Economie Joegoslavie tussen hervorming en ontbinding

Joegoslavie is verscheurd. De zes republieken zijn ernstig verdeeld over de toekomst van het land. De politiek riekt naar ontbinding, de economie is in therapie.

Joegoslavie is een van die weinig benijdenswaardige landen die voor de opgave staan om op de ruines van de socialistische economie een nieuwe economische orde op te bouwen. Joegoslavie heeft daarbij ook nog het ongeluk dat de zes republieken tot op het bot verdeeld zijn over de toekomst van het land en twee van de zes - Kroatie en Slovenie - zelfs dreigen uit de federatie te stappen. Bovendien zijn in twee andere - Servie en Montenegro - bij de vrije verkiezingen de communisten aan de macht gebleven; zij voelen niet veel voor radicale economische hervormingen.

De overige vier republieken werken moeizaam aan een hervormingsprogramma. Bosnie en Macedonie, waar pas eind vorig jaar verkiezingen plaatshadden, moeten nog beginnen. Slovenie en Kroatie zijn al wat verder op weg naar een markteconomie. Maar ook in deze twee republieken heeft men problemen om te komen tot de privatisering van het bedrijfsleven en de teruggave van de door de commumsten geconfisqueerde eigendommen.

De veelvolkerenstaat wordt daarbij ook nog geconfronteerd met heftige etnische conflicten, die het land de afgelopen weken tot op de rand van een burgeroorlog hebben gebracht. Deze problemen bemoeilijken de mogelijkheid dat de zes republieken tot overeenstemming komen over het te voeren politieke en economische beleid in Joegoslavie, waarmee het land de huidige crisis te boven zou kunnen komen.

De Joegoslavische premier Ante Markovic kondigde in december 1989 radicale economische veranderingen aan "die Joegoslavie definitief een plaats geven in het moderne Europa". De architect achter de hervormingen van Markovic was de Amerikaanse econonoom Jeffrey Sachs.

De therapie van Sachs voor de hervorming van de economieen van de socialistische landen is gebaseerd op een snelle invoering van de convertibiliteit van de nationale valuta, een radicale privatisering van de bedrijven, het vrijlaten van de prijzen en het opheffen van in voerbeperkingen.

Sachs wijst de kritiek dat hij met overhaaste veranderingen de socialistische landen nog verder in de problemen brengt, van de hand.

Op een persconferentie in Ljubljana antwoordde hij zijn critici met het volgende voorbeeld: Laten we ervan uitgaan dat men in Engeland besluit voortaan aan de rechterkant van de weg te gaan rijden. Voorstanders van geleidelijke overgang zouden dan bij voorbeeld voorstellen dat in de overgangsfase alleen de vrachtwagens rechts zouden gaan rijden. Het overige verkeer zou in afwachting van het resultaat enige tijd aan de linkerkant van de weg blijven rijden."

Pag 18:

Tito's experiment leidde tot miljardenschuld

Premier Markovic handelde geheel in overeenstemming met de filosofie van Sachs. Hij schrapte vier nullen van de dinar en voerde een 'interne' convertibiliteit van de dinar in, koppelde de nieuwe dinar aan de Duitse mark - in een relatie van zeven op een - hief invoerbeperkingen op en voerde een restrictieve monetaire politiek in.

Nu, een jaar later, heeft Markovic de convertibiliteit van de dinar weer ongedaan gemaakt omdat de deviezenreserve langzaam opraakt, de officiele koers van de dinar is negen dinar voor een mark; op de zwarte markt wordt zelfs dertien dinar voor een mark betaald. De inflatie liep vorig jaar op tot 130 procent, ondanks Markovic' belofte dat ze onder de twintig procent zou blijven. Een groot deel van de bedrijven balanceert door de restrictieve monetaire politiek van het afgelopen jaar op de rand van een faillissement. Het aantal werklozen is inmiddels opgelopen tot 1.376.000. En nog eens een miljoen mensen lopen de kans binnenkort hun baan te verliezen.

Jeffrey Sachs geeft zelf "de economische verschillen en de politieke conflicten in Joegoslavie" als oorzaak aan voor het falen van de hervormingen van Markovic. Ook vindt hij dat de premier niet consequent genoeg de privatisering van de bedrijven heeft doorgevoerd.

