Diplomaten

Laat ik het eens hebben over de diplomaten die ik in mijn leven mocht treffen.

U weet misschien dat er van de inhoud van deze krant iedere week een selectie wordt gemaakt die als weekeditie naar landgenoten in den vreemde wordt gestuurd. Ook dit hoekje van de krant wordt wel eens naar de weekeditie getransplanteerd, maar nooit als ik er in schrijf.

Ik vat het op als teken van een gebrek aan kosmopolitisme, een bewijs dat de probleempjes die ik aanstip niet voor export geschikt zijn. Het verbaast me niet. Op de verste reizen blijf ik me bewust van de oerhollandse bloemkool onder mijn schedeldak. Ik schrijf voor u, broeder bloemkool, maar voor een keer wil ik proberen de aandacht van de overzeese Nederlander te trekken door een onderwerp te behandelen dat hem aan moet spreken; de Nederlandse diplomaat.

De eerste keer dat ik hem meemaakte was vijfentwintig jaar geleden. We schaakten op een eiland waar een socialistische revolutie had plaatsgevonden. De ambassadeur had wel schik in de nieuwe leider, die zijn gevoel voor romantiek aansprak. De tweede man op de ambassade dacht er anders over. Op een feestje legde hij ons uit dat de omwenteling twee fatale gevolgen had gehad. De prijs van de pompoenen was verdrievoudigd en op de fabrieken kwam het nu voor dat blanken orders van zwarten moesten aannemen. Achteraf ben ik vooral verbaasd over de argeloosheid waarmee hij er van uit ging dat zijn mening niemand aanstoot zou kunnen geven, het onschuldig vertrouwen dat er niet een stokebrandje met een opschrijfboekje op het feestje rond zou lopen dat, terug in Nederland, een schandaaltje zou willen trappen.

Dat vertrouwen werd niet beschaamd. Pas nu, nu ik kan vermoeden dat de man zijn dienst aan het vaderland al jaren geleden heeft afgesloten.

Het duurde lang voordat ik de Nederlandse diplomatie opnieuw in actie kon zien. Er was een gelegenheid dat een schakersgroepje plunderend en verkrachtend over het keurig onderhouden grasveld van de Nederlandse ambassade in Buenos Aires raasde, maar daar zal ik aan voorbij gaan, omdat het voor mijn betoog geen belang heeft.

Op een ander eiland trof ik een Nederlandse consul. Hij opende een simultaanseance in een winkelcentrum. Hij was een half uur te laat gekomen en begon er mee de organisatoren uit te schelden omdat ze de weg niet duidelijk genoeg hadden gewezen, wat ons verbaasde, want wij die pas een dag geleden waren aangekomen, hadden het opgegeven adres heel makkelijk gevonden. De consul trok zich nog even terug tot er een schoon overhemd voor hem gekocht was en verwaardigde zich toen tot een gesprekje. Wat deden wij voor ons beroep? Schaker, wel wel, bestond dat beroep echt? Pas kort zeker en het zou waarschijnlijk geen vetpot zijn.

Op het eiland woonde een Nederlandse schrijver die mij later vertelde dat hij een paar jaar daarvoor, toen hij net een boek had geschreven over theater en film, een keer door een andere diplomaat aan de consul was voorgesteld met de woorden: deze mijnheer heeft net een boek over de zelfkant van het leven geschreven. De consul had gezegd: ik neem aan dat dat soort mensen er ook moet zijn, had hem de hand geschud en was weggelopen, de handen over elkaar vegend alsof hij een vuiltje verwijderde.

Hij meende het niet kwaad. Bij de simultaanseance had hij, voor het geval dat wij lezen konden, een fotocopie van een bladzijde uit een encyclopedie meegenomen waar het onderwerp schaken werd behandeld, omdat hij dacht dat wij wel belangstelling zouden hebben voor enige wetenswaardigheden over onze hobby.

De ambassadeur van weer een ander land, die mij, toen hem verteld was dat ik schaakgrootmeester was en een schaakmatch voor de krant kwam verslaan, bewonderend liet weten dat hij dat heel knap vond en zelf waarschijnlijk niet zou kunnen, ook deze ambassadeur meende het beslist niet kwaad, maar al met al kon ik toch niet ontkomen aan de gedachte dat het Nederlandse diplomatencorps van een zekere wereldvreemdheid blijk geeft, ja, zelfs is een keer het verschrikkelijke vermoeden bij me gerezen dat ons land in de wereld vertegenwoordigd wordt door derderangs clowns.

Gezichtsbedrog natuurlijk. Het waren nooit de belangrijkste landen waar ze naar ons kwamen kijken. De ambassadeur in Washington of Londen heeft wel iets anders te doen dan een schaaksimultaan openen. Ik kon niet verwachten dat ik te maken kreeg met de elitetroepen van het corps. De kwaliteit van de diplomaten is een afspiegeling van het belang dat door het thuisfront aan hun standplaats wordt gehecht.

Daarvan werd ik me onaangenaam bewust toen ik een tijdje geleden de Amerikaanse ambassadeur in Nederland kon zien. Het was op een bijeenkomst ter ere van de schrijver Nabokov. Van tevoren was me al gniffelend beloofd dat deze ambassadeur iets bijzonders was. Niet groot geworden in de diplomatieke dienst, maar een zakenman die de Pizzahut-restaurantketen tot een succes had gemaakt, een belangrijke bijdrage had geleverd aan de herverkiezing van de vorige Amerikaanse president en daarvoor beloond was met de standplaats Nederland.

De beloftes werden niet beschaamd. Toen werd aangekondigd dat de ambassadeurs van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie een woordje zouden spreken, grijnsde hij de zaal in en zei: net waar jullie op wachtten, niet? Vervolgens hield hij een praatje. Met zijn Russische collega had hij ook al eens een hamburgerzaak geopend en toen hadden ze het ook al goed kunnen vinden, vertelde hij. Niets over Nabokov. Er is vast wel iemand op de ambassade die hem iets had kunnen vertellen over de schrijver, maar hij had niet de moeite genomen om er naar te vragen.

Het leek geen ongeschikte peer, deze pizzakoning die het geen biet kon schelen dat het overduidelijk was dat het verschil tussen Nabokovs truffels en MacDonalds hamburgers hem worst zou wezen. Toch stemde zijn optreden me somber. Soms lees je dat Nederland langzaam verarmt in vergelijking met de omringende landen. Internationale economische organisaties lezen ons de les omdat we de wetenschap verwaarlozen.

Minder dan vroeger worden Nederlanders benoemd op hoge internationale posten. De voorganger van de man die nu ambassadeur speelde had altijd een pientere indruk gemaakt. Ik vroeg me af of het een teken van onze neergang was dat de Amerikanen er nu een hadden gestuurd die ongegeneerd liet merken dat het hem niets uitmaakte wat de inboorlingen van hem dachten.