermoed ook vele volwassenen, hun eigen opgraving op kunnen na bootsen. Ze kunnen kiezen uit opgravingen in verschillende periodes, zoals Middeleeuwen, Romeinse tijd of prehistorie, maar ook uit verschillende grondsoorten waarin gegraven gaat worden, bij voorbeeld zand, klei of veen.

In de onlangs geopende nieuwe vleugel van het Museum Boymans-van Beuningen heeft de archeologische verzameling van Van Beuningen-de Vriese een onderkomen gekregen. Nu wordt in Haarlem een weliswaar minder omvangrijke, maar zeker niet minder interessante collectie oudheden in een prachtige omgeving aan het publiek getoond.