Langwerpige hoofden in Zwitserland Granta 35. ...

Langwerpige hoofden in Zwitserland Granta 35. Uitg. Penguin Books, 256 blz. (f) 27,95

Dochters met goeie berichten Hollands Maandblad 1991-3. Uitg. Veen, 39 blz. (f) 9,25

Speenhoff in het Chinees Literatuur 1991-2. Uitg. Hes, 66 blz. (f) 11.

Langwerpige hoofden in Zwitserland Wat zoekt Granta, met zijn onmiskenbare hang naar actie en sensatie, in 's hemelsnaam in Zwitserland? In het meest neutrale en kalmste land van Europa? Het blad ging op zoek naar de kwalijke kanten van de Zwitserse samenleving. Voorop gaat misdaadauteur John le Carre, die sprak met Jean-Louis Jeanmaire, 'spion van de eeuw' die in 1977 tot achttien jaar werd veroordeeld wegens zijn al te vriendschappelijke relaties met een man van de Russische ambassade. Hij was toen al 67 jaar, maar de Zwitsers lieten hem vrij in 1990. Spionnenspecialist Le Carre zocht hem op en schreef voor Granta een stuk van bijna tachtig bladzijden.

“Het is een journalistieke voorwaarde om het te doen voorkomen dat mensen je niet echt raken. Maar ik ben geen journalist en ik sta niet boven deze ontmoeting.”

Volgens Le Carre is Jeanmaire geen echte Zwitser, omdat wat hij voelt op zijn gezicht te lezen staat. Volgens Jeanmaire zelf was hij nooit een verrader, hooguit een dwaas. Le Carre's stuk straalt inderdaad een in de journalistiek ongebruikelijke warmte uit, en het is voor een krant natuurlijk ook veel en veel te lang, maar verder zouden hoofdredacties eigenlijk voor hem in de rij moeten staan. Wat een soepele stijl, en wat een inlevingsvermogen - “He is (at 81) a lover and a striver and a dreamer and a frustrated creator. He is a humble braggart and a tender bully.” Een zachtaardige bullebak en een bescheiden opschepper - de belangrijkste spion van Zwitserland was natuurlijk helemaal geen spionnentype.

Het grote geheim van Zwitserland werd op een dubbele Granta-bladzijde vastgelegd door Alex Kayser. Hij fotografeerde de twaalf hoogste bankdirecteuren van het land, op wier uitgestreken gezichten je het liefst meteen een fysiognoom zou loslaten. Hij maakte ook ruim zestig fotootjes met ronde en langwerpige hoofden van Zwitserse soldaten bij een pamflettistische bijdrage van Max Frisch, vorige week overleden, over het afschaffen van het leger in Zwitserland. Blijkens een referendum wil de bevolking daar niet aan.

In feite gaat Frisch' artikel, een dialoog tussen een oude man en zijn kleinzoon, over het Zwitserse optreden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In hoofdzaak behandelt hij de tweeslachtige houding jegens vluchtelingen - “The Rhine is no brook outside Basel; a Walter Benjamin would never have reached the first pier, nor little Anne Frank.” Een jood die wonder boven wonder wist over te zwemmen werd toen hij zich aan de Zwitserse oever vastklampte door een plichtgetrouwe soldaat op de vingers getrapt totdat hij losliet - en verdronk. De dochter van Mussolini werd wel ontvangen - niet met open armen, maar toch.

Van Friedrich Durrenmatt (1921-1990) nam Granta een rede tot Vaclav Havel op die ook al over de strijdlustigheid van de Zwitsers gaat en over de schijn van rust en vrede die het land uitstraalt (“I am convinced that Odysseus chose the lot of being Swiss”). John Berger ging naar de dierentuin in Basel waar hij zoals de meeste mensen vooral belangstelling toonde voor de apen (“How is it that they are so like us and yet not us? - Only one per cent of his genetic code separates man from the chimpanzee or the gorilla”). Granta 35 heeft ook werk van Wolf Biermann, Nadine Gordimer, en Patrick Suskind (over het einde van de DDR), en een lange voorpublikatie van Jayne Anne Phillips die het in Nederland maar niet wil maken.

