Estland overvalt Nederlandse Kamerleden

TALLINN, 9 april - Nog voordat het PvdA-Kamerlid Van Traa zichzelf en zijn collega's officieel heeft kunnen voorstellen aan minister van buitenlandse zaken Lennart Meri van Estland, vraagt deze de Nederlandse Kamerleden met een charmante glimlach hoe zij over de officiele erkenning van Estland denken.

Minister Meri heeft zich op het Nederlandse bezoek voorbereid door in een Amerikaans boek over de annexatie van de Baltische staten het officiele Nederlandse standpunt op te zoeken. “De auteur zegt dat Nederland nooit officieel besloten heeft de Baltische staten wel of niet te erkennen”, zegt Meri, terwijl hij het boek van William W.H.

Hough van de New York Law School aan de Nederlanders laat zien. Van Traa moet Meri meedelen dat het bezoek aan Estland, Letland en Litouwen eigenlijk alleen als doel heeft “meer te weten te komen van uw streven naar onafhankelijkheid”.

Na de inleidende officiele beleefdheden wordt de pers op verzoek van de Nederlandse delegatie weggestuurd. Van Traa en zijn collega's willen zonder pottekijkers kunnen praten. “Dan krijgen we echt veel meer te horen”, legt Van Traa de pers later uit.

“Wij hebben geen geheimen”, zegt de vice-voorzitter van de commissisie van buitenlandse zaken van het Estse parlement, Tiid Made.

Hij is als eerste gesprekspartner zeer verbaasd over het verzoek van de Nederlandse delegatie. De Esten weten dat hun belangrijkste wapen in de strijd om onafhankelijkheid de aandacht van Westerse politici en pers is. Made, en met hem vele Esten, is ervan overtuigd dat in januari in hun hoofdstad Tallinn geen doden en gewonden zijn gevallen, zoals in de hoofdsteden van de andere Baltische staten, omdat het Westen direct verontwaardigd reageerde op het militaire ingrijpen in Letland en in Litouwen. Moskou heeft daardoor volgens hem niet de kans gekregen de oorlog in Koeweit te gebruiken om stilletjes het onafhankelijkheidstreven de nek om te draaien.

De minister van buitenlandse zaken Meri is dan ook alleszins bereid om na de officiele delegatie apart met de pers te praten. “Ik zie het bezoek van vandaag de facto als een erkenning, want Nederland stuurt tenslotte een parlementaire delegatie naar het Estse parlement, dat nadrukkelijk naar onafhankelijkheid streeft.” Meri, geen lid van een politieke partij, maar wel behorend tot het Volksfront dat de aanzet gaf tot het streven naar onafhankelijkheid, is sinds vorig jaar maart minister van buitenlandse zaken van een land “dat meer en meer de republiek Estland wordt”, zoals hij zelf zegt.

Meri meent bij de Nederlandse delegatie een zekere terughoudendheid te hebben geproefd bij het praten over onafhankelijkheid. “Ik begrijp dat veel van uw mensen denken dat de Sovjet-Unie in elkaar zal storten als wij er uit stappen. Ik kan u verzekeren: dat zal niet gebeuren.”

De kettingroker Meri pakt zijn pakje sigaretten om zijn woorden te verduidelijken. Het sigarettendoosje recht overeind zettend, zegt hij: “Dit is een wolkenkrabber. Er is maar weinig voor nodig om die in elkaar te laten vallen”. Hij geeft er een zetje tegenaan om het te demonstreren. Dan zet hij het pakje op de zijkant: “Nu is het een bunker. Daarvoor is al wat meer kracht nodig om het te laten vallen”.

Het pakje op zijn rug op tafel leggend zegt Meri met een fijne glimlach om zijn mond: “Dit platte gebouw is de Sovjet-Unie. Het kan niet instorten”.

Estland is in zijn streven naar onafhankelijkheid gematigder dan Litouwen. De commissie van buitenlandse zaken van Etsland heeft het verschil in aanpak tussen de Baltische staten aan de Nederlandse uitgelegd door het te vergelijken met het bouwen van een huis: Estland wil eerst de fundering leggen, de Litouwers beginnen met het dak.

Vice-voorzitter Made zegt dat Estland tijd nodig heeft om de onafhankelijkheid voor te bereiden. “Als de onafhankelijkheid morgen komt, dan zou dat zeer moeilijk zijn. Litouwen en wij hebben hetzelfde doel: we gebruiken alleen een andere taktiek. Wij willen Moskou de kans geven om de onafhankelijkheid aan te bieden.”

Voorzitter van de fractie van het Volksfront in het Estse parlement, Ignar Tjuk, heeft zijn twijfels over de effectiviteit van die gematigde opstelling. Bij een kopje koffie in het restaurant van het parlement vertelt Tjuk dat wat hem betreft het Volksfront komend weekeinde op het congres van de beweging moet besluiten Moskou veel harder te confronteren met de onafhankelijkheidseis. Trots op de ontluikende democratie in Estland zegt Tjuk dat dit “natuurlijk”

geen directe invloed kan hebben op de onderhandelingen met Moskou, die komende maandag weer beginnen. “Als het Volksfront zich harder wil opstellen, moet eerst het parlement daarover praten, voordat de Estse delegatie haar houding in de besprekingen mag veranderen”, weet Tjuk.

Als Tjuk over de wetten en de voorschriften van de “Russische bezetters” praat, knijpt hij zijn ogen samen. Hij maakt zijn collega's van de vier Russisch sprekende fracties in het Estse parlement uit voor “leugenaars” als hij hoort dat zij de Nederlandse delegatie hebben verteld voor onafhankelijheid te zijn, als ze maar weten niet gediscrimineerd te zullen worden door de Esten. “Ik geloof niet dat de Russische fracties werkelijk onafhankelijkheid willen. Zij klagen altijd over discriminatie, maar wij discrimineren niet. Wat zij willen is hun oude privileges terug.”

'Nederland moet bureau betalen'

TALLINN, 9 april - Het PvdA-Kamerlid M. van Traa vindt dat Nederland “er goed aan zou doen” de kosten voor zijn rekening te nemen van een informatiebureau in Den Haag van de Baltische staat Estland. Minister van buitenlandse zaken L. Meri van Estland deed een delegatie van de Tweede Kamer, die een bezoek brengt aan de Baltische staten, daartoe gisteren een verzoek.

“Afgezien van de vraag uit welk potje het moet worden betaald zie ik geen obstakels”, aldus Van Traa. Estland kan zijn eigen belangenbehartiging in het buitenland niet betalen. Als minister van buitenlandse zaken zonder ambassades voelt Meri “zich soms blind en doof”. “Daarom zou ik graag een informatiebureau hebben in Nederland.”

Een informatiebureau in Nederland zou ongeveer vier ton per jaar kosten. Volgens minister Van den Broek van buitenlandse zaken kan Estland tevens een informatiebureau in Nederland openen, als het de daartoe geeigende weg volgt.