I. VAN DIJK; PvdA is intern een schijndemocratie

Hoe komt de Partij van de Arbeid de nederlaag bij de Provinciale-Statenverkiezingen te boven? Deze vraag houdt de partij in alle geledingen bezig. Een serie gesprekken met mensen uit de PvdA over de toekomst. Vandaag het vierde, met I. van Dijk, voorzitter van de Rooie Vrouwen.

DEN HAAG, 9 april - Ze vertelt het zonder enig cynisme. “Stel, je bedenkt een idee in de PvdA. Een goed idee, met maar een nadeel: het is in strijd met het verkiezingsprogramma. Weet jij hoeveel partij-organen het door moet voordat het in het programma terecht kan komen?”

I. van Dijk, voorzitter van de Rooie Vrouwen en lid van het dagelijks bestuur van de partij, somt ze staccato op. “De afdelingen praten erover, de gewesten, het partijbestuur, de partijraad, het congres, de Tweede-Kamerfractie. De hele machine doet mee, vaak wordt er vergaderd om te vergaderen. En aan het eind van alle discussie is van het oorspronkelijke, inventieve idee een bloedeloos, zesendertigmaal geamendeerd compromis over. Zo word je vanzelf een kleurloze partij.”

Met een kleurloze leider? “Wat wil je. Zoals het nu werkt moet Kok het niet wagen voor het einde van de discussie ook maar een vinger uit te steken. Die man krijgt geen enkele ruimte. Als dit zo doorgaat tekenen we ons doodvonnis.”

De voorzitter van de Rooie Vrouwen denkt, net als veel anderen, dat de PvdA pas weer gaat ademen als het actieve partijkader - “geen kwaad woord over die mensen, ze hebben de beste bedoelingen” - breekt met zijn huidige wijze van opereren. De partijdemocratie is schijn, ergo: weg met de democratie.

“Het is niet waar dat het democratische gehalte van de PvdA dan afneemt. Nu wordt door een zeer beperkt aantal mensen aan het debat deelgenomen. Het gewone partijlid heeft geen enkele belangstelling voor die ellenlange vergaderingen, het resultaat van het debat is zelden of nooit representatief voor wat er in de PvdA leeft. En veel van de mensen die wel intensief vergaderen, moeten aan het einde maar al te vaak vaststellen dat acht van hun tien amendementen het niet halen, waardoor hun afstand tot de partij slechts groeit. Daar hebben ze dan avonden voor zitten vergaderen.”

Van Dijk hoopt dat de commissie-Van Kemenade, die de partijcultuur momenteel tegen het licht houdt, met het voorstel komt om alleen nog thematische bijeenkomsten voor leden te beleggen, opdat het “echte politieke debat” in de PvdA terugkeert. “Maar laten we alsjeblieft niet opnieuw de fout maken de leiding met handen en voeten te binden aan de uitkomst van het debat. We moeten die mensen vrijlaten eigen keuzes te maken. Ik weet zeker dat een man als Kok dan meteen veel beter tot zijn recht komt.”

Ze bepleit daarnaast dat een een maximale termijn wordt gesteld aan het lidmaatschap van PvdA'ers in vertegenwoordigende organen. “Als Rooie Vrouwen moeten we vaak op leven en dood vechten om vrouwen op een verkiesbare plaats te krijgen. Dan stuiten we op mensen die al heel lang op een post zitten en het als een persoonlijk drama ervaren dat ze dienen te verdwijnen. Dat is te gek, we moeten zeggen: iemand zit maximaal twaalf jaar (drie periodes) op een plaats. Dan verdwijnt de verstarring.”

Een vraag is of Van Dijk zelf niet ook een deel van het probleem is. Als bezoldigd voorzitter van de Rooie Vrouwen is ze per definitie gehouden een deelbelang in de PvdA te verdedigen. En is de partijcultuur niet ook vermolmd geraakt doordat diverse groepen in de PvdA het deelbelang voortdurend laten prevaleren boven het algemeen partijbelang? “Eigenlijk zouden de Rooie Vrouwen natuurlijk overbodig moeten zijn”, zegt ze. “Maar in de bestaande partijcultuur kunnen we onze ideeen onvoldoende kwijt, en dus worden we gedrongen in de hoek van de behartigers van een deelbelang. Maar onze stelling is dat we met onze ideeen het algemeen belang dienen.” Zo blijft toch alles bij het oude? “Nee, zo proberen we tot vernieuwing te komen.”

Dergelijke inhoudelijke vernieuwing moet volgens haar vooral komen van een herwaarding van een klassiek PvdA-thema: een sturende werkgelegenheidspolitiek, wat ze liever “een moderne omgang met arbeid” noemt. De PvdA richt zich volgens haar te zeer op bescherming van inkomens, waardoor inventieve ideeen op het gebied van arbeid het nooit halen. “In mijn meest provocerende momenten zeg ik in het partijbestuur: zijn we nog wel een Partij van de Arbeid? Kunnen we dat 'Arbeid' niet beter schrappen? We gedragen ons steeds meer als de Partij van de Inkomens.”

Ze verwijst naar het rapport van Van Kemenade, Ritzen en Woltgens uit 1984, waarin behoudens een 25-urige werkweek ook een verregaande privatisering van het stelsel van sociale zekerheid werd bepleit: de overheid garandeert een minimum, wie een hogere uitkering wil kan die prive bijverzekeren. “Hoe het komt dat daarmee niets is gedaan? Omdat wij niet willen accepteren dat mensen steeds zelfstandiger worden, dat ze liever zelf hun gevecht voeren in plaats dat de PvdA het voor ze doet. D66 heeft die instelling wel, daar moeten we ons iets van aantrekken. En niet zeuren dat D66 geen ideeen heeft - D66 heeft volop goede ideeen. Ik ben het eens met Kalma, die is blijven nadenken over arbeidsverhoudingen. In dat verguisde boek van hem, 'Socialisme op sterk water', stelt hij dat de PvdA er allereerst voor is dat iedereen zijn grondwettelijk recht op arbeid kan laten gelden.”

Ze is daarom verwonderd over de inbreng van de PvdA in het huidige WAO-debat. “De oorzaak van het probleem blijft buiten de discussie: dit land geeft een te kleine groep mensen de kans betaald werk te verrichten, en die kleine groep wordt zodanig opgejaagd dat de een na de ander het niet meer kan bijbenen. Terwijl er aan de andere kant honderdduizenden zijn die graag willen werken maar de kans niet krijgen.”

Van Dijk vindt het dan ook zeer teleurstellend dat het kabinet nauwelijks iets doet om een verdere verdeling van werk te bevorderen.

“Als er dan wordt gezegd: het CDA wil niets, is mijn repliek: wat doe je dan nog in zo'n regering? Je regeert toch niet om gegijzeld te worden?”

Te makkelijk krijgen anderen de schuld als de PvdA zelf faalt, meent Van Dijk. “We moeten naar onszelf kijken en zeggen: een 28- tot 32-urige werkweek, dat is onze norm - en er eerlijk bij zeggen dat de inkomens dan dus zullen dalen. Ook als er verkiezingen aankomen. Ik realiseer me de consequenties, maar neem ze op de koop toe. Ik heb op dit moment liever goede ideeen en minder kiezers dan veel kiezers en nauwelijks ideeen.”

Van Zandvliets bestuursstijl, die hij in praktijk had geleerd als voorzitter van de Vakraad Metaalnijverheid, was er een van delegeren.