De Raad van Kerken op de bres voor rechtvaardigheid voor de 'nieuwe armen'; In Nederland meer armoede dan we dachten

Al geruime tijd besteden kerken (gemeenschappelijk en afzonderlijk) veel aandacht aan het vraagstuk van de wereldarmoede. Deze aandacht komt tot uiting in een bescheiden programma gericht op het terugdringen van armoede en ook in pogingen om het verantwoordelijkheidsbesef van de bewoners van de rijke landen te vergroten.

Deze activiteiten leverden de kerken wel eens het verwijt op, dat zij - anders dan bij voorbeeld in de voetbalwereld - uitwedstrijden beter spelen dan thuiswedstrijden. Dit denken en handelen ter zake van armoede komt niet voort uit schuldgevoelens (wat sommige tegenstanders van de kerken wel eens denken) maar uit de vraag: wat is rechtvaardig?

Naar het antwoord wordt gezocht met de betrokkenen; dat wil zeggen met degenen, die onder het onrecht lijden en met degenen die het veroorzaken.

Begin jaren tachtig gingen de kerken zich meer richten op de situatie in Nederland. Er groeide aandacht voor mensen, die werden aangeduid als de 'nieuwe armen'. Kerken werden daardoor betrokken bij een politiek getinte discussie over economische vragen. De publikatie Armoede opgelost....? Vergeet het maar (een verslag van de kerkelijke campagne tegen verarming in Nederland) die 18 maart aan minister d'Ancona werd aangeboden ligt in het verlengde daarvan.

Begin jaren tachtig merkten plaatselijke diaconieen, dat steeds meer mensen aanklopten om hulp. In de jaren daarvoor hadden regionale en plaatselijke groepen, verbonden in de Dienst in de Industriele Samenleving vanwege de kerken - de zogeheten DISK-groepen steeds meer te maken gekregen met mensen wier bestaanszekerheid op het spel stond (bedrijfssluitingen, reorganisaties). Als mensen aankloppen, gaat als regel de deur open, zeker die van de kerken. Ik denk dat de kerken in het begin nog weinig notie hadden van de omvang van het verschijnsel 'nieuwe armoede'.

Wel bleek al spoedig dat er ten minste drie categorieen te onderscheiden waren: langdurig werklozen (de omvang daarvan steeg gestaag in de jaren '80), bejaarden met alleen een AOW-uitkering en bijstandsvrouwen. Eind 1983 schreef de Raad van Kerken een brief aan de minister-president. Hierin werd gewezen op de grote betekenis van de sociale zekerheid. “Door sociale zekerheid is een belangrijk deel van de charitatieve hulp aan mensen in nood vervangen door een recht op inkomen in een situatie waarin de betrokkenen buiten hun schuld de mogelijkheid ontvalt te voorzien in het levensonderhoud van zichzelf en de hunnen. Door dit stelsel van sociale zekerheid is het rechtsgehalte van de samenleving verhoogd. Daarom zijn de kerken van mening dat deze verbetering van de rechtspositie niet verloren mag gaan, nu ons land in economische moeilijkheden is geraakt. Enkele (voorgenomen) maatregelen van het kabinet die betrekking hebben op de positie van mensen met geringe inkomens, vervullen ons met zorg.”

De positieve instelling tegenover de sociale zekerheid werd mede tot uitdrukking gebracht omdat in die jaren de mening ging postvatten dat de verzorgingsstaat, met zijn harde kern van sociale zekerheid 'wankelde' en niet meer te betalen zou zijn. Ik herinner eraan dat het niet alleen ging om inkomensbestanddelen, maar ook om collectieve maatregelen: er was sprake van verhoging van woonlasten en de uitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs.

Het antwoord van de minister-president aan de Raad van Kerken noopte de kerken dieper in te gaan op de economisch-politieke aspecten van het vraagstuk. Aanpassing van het stelsel van de sociale zekerheid, aldus de premier, was nodig om te komen tot werkgelegenheidsherstel.

De briefwisseling leidde tot een aantal gesprekken tussen een kabinetsdelegatie en een afvaardiging van de Raad van Kerken. Niet alleen het werkgelegenheidsargument, ook het financieringstekort en de noodzaak om inkomensverschillen te vergroten kwamen ter sprake, zonder dat een gemeenschappelijke conclusie werd bereikt.

Het kabinet verdedigde ook de stelling dat de armoede wel mee viel, zowel naar omvang als naar diepte en voorts, dat het minimum in het algemeen - dus uitzonderingen daargelaten - toereikend was om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Over beide punten was gerede twijfel mogelijk.

Na verloop van tijd bleek uit wetenschappelijk onderzoek - onder andere dat van prof. B. van Praag - dat de omvang van de armoede veel groter was dan men aanvankelijk dacht. Op de 'armoedeconferenties', die de Werkgroep 'De arme kant van Nederland' organiseerde, bleek wel degelijk dat er een nieuwe situatie was ontstaan. Het hoofdstuk 'Wat zagen, hoorden en ontdekten we?' in het verslagboek geeft daarvan een beknopt, maar duidelijk inzicht. Van meer belang is de vraag: hoe breng je verandering in de situatie?

Soms wordt de kerken gevraagd: Hebben jullie de mensen niet armoede aangepraat? De term 'aanpraten' zet de zaak echter volledig op zijn kop. De uitkeringsgerechtigden hebben tegen ons aangepraat en wel met grote overtuigingskracht. Het koopkrachtverlies sedert het begin van de jaren tachtig mag niet worden gebagatelliseerd. Natuurlijk gaat een vergelijking met de Derde Wereld mank. Uitkeringsgerechtigden hebben in Nederland de mogelijkheid hun basisbehoeften te bevredigen. Ze leven evenwel niet in ontwikkelingslanden, maar in welvarende landen.

Ze vormen een minderheid. Hun armoedebeleving heeft ook een duidelijke psychologische kant, maar is dat zonder betekenis? Het rapport spreekt ook van een “ineenschrompeling van de geografische en sociale leefwereld”. Isolering van mensen en groter wordende materiele afhankelijkheid, in een tijd waarin de grote meerderheid niet alleen de mond vol heeft van de zegeningen van het individualiseringsproces, maar dat ook tentoonspreidt in nieuwe consumptiepatronen, roept de vraag op van relaties tussen mensen en dat is de kern van het hiervoor genoemde rechtvaardigheidsbegrip.

De brief van de Raad van Kerken aan de minister-president pleitte sterk voor het beginsel van de draagkracht. Dat lijkt toch (en niet alleen op het eerste gezicht) een beginsel dat politiek Den Haag had kunnen aanspreken.

Het is stellig waar dat er in Nederland altijd armoede geweest is (overigens zonder dat veel mensen zich dat aantrokken). Kerken gingen dat wel doen, toen de armoede op grotere schaal zichbaar werd. Het tweede deel van het boek laat zien hoe de Werkgroep 'De arme kant van Nederland' erin is geslaagd een maatschappelijke beweging op gang te krijgen. Het is dan ook geen wonder dat de Raad van Kerken besloot de activiteiten voort te zetten.

foto: Bij het scheiden van de markt in de Amsterdamse Albert Cuypstraat wordt er naar welvaartsresten gezocht (foto NRC Handelsblad- Maurice boyer)