Het politieke lot van Markovic hangt op dit moment aan een zijden draadje. De stemmen die zijn aftreden eisen worden steeds luider.

De hervormingen hebben vanaf het begin verschillende reacties opgeroepen. De wensen betreffende de te volgen economische politiek in de federatie worden sterk bepaald door de uiteenlopende niveaus van economische ontwikkeling waarop de verschillende republieken zich bevinden. Dat is ook het belangrijkste probleem waarmee Markovic het afgelopen jaar is geconfronteerd. De Joegoslavische economie heeft, nadat de communisten in 1945 aan de macht kwamen, voortdurend in een 'overgangssituatie' van 'kleine' en 'grote' hervormingen verkeerd. Het experiment van het 'socialistische zelfbestuur' heeft Joegoslavie zo'n twintig miljard dollar buitenlandse schuld opgeleverd en een failliete inboedel achtergelaten. De technologische ontwikkelingen in de industrie lopen vijftien jaar achter op die van West-Europa en de produktiviteit behoort daarom tot de laagste van Europa.

Daarnaast zijn de economische verschillen in 45 jaar heerschappij van de partij alleen maar vergroot. Zo is er een groot verschil tussen de produktiviteit van de verschillende republieken. In de drie republieken Macedonie, Montenegro, Bosnie en de autonome provincie Kosovo woont 63 procent van de bevolking die slechts een aandeel heeft van 21,5 procent in het bruto nationaal produkt (BNP) van Joegoslavie.

In de republieken Slovenie, Kroatie, Servie en de autonome provincie Vojvodina neemt de overige 37 procent van de bevolking 78,5 procent van het BNP voor haar rekening.

Een vergelijking van de produktiviteit in de rijkste republiek, Slovenie, en het minst ontwikkelde gebied, Kosovo, geeft een helder beeld van de tegenstellingen in de federatie. Van de 22 miljoen inwoners die de federatie telt woont 8,3 procent in Slovenie en 7,9 procent in Kosovo. Negentien procent van het BNP van Joegoslavie is afkomstig uit Slovenie. De bijdrage van Kosovo aan het BNP is slechts 2,1 procent. Een ander voorbeeld van de economische verschillen is de verdeling van de werkloosheid tussen de republieken. In de republiek Servie is bijna de helft, 47 procent van de bijna 1,5 miljoen werklozen van Joegoslavie te vinden. In Slovenie slechts 2,6 procent en Kroatie heeft tien procent van de werklozen van Joegoslavie.

Servie, Kroatie en Montenegro zijn daarom al op eigen initiatief met een 'zelfbedieningswagentje' op bezoek geweest bij de staatsdrukkerij.

Servie nam voor 18 miljard dinar aan nieuwe bankbiljetten mee. Bij de andere republieken beperkte zich dat tot een aanzienlijk geringer bedrag.

De economische verschillen tussen Noord en Zuid spelen ook een belangrijke rol bij de motivatie van Kroatie en Slovenie om zich van de federatie af te scheiden. Zij ondersteunen in principe de hervormingspolitiek van Markovic, maar vinden dat hij vanwege zijn concessies aan de andere republieken gefaald heeft. Zij trekken daaruit de conclusie dat het in Joegoslavie op korte termijn niet mogelijk is een markteconomie in te voeren, enerzijds vanwege de lage produktiviteit in het zuiden van Joegoslavie, ander zijds omdat de communisten in Servie en Montenegro politiek niet bereid zijn een overgang naar een markteconomie te accepteren. Zij denken zelf als zelfstandige staten wel over het economisch potentieel te beschikken om die hervormingen door te voeren.

Dit wordt overigens zowel door de Sloveense econoom Aleksander Bajt als zijn Kroatische vakgenoot Branko Horvat van de hand gewezen. Bajt: "ln het geval dat Slovenie zich mocht afscheiden van Joegoslavie, is het veroordedeeld een 'tiende provincie' van Oostenrijk te blijven." Horvat adviseert de Kroatische politici en managers alvast Duits te leren "omdat we in een half-koloniale verhouding met Duitsland en Oostenrijk terecht zullen komen".

    • Theo Engelen