Laat Koerden hier niet in martelende onzekerheid

In de krant van 3 april 1991 wordt op de voorpagina vermeld dat de Tweede Kamer mondeling overleg wil met de minister van buitenlandse zaken over de positie van de Iraakse Koerden. Tijdens dit overleg zou het aanbeveling verdienen aan de minister te vragen hoe hij nieuwe Iraaks-Koerdische asielzoekers denkt op te vangen.

Dit is voor het Nederlandse asielbeleid van groot belang, gezien het feit dat de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken in april 1990 in een zaak van een Iraaks-Koerdische asielzoeker nog als volgt aan de staatssecretaris van justitie en de minister van buitenlandse zaken adviseerde: “De enkele omstandigheid, dat de vreemdeling behoort tot de Koerdische bevolking leidt niet tot het oordeel dat er sprake is van vluchtelingschap, nu blijkens ingekomen ambtelijke informatie van de Minister van Buitenlandse Zaken er geen sprake is van vervolging van de leden van de Koerdische bevolkingsgroep vanwege hun etnische afkomst.”

De adviescommissie is dus van mening dat iemand niet als vluchteling kan worden toegelaten enkel en alleen omdat hij een Iraakse Koerd is.

Dit is betreurenswaardig - zeker nu er gedurende de laatste jaren meer informatie is vrijgekomen over de wijze waarop de Koerden in Irak al jaren worden vernederd en vervolgd. Door de massale uittocht uit Koerdistan nadat het stadje Halabja in 1988 met chemische wapens was bestookt en de daarop volgende deprimerende beelden van vluchtelingenkampen in Turkije, had men tot de conclusie kunnen komen dat de Iraakse Koerden in hun eigen land te vrezen hebben voor vervolging.

Iraakse Koerden zijn nooit met open armen door de Nederlandse overheid ontvangen. Vanaf 1975 wordt Nederland incidenteel geconfronteerd met groepjes gevluchte Iraakse Koerden die hier hun toevlucht zoeken.

Hoewel het ook in die tijd bekend was dat Irak niet bepaald zachtzinnig met zijn minderheden omging en zeker niet met de Koerden, hebben de Nederlandse beleidsmakende departementen altijd wel argumenten proberen te vinden hen buiten Nederland te houden.

Het heeft tot 1979 geduurd, voordat - en dat na een proefproces - de hele groep werd toegelaten als vluchteling. In 1982 zijn er ongeveer veertig Koerden naar Nederland gevlogen, voor het merendeel jeugdige dienstweigeraars, die er niets voor voelden in de zinloze strijd tegen Iran hetzij als kanonnenvoer door de vijand hetzij in de rug door hun eigen landgenoten te worden neergeschoten.

Binnen een paar weken bleek dat ongeveer de helft van deze groep in Nederland de procedure niet mocht afwachten. Noodgedwongen zijn ze op illegale wijze de grens met Duitsland overgestoken, alwaar zij na ongeveer een half jaar als vluchteling werden erkend en toegelaten.

Degenen die de afloop van de procedure wel in ons land mochten afwachten, hebben dat ook geweten. In de eerste plaats moest de Hoge Raad eraan te pas komen om het schorsingscriterium in asielzaken te preciseren (HR Mosa-Staat 24 juni 1984), omdat de Staat dit criterium - overigens met instemming van de lagere rechter - te beperkt wilde uitleggen. Daarna heeft het nog tot zeker 1988 geduurd voordat een aantal van hen alsnog als vluchteling werd erkend. Anderen hadden toen reeds de Nederlandse nationaliteit verworven.

De jurisprudentie van de Raad van State - het hoogste rechtscollege in asielzaken - stelt dat bij het beoordelen van de vraag of iemand als vluchteling dient te worden toegelaten, ook gekeken moet worden naar de wijze waarop de mensenrechten in het land van herkomst worden geschonden. Hoe ernstiger die schending, des te aannemelijker de vrees voor vervolging.

Hoewel Amnesty International al jaren wijst op de brute schending van mensenrechten onder het Ba'ath-regime in Irak, heeft deze informatie maar nauwelijks invloed gehad op het beleid van onze minister van buitenlandse zaken. In de ambtsberichten manoeuvreerde men behendig om de hete brij en waar mogelijk werd met verve gewezen op de door Saddam Hoessein toegezegde vorm van autonomie voor Koerden. Ook het feit dat een Koerd lange tijd vice-president in Irak is geweest, werd in kort-geding-procedures door de Nederlandse Staat breed uitgemeten. De teneur van de ambtsberichten kwam erop neer dat er weliswaar nare dingen gebeurden, maar dat die eerder als incident dan als regelmaat dienden te worden beschouwd.

De wijze waarop Saddam Hoessein met de Koerden omging werd zowel in de binnen- als buitenlandse pers maar sporadisch beschreven. De aanval op Halabja in 1988 en de executie van de Britse journalist Bazoft in maart 1990 brachten echter de ommekeer in de internationale berichtgeving. Uitgebreid werden de wandaden van het regime aan de kaak gesteld. Voor degenen die zich daadwerkelijk hadden beziggehouden met de zaak der Koerden, was dit niets nieuws.

Toch heeft deze kentering geen wezenlijke verandering gebracht in het beleid van buitenlandse zaken, getuige de hierboven aangehaalde overweging.

De stroom Koerdische vluchtelingen die Irak op dit moment probeert te verlaten is veel groter dan die in de enigzins vergelijkbare situatie na Halabja. Binnen enkele maanden zullen de eerste nieuwe Iraaks-Koerdische asielzoekers ons land hebben bereikt. Het is van groot belang dat wij ons realiseren dat het ook dan om verdragsvluchtelingen gaat die terstond als zodanig erkend moeten worden zonder hen ten prooi te laten vallen aan dezelfde martelende onzekerheid, die hun voorgangers hebben moeten ervaren. Dat probleem lost men niet op met materiele steun alleen.