Historische pech voor Koerden

Waarom hebben de Koeweiti's wel en de Koerden niet het recht de bodemschatten in hun geboortegrond soeverein te exploiteren? De Koeweiti's hebben het historische geluk gehad dat het Britse imperium hen een eeuw geleden in bescherming nam tegen het Ottomaanse.

Dat had overigens niets te maken met de (toen nog onbekende) olierijkdommen van het emiraat. De Koerden hadden de historische pech dat de Britten na de ineenstorting van het Ottomaanse rijk aan het einde van de Eerste wereldoorlog het olierijke deel van Koerdistan wensten onder te brengen bij hun nieuwe protectoraat Irak. Dat er nog even sprake was geweest van een internationale overeenkomst - het verdrag van Sevres in 1920 - als gevolg waarvan onder andere een soeverein Koerdistan zou ontstaan, mocht de Londense beslissing verder niet beinvloeden.

Het besluit gisteravond van de twaalf landen van de Europese Gemeenschap om de Koerden te hulp te snellen neemt afstand tot de resultaten van die twintigste eeuwse Genesis. De idee van een internationaal verzekerde zone binnen Irak, waar de gevluchte Koerden zonder gevaar voor eigen leven zouden kunnen terugkeren, heeft een revolutionaire lading. Revolutionair in de zin dat als dit plan door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tot uitvoering wordt gebracht, de internationale gemeenschap verantwoordelijkheid op zich zal hebben genomen, niet alleen voor de humanitaire, maar ook voor de bestuurlijke kant van de gevolgen van een opstand binnen een lidstaat van de Verenigde Naties.

Het risico is niet denkbeeldig dat het ontstaan van een Koerdische diaspora weliswaar kan worden geremd, maar dat tegelijkertijd een chronisch vluchtelingenprobleem ontstaat waarvan de oplossing zich niet eenvoudig aftekent. Vluchtelingen in eigen land zonder middelen van bestaan anders dan uit de internationale charitas.

De 'nieuwe orde' waarvoor de coalitie in januari tegen Bagdad ten strijde trok was eigenlijk de oude orde, de orde namelijk die de overwinnaars in de oorlog tegen Japan en Duitsland de wereld oplegden en in de Verenigde Naties gestalte gaven. Grenzen waren onschendbaar, lidstaten soeverein hoewel sommige meer soeverein waren dan andere: de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad die iedere hun onwelgevallige actie voorzover deze aan de Raad was voorgelegd met een veto konden treffen. Voor dynamiek zorgde de dekolonisatie die in de loop der jaren een reeks nieuwe leden aanbracht, maar wel gesitueerd binnen de door de koloniale machten getrokken grenzen.

De imperiumbouwers in Moskou en Peking maakten intussen van het zelfbeschikkingsrecht van een groot aantal naties in hun onmiddellijke omgeving een aanfluiting. Waar India zijn onafhankelijkheid verwierf, verloren de Tsjechoslowaken hun vrijheid; terwijl het Franse en Nederlandse kolonialisme zich tevergeefs aan vertragingsacties te buiten ging, werd Tibet opgeslokt door Mao's boeren- en arbeidersstaat.

Een aantal volken stonden in ieder opzicht aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Sommige hadden in het interbellum hun onafhankelijkheid beleefd: de Balten. Andere hadden er na de ineenstorting van de imperiums van tsaar en sultan even kennis mee mogen maken of naar mogen uitzien: de Armeniers, de Georgiers en de Koerden. In de wedloop naar onafhankelijkheid die na de Tweede wereldoorlog ontstond, waren zij de kanslozen.

Het nieuwe aan Desert Storm was dat de Grote Vijf bereid waren over de schaduwen van de voorbije 45 jaar heen te springen om hun belofte, in 1945 afgelegd, gestand te doen: gezamenlijk vrede en veiligheid in de wereld te handhaven. De paradox was dat de vijand van vandaag de allemans vriend van gisteren was: Saddam Hussein, zij het dat ieder een andere reden had gehad om de kameraadschap van deze despoot te zoeken. Oude wijn in nieuwe zakken, dat was wat de Veiligheidsraad in zijn opeenvolgende resoluties de wereld uitschonk.

Waartoe pragmatisme kan leiden, wordt langzamerhand duidelijk. Toen Saddam Hussein in mei vorig jaar zijn agressieve bedoelingen liet doorschemeren, had dat nauwelijks gevolgen. Het resultaat was de onmogelijkheid Iraks agressie van 2 augustus te voorkomen of doeltreffend en snel te beantwoorden. Het duurde bijna een half jaar alvorens de plannen waren gesmeed en de strijdmacht bijeengebracht om de toestand van voor 2 augustus te herstellen - afgezien van het niet meer goed te maken menselijke lijden en de toegebrachte schade. Maar toen Desert Storm eenmaal was opgestoken, bleek het succes onverwacht groot, in velerlei opzichten. Alleen, niemand had een plan voor het vervolg.

Dat vervolg was dus niet een golf van internationaal terrorisme, ook niet een opstand van de 'Arabische natie', zoals deskundigen hadden voorspeld. Van het dank zij zijn nederlaag al zwaar geschonden imago van Saddam Hussein bleef niets meer over toen Iraks shi'ieten en Koerden tegen Bagdad in opstand kwamen. Beide rebellieen werden met de resterende tanks, kanonnen en helikopters in bloed gesmoord.

Een gepikeerde Amerikaanse president liet vorige week weten even geen tijd te hebben voor de vraagstukken van de wereld. Het kwam hem niet uit dat er naar de 'nieuwe orde' werd gevraagd. Want in die vraag lag besloten dat een grote stap moest worden gezet buiten het in 1945 omlijnde gebied. Met de Koerden ging het niet langer om het herstel van soevereiniteit van een volkenrechtelijk erkende staat, maar om de belangen van een nauwelijks als zodanig erkende minderheid. Wie wilde die doos van Pandora openen?

Toch kwam er vrijdagavond resolutie 688 waarin de Verenigde Naties Irak eisen stelden met betrekking tot de behandeling van Koerden en shi'ieten. Nu is er dan een plan om Irak te dwingen gebied te reserveren waar teruggekeerde Koerden niet aan de rechtsmacht van de centrale regering zullen zijn onderworpen. De 'nieuwe orde' blijkt te moeten worden gezocht langs de bergpaadjes waarlangs de Koerden al generaties lang een goed heenkomen zoeken zodra de machthebbers weer eens toeslaan.