Joodse intellectuelen en kunstenaars uit Leningrad en Moskou naar Israel; Haat tegen joden heeft mythisch karakter

Een paar maanden geleden publiceerde een van de beroemdste schrijfsters die in de afgelopen jaren uit de Sovjet-Unie naar Israel is gekomen, een heel bijzonder essay over Marina Tsvetayeva. In het essay, dat in Israel in een literair tijdschrift verscheen, werden de moeilijke situaties beschreven waarin de grote Russische dichteres na de Russische Revolutie, als schrijfster en als dochter van niet-proletarische ouders, terecht kwam.

Aan het eind van het essay noemde de schrijfster de Nobelprijs-winnaar, de dichter Josef Brodski, en beweerde dat hij zich bekeerd had tot het christendom. Ik herinnerde me, zonder me ooit diepgaand bezig te hebben gehouden met de morele kanten van bekering, dat andere illustere dichters, zoals Heinrich Heine en Boris Pasternak, het spannend of gemakkelijk hadden gevonden om zich tot het christendom te bekeren, maar voorzover mij bekend, gold dit niet voor Brodski.

Osip Mandelstam zei eens over Pasternak: “Waarom moest hij van godsdienst veranderen? Waarvoor heeft hij tussenpersonen nodig als hij al zijn kunst heeft?” En zoals zijn vrouw Nadezhda opmerkte: “In onze uiterst christelijke wereld zijn de dichters joden.”

Ik vroeg de Russisch-Israelische schrijfster wat zij voor bewijs had dat Brodski zich bekeerd had? Ze zei dat hij christelijke beelden gebruikte, maar dat belangrijker was dat vrienden die onlangs uit Leningrad waren gearriveerd het haar hadden verteld. Aangezien dat mij niet overtuigde, schreef ik naar een vriend die de uitgever van Brodski in Amerika is. Hij zei dat het onzin was en adviseerde me het onderwerp te laten vallen. Een poosje later werd Brodski zelf, in de Economist van 13 oktober 1990, geinterviewd over het pas gepubliceerde Manifest van Solshenitsyn. Brodski vond Solshenitsyns artikel 'dwaasheid, volstrekte nonsens'. Verder werd Brodski gevraagd of hij overwoog naar Rusland terug te keren om zijn vroegere vaderland een 'geestelijke opkikker' te geven. Zijn antwoord was zeer onthullend: hij beschouwde zichzelf niet als een nationale figuur. Vervolgens zei hij: “Wel, in de eerste plaats zal men niet naar mij luisteren omdat ik een jood ben.” Met dat antwoord was de Brodski affaire afgedaan maar niet de meer algemene Russisch-joodse kwestie die veel dieper gaat.

De schrijfster van het essay over Tsvetayeva schreef het in het Russisch. Zij spreekt Hebreeuws en verstaat het redelijk, maar zij betwijfelt of zij zich ooit in een andere taal dan het Russisch zal kunnen uitdrukken. Andere schrijvers, romanschrijvers en dichters, essayisten en critici hebben dezelfde pessimistische geluiden laten horen. Zullen zij voor altijd vervreemd blijven? Ik denk van niet.

Maar waarom besloten zij op een gegeven moment hun vertrouwde omgeving in Moskou en Leningrad te verlaten en naar Israel te emigreren? Was het de oude droom terug te keren naar Zion, of was het een kwestie van angst en anti-semitisme? Meer dan een jaar geleden verscheen er in de New York Times een artikel van Bill Keller, de chef de bureau van de krant in Moskou, waarin een interview met Valentin Rasputin, een prominente Russische auteur, was opgenomen. Een van de citaten van Rasputin over de Russische joden luidde: “zij moeten zich verantwoordelijk voelen voor de zonde van de Russische Revolutie, en voor de vormen die deze aannam... zij moeten zich verantwoordelijk voelen voor de terreur... die tijdens en vooral na de Revolutie bestond. Zij speelden een belangrijke rol en hun schuld is groot.

Zowel daarvoor als voor het vermoorden van God”. De volledige tekst van het interview met Rasputin werd vervolgens afgedrukt in de New York Times Review of Books en Rasputins verwijzing naar de kwestie van de zonde van de Revolutie is overduidelijk. Hij zei: “Ik denk dat de joden zich hier vandaag de dag verantwoordelijk moeten voelen voor de zonde van de revolutie, en voor de vormen die deze aannam. (Zij moeten zich verantwoordelijk voelen) voor de terreur die bestond tijdens de revolutie en vooral na de revolutie. Zij speelden een belangrijke rol, en hun schuld is groot. Daarvoor, niet voor het vermoorden van God.”

Terwijl Rasputin in Kellers artikel de joden beschuldigt van het vermoorden van God, corrigeert de volledige versie tenminste het deel dat betrekking heeft op de aloude zonde, maar herhaalt op lafhartige wijze de antisemitische beschuldiging dat de joden verantwoordelijk waren, dat wil zeggen, collectief verantwoordelijk waren voor de rampzalige revolutie van 1917 en voor de Leninistische en Stalinistische terreur die op de Revolutie volgde.

