Primitief

Ooit drong de aanvoerder van de Spurs, de befaamde international Danny Blanchflower, bij de scheidsrechter aan om tekst en uitleg aangaande een bepaalde beslissing.

Die kreeg hij, maar hij was niet overtuigd en liet dat duidelijk merken. Daarop repliceerde de fluitist aldus: “I don't tell you how to play, don't tell me how to referee”. Met andere woorden: voetballer hou je bij je leest. Op de logica welke hier achter steekt is best wat aan te merken, want toevallig strekt de leest van de speler zich ook uit tot de toepassing van de spelregels in zijn wedstrijd, maar om die regels als zodanig gaat het zelden. Het is veel meer een kwestie van toepassing en interpretatie. Als De Jong bij Roy hardhandig over de knie gaat, dan is dat een zware overtreding en op zijn minst geel waard. Maar rood? “Hij kan hem geven”, hoor je dan op de tribunes zeggen. In dit concrete geval denk ik dan, dat Roy zelden een overtreding begaat (en al heel wat aanslagen heeft overleefd) en voor die ene misstap niet meteen verwijderd had behoeven te worden. Iemand zei: “Als Wouters niet zo hinderlijk tegen Houben had lopen mekkeren, zou Roy er niet uitgestuurd zijn”. Daar zit iets in. Denk maar aan de finale van het wereldkampioenschap van 1974, toen Cruijff fluitist Taylor meende te moeten vertellen hoe hij eigenlijk zou moeten leiden.

Dat kan een zichzelf respecterende arbiter niet pikken. Die zal iets terug gaan doen en daar wordt een elftal dan de dupe van. Houben zal tot zijn laatste snik ontkennen dat het zo is gegaan, maar de voetballerij is niet beroemd vanwege het waarheidsgehalte der afgelegde verklaringen. Als er iemand moet worden berispt vanwege ernstige verstoring van een schouwspel dat mooi had kunnen zijn, dan is het Jan Wouters. Roy is 21, en betrekkelijk toch een groentje, Wouters is 33 en staat bol van de routine. Toch gaat hij door het lint, die routinier. Eerst maakt hij een schitterende goal, daarna kletst hij zich een kaart aan en ontloopt op het uiterste nippertje een rode door de bal uit de handen van de arbiter te slaan. Inderdaad liet de referee lang naspelen, maar hij houdt de oponthouden op zijn stopwatch bij. Dus hebben de criticasters in dezen nauwelijks een been om op te staan. Bovendien: als men nu eens niet aan tergend tijdrekken had gedaan, zou PSV allicht geen extra fut hebben vrijgemaakt om dat getreuzel af te straffen. Eigen schuld dus.

Maar ook bij Beenhakker. Altijd vaardig met de mond, maar gezien het gedrag van zijn ploeg bij de start van de tweede helft heeft hij geen kans gezien de heren in de pauze tot rust en overleg te manen, want ze kwamen even geirriteerd terug als ze een kwartier eerder het gras hadden verlaten. Omstreeks een jaar geleden hebben de verzamelde supportersverenigingen van de betaald-voetbalorganisaties in het Zeister struweel hun verontrusting uitgesproken over wat zij “de discutabele kwaliteit van de wedstrijdleiding” noemden. Met name de uniforme, consequente en constante toepassing van de spelregels zagen de indieners te weinig terug in de praktijk van de arbitrage.

Het voetbal werd steeds professioneler, maar de fluiterij niet. Op zich hadden de protesterende supporters geen ongelijk. In Utrecht vertoonde zich zondag jongstleden een arbiter aan den volke, die zijn vorm-van-de-dag volledig had thuisgelaten. Dat was ergerlijk voor iedereen, maar het kan gebeuren en zo goed als er geen voetballers bestaan die anderhalf uur lang alles goed doen, zo is er evenmin een volstrekt-feilloze arbiter. Het is intussen uitstekend wanneer individuen en organisaties de KNVB blijven bestoken met ideeen ter verbetering van de scheidsrechterij. Maar vandaag de dag zou ik als supporter toch allereerst verstoord zijn door wat de hele en halve cracks uit ons zogenaamde topvoetbal er van bakken. En wat daar aan te doen moet zijn - het primitieve voetbaldier Wouters voorop.