Granta 35. Uitg. Penguin Books, 256 blz. (f) 27,95

Dochters met goeie berichten Sinoloog W. L. Idema toont zich zeer goed 'in vorm' in zijn bijdrage aan het nieuwe Hollands Maandblad. Op een vertaling van vier Chinese versregels uit de negende eeuw maakte hij niet minder dan tien Nederlandse variaties, die ook nog geschreven zijn in de trant van beroemde dichters. Bij de Kloos-variatie werden de vier wijze regels natuurlijk dadelijk tot een sonnet vol met karakteristieke 'kosmische zelfvergroting'. De regels van Bai Juyi - de Po Tsju I die Slauerhoff inspireerde - over een rat die op weg naar onsterfelijkheid halverwege zijn hemelvaart door havik en raaf wordt opgegeten, werden in de trant van Bilderdijk (24 vss) “Een schepsel dat graag zonder werk wil eten - Gehuld in bruine pij maar ook wel zwart - (Al is door het gesprek van een geweten - Het laatste steeds de grondverf van zijn hart)”, en bij Speenhoff “Hij was een rat, een van die kerels - Die meissies voor zich pezen laat, - Om van hun centen te flaneren - Over de Dam en Kalverstraat.”

Het proza in dit nummer valt tegen. Hennie Bekker schreef een kort verhaal met hier en daar een cabareteske sneer over een moeder die het slecht kan velen dat haar grote kinderen het huis uit zijn - “Een enkele keer wil ik nog wel eens door mijn huis lopen en me afvragen: Wat doe ik hier, maar daar hebben we melleril voor. Of dochters met goeie berichten.” (Melleril is een krachtige tranquillizer). Bart Croughs kwam met een uitgesproken zwak verhaal dat een onduidelijke ontknoping kreeg en vol staat met oubollige uitdrukkingen; hier wordt verbaasd toegeluisterd, verbluft aangekeken, en, hoe zou het anders kunnen, schaapachtig meegegrinnikt.

Historicus Lauxtermann reageert uitvoerig op het pamflet Op weg naar het zoveelste Reich van A. Alberts en stelt dat het antwoord op de vraag Was is des Deutschen Vaterland nu gewoon is 'BRD + DDR' en dus niet So weit die deutsche Zunge klingt.

Hollands Maandblad 1991-3. Uitg. Veen, 39 blz. (f) 9,25

Speenhoff in het Chinees W. L. Idema schreef voor Literatuur een artikel over invloed op de Chinese literatuur die werd uitgeoefend door ...J. H. Speenhoff.

'Speenhoff in China' heet het, maar de zanger-dichter was nooit in het land. Wel werd een toneelstuk uit 1908 van hem, Loe, vanuit het Engels in het Chinees vertaald: Luyisi. De eenakter gaat over een aan erg lager wal geraakte domineesdochter en werd door de vertaler Mao Dun (Contra Dictie) uitgekozen omdat de gespeelde levenswijze “zeer sterk lijkt op de levenswijze die op dit moment (1922) in ons land wordt gevolgd door jonge mensen”. Idema geeft een heldere uiteenzetting over de sociale en literaire situatie van China in de jaren dertig: het dringend noodzakelijke feminisme en Ibsens Poppenhuis.

Even exotisch is het fraai geillustreerde artikel van Emilie Brouwers over een bijzonder populaire verhalenbundel uit 1592, met verhalen over de wonderbaarlijkste natuurverschijnselen; van aardbevingen en wangedrochtelijke monsters tot en met het joodse geloof en de liefde.

Moderne schrijvers van lugubere verhalen kunnen hier hun fantasie uitbundig opfrissen.

Verder in dit nummer: Kester Freriks over het schilderij Die Tanzschule van Kirchner, Mieke B. Smits-Veld over een Amsterdamse Rederijker J. S. Kolm, en Hans Anten over Bordewijks literatuurrecensies. Ook: nieuwtjes en besprekingen van secundaire literatuur.

Literatuur 1991-2. Uitg. Hes, 66 blz. (f) 11.