In augustus 1990 bezocht Peter Matthiessen (de schrijver van The Snow Leopard, Far Tortuga en Killing Mister Watson) Siberie en bracht vele uren door met Rasputin. In het verslag over zijn reis citeert Matthiessen de Russische schrijver als volgt: 'Ja, er bestaat antisemitisme in mijn land, bovendien is het vrij sterk verbreid...

Ook zijn er elementen binnen de joodse intelligentsia die overdreven reageren op het minste spoor van anti-semitisme.' Later zegt hij: “Voorzover ik weet zijn er geen pogroms geweest, en ik geloof niet dat er een pogrom zal plaatsvinden in de nabije toekomst.”

De Russische intellectuelen die niet overtuigd werden door de geruststellende woorden van Rasputin kozen voor een veiliger land en zijn verhuisd naar Israel of naar Amerika. Sommigen van hen hebben mij, om hun argumenten kracht bij te zetten, gewezen op een recente uitgave van de Jonge Garde, het officiele blad van de communistische jeugdbeweging in de Sovjet-Unie. Op de voorpagina staat een foto van Lenin maar ook een kerk met een rode vlag, de perfecte vermenging van wat mij voorkomt als een 'progressief anachronisme.'

Daarop volgen vijftien pagina's met namen van joden tijdens de burgeroorlog die bevelhebbers waren in het Rode Leger, te beginnen met Trotzki en eindigend met commissarissen die tegen de Wit-Russische strijdkrachten vochten. De Jonge Garde wijst er vervolgens op dat de commissarissen, vanwege hun joods zijn, “uitblonken in het vermoorden van het Russische volk.”

Behalve deze grove insinuaties staat er een gedicht in van de Russische dichter Valeri Hatiushin, opgedragen aan Gumilev, een grote Russische dichter die in 1921 door de Bolsjewieken werd doodgeschoten.

In de laatste regels vraagt de dichter aan Gumilev: “Als jij de kans had gehad, zou je dan op die honden, die Rosenfelds en Appelbaums, hebben geschoten?”

Er werd onlangs in Israel in Beer Sheba een bijeenkomst gehouden van pas aangekomen Russische schrijvers en een groep belangrijke Israelische schrijvers. Amos Oz was aanwezig en ook de dichter Haim Gouri, de romanschrijver Aharon Appelfeld en de dichter Yehuda Amichay. Amos Oz zei in de discussie dat ontworteld raken een meer dan afgrijselijke ervaring is, maar dat emigreren van het ene land naar het andere een opwindende en stimulerende uitdaging kan zijn: “Slechts iemand die minstens een vreemde taal kent begrijpt zijn eigen taal. Iemand die twee keer heeft liefgehad, begrijpt zijn eerste liefde.” Massa-emigratie, zei Oz, is een strijd tussen ongelijken.

“Wij, de Israeli's, bezitten de machinerie en de bureaucratie, terwijl jullie, de Russen, de ironie bezitten. Wij hebben de heuvel, de vallei, de boom en het water en jullie hebben de afstand en het perspectief... Ik weet niet wat sterker is, ik weet niet wat de uitkomst van deze confrontatie zal zijn, maar een ding is zeker: saai zal het hier niet worden.”

De Rasputins en de Hatiushins in Rusland zullen misschien weinig aandacht schenken aan wat zich afspeelt tussen de uitgeweken Russische joodse schrijvers en hun nieuwe omgeving. Te oordelen naar de ervaring met andere landen waaruit joden verdwenen, hetzij door moord hetzij door een massale exodus, kun je je voorstellen dat de leugens van een Rasputin en een Hatiushin doorgaan, zelfs als de meeste Russisch joodse intellectuelen uit de Sovjet-Unie vertrokken zullen zijn. Haat tegen de joden heeft tenslotte meer te maken met een mythe dan met de joden zelf. Paradoxaal is dat openlijke acties tegen joden tijdens de Stalinistische periode in toom gehouden werden, om redenen die voortkwamen uit het multinationaliteiten begrip en de realiteit van de Sovjet structuur. Maar dat is nu niet meer het geval.

Toen de Duitse joden in de jaren dertig uit Nazi-Duitsland weggingen, deden zij dat met medename van een aanzienlijke portie van het beste dat de Duitse cultuur te bieden had en een soort tragisch heimwee naar een land dat hen tijdens Hitlers nachtmerrie alleen met walging had kunnen vervullen. Russische joden vertonen gevoelens die daar veel van weg hebben: liefde en haat, een gevoel van verwantschap met het beste dat Rusland heeft voortgebracht - het meeste daarvan van voor de Revolutie - en een bijna totale verwerping van de 'Sovjet samenleving', van de wreedheid en de uniformiteit, van de conformiteit en de onderdrukking van vrijheid.

De romanschrijver Aharon Appelfeld, die de holocaust heeft overleefd, merkte tijdens de discussie in Beer Sheba op dat voor een aansluiting bij een nieuwe cultuur een totale verwerping van de oude niet noodzakelijk is. Synthese kan als de dominante kracht tevoorschijn komen.

    • Shimshon Arad
    • in Washington. Hij Woont Nu in Jeruzalem