Nieuwe kans voor hei in Drenthe

Bij Diever in Drenthe heeft de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten vijftig hectare weiland aangekocht. Ooit bestond dit areaal uit heideveld, dat in voor- en naoorlogse jaren werd ontgonnen om in de toen heersende behoefte aan cultuurgrond te voorzien. De tijden zijn veranderd. Natuurmonumenten wil de klok terugdraaien en de zojuist verworven landerijen, bedekt met hoogproduktief Engels raaigras, herwinnen voor de natuur.

DIEVER, 9 april - W. Benthem uit Diever, zestigjarige boer in ruste, hoorde het verhaal van zijn vader, die het weer van zijn vader hoorde: “Rond de eeuwwisseling kocht Staatsbosbeheer hier heidevelden op voor een half pond tabak per bunder. Om er bos van te maken. Dat is nu een deel van de boswachterij Smilde.” Decennia later zag hij met eigen ogen de Amsterdammers komen, busladingen vol. “Dat was in de slimste crisisjaren, in '37 en '38.” Ze kwamen in het kader van de werkverschaffing om heide om te zetten in akkerland: de ontginning van de 'woeste gronden' met kantoorklerken aan de schop.

Begin jaren zestig heeft Benthem zelf nog vijf hectare struikhei gerooid, nu met de ploeg achter de rupstrekker. Hij liet er aardappels, rogge en haver op groeien en vervolgens gras. En zo zou het blijven, want zijn bedrijf was inmiddels een melkveehouderij geworden, die op het laatst tachtig koeien telde.

Terwijl zijn voorouders van overheidsgeld profiteerden om de hei weg te steken, moest Benthem het zonder subsidie stellen. In de Troonrede van 1961 werd de ommezwaai aangekondigd: geen steun meer voor ontginningen wegens het belang van de resterende woeste grond voor landschap, natuurbehoud en recreatie. In de loop van de jaren zestig werden ontginningen zelfs verboden, doorgaans via gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor zover bekend is er nog een uitzondering in oostelijk Drenthe, waar een restant hoogveen wordt gewonnen voor de noritproduktie.

Benthem nam het boerenbedrijf in 1957 over van zijn vader om het in 1986, toen versleten knieen hem verder werken onmogelijk maakten, te verkopen aan de Brabander A. Bouwens. Deze heeft de landerijen, 50 hectare overwegend grasland, kortgeleden weer verkocht aan Natuurmonumenten, die hier weldra een proces van 'herontginning' in werking zet. Dat wil zeggen dat de natuur haar oude rechten terugkrijgt, zodat dop- en struikhei in de toekomst weer kunnen gedijen.

Het bewuste perceel grenst aan het landgoed Berkenheuvel- Wapserveld, 950 hectare groot en al veel langer bezit van Natuurmonumenten, en aan de boswachterij Smilde van Staatsbosbeheer. Een landbouw-enclave tussen bos en hei, lijdend aan de kwalen die al zo veel zandgrond in Nederland hebben aangetast: droogte en overbemesting. Samen zijn ze verantwoordelijk voor de snelle achteruitgang van plantesoorten die gebonden zijn aan vochtige en voedselarme milieus - ook hier, maar daar komt, als het aan de nieuwe eigenaar ligt, spoedig verandering in.

R. de Leeuw, districtsbeheerder van Natuurmonumenten, weet wat er gaat gebeuren. “We stoppen met de toevoer van mest, er komt trouwens al genoeg uit de lucht, en we gaan in overleg met het waterschap het peil van omringende beken, de Vledder Aa en Tilgrup, verhogen. Zo moet de monocultuur van Engels raaigras veranderen in een rijke plantengemeenschap, die hoort bij een vochtig en onbemest grasland.

Pinksterbloem, koekoeksbloem en dotter. En dat is nog maar een overgangsfase, want uiteindelijk moeten dop- en struikhei weer een kans krijgen.''

Op sommige plaatsen zal Natuurmonumenten bovendien de bovenste zwarte teeltlaag verwijderen, zodat de onderliggende voedselarme zandgrond en keileem gemakkelijker bereikbaar zijn voor de gewenste begroeiing. Een vorm van 'natuurbouw', die het proces naar bloemrijk gras- en later schraalland moet versnellen. Toch verwacht De Leeuw hier de eerste heipollen pas ruimschoots na de eeuwwisseling. “Het kost jaren voor al die mest in de vorm van fosfaat en stikstof eruit is en dan hebben we nog geluk dat hier geen varkensboer heeft gezeten.”

Niet ver van deze plek bezit Natuurmonumenten sinds 1970 een stukje grasland, het Kalterense gat, dat een soortgelijke 'behandeling'

onderging. Dit had een gunstige invloed op de naaste omgeving, waar een verdroogd heideveld van circa tien hectare groot zich enigszins kon herstellen: er groeien weer zeldzame soorten als klokjesgentiaan, zonnedauw en snavelbies. Hieraan ontleent De Leeuw hoop voor de toekomst nu de zoveel grotere weilanden van Benthem en Bouwens aan de beurt zijn. “Dat zou wel eens voordelig kunnen uitwerken op honderden hectaren”, zegt de districtsbeheerder.

Een voordeel van de recente aankoop is bovendien dat hiermee een aaneengesloten natuurgebied ontstaat, deels in beheer bij de particuliere natuurbescherming, deels bij de rijksoverheid. Volgens De Leeuw een belangrijke stap in de richting van het nationale park 'Drents-Friese Woud', waarover de discussie gaande is: bij elkaar 6.000 hectare bos- en natuurterrein met hier en daar wat cultuurland.

Nationale parken in oprichting behoren tevens tot de zogenoemde 'kerngebieden' die vermeld staan in het Natuurbeleidsplan (1989) van de regering. De Leeuw omschrijft ze als “grote stukken natuur of groene longen in Nederland, die via kleinere natuurterreinen of 'stepping stones' met elkaar verbonden moeten worden”. Tegelijk komt elke 'long' afzonderlijk voor versterking in aanmerking, een streven dat ook weer door de jongste aankoop wordt gediend. “Maar dan natuurlijk alleen met bijbehorende plannen”, benadrukt De Leeuw, “met andere woorden: het moet een vochtig en voedselarm territorium worden.”

En daarmee sluit hij aan bij de alarmerende feiten die de stichting Natuur en Milieu onlangs naar buiten bracht. Van de 800.000 hectare hei in het begin van de vorige eeuw resteerde in 1988 nog maar 42.000 hectare en daarvan was inmiddels nog eens 8.000 hectare sterk 'vergrast', dat wil zeggen dat struik- en dophei praktisch waren verdrongen door diverse grassoorten. Oorzaken: vermesting en verzuring, gebrek aan onderhoud en de afwezigheid van schapen en grote grazers.

Dat laatste kan echter niet op de heide bij Diever slaan, want daar lopen wel degelijk schapen rond. Maar meer nog koeien, die volgens De Leeuw de voorkeur verdienen, omdat ze uitsluitend gras eten en het paarse gewas onaangeroerd laten. Dat komt de natuur, in het bijzonder de vogelwereld, ten goede, zo mocht hij dankbaar vaststellen: “Geelgors, boompieper en tapuit hebben al zeer positief op het beheer met koeien gereageerd.”