Verschoningsrecht dient democratie

Het ontbreken van een wettelijk geregeld verschoningsrecht voor journalisten schaadt het algemeen belang. Het niet kunnen beschermen van bronnen en journalistiek vergaard materiaal beperkt de waarnemingsmogelijkheden van journalisten. Dat biedt anderen mogelijkheden misbruik te maken van een democratie. Van kleinere oneerlijkheden tot zeer grote onrechtvaardigheden, waartegen uitvoerige en minutieuze wetgeving nimmer kan zijn opgewassen.

Het belang van journalisten bij een wettelijk geregeld verschoningsrecht is tweeledig. Het verschaft juridische rugdekking aan de uitoefening van hun vak en het erkent dat samenhang tussen democratie en journalistiek essentieel is.

Journalisten ontbreekt het aan rugdekking. Binnen het verband van de uitgeverij of omroep kan een redactie zich op een statuut beroepen.

Dat biedt overigens slechts bescherming tegen inhoudelijke dwang. Tegen economische mangel is het niet bestand. Buiten dit verband is in de praktijk niet met voorafgaande zekerheid te stellen dat een journalist effectief een beroep kan doen op verschoningsrecht, of het recht om materiaal dat voor de beroepsuitoefening is verzameld niet te hoeven afstaan aan politie, justitie of civiele partijen in de rechtspraak. Het komt dan aan op de vindingrijkheid van een journalist om de rechter te ontwijken, onder het motto 'Tom Poes, verzin een list', als wordt gevraagd naar de bron van een verhaal, of naar journalistiek vergaard materiaal. “Kent u de bron, Argus?” “Nee edelachtbare, er lag - zomaar - een brief in de brievenbus.” Anders dreigt de cel.

Het is curieus dat een van de belangrijkste hoeders van de democratie geen eigen plaats is toegekend in de Nederlandse wetgeving. Andere wetgeving, zoals die op de openbaarheid van bestuur (WOB), bevestigt dat. Die wet doet vermoeden dat er iets is geregeld ten behoeve van de mogelijkheden van het publiek om het openbaar bestuur te controleren.

In effect regelt die dat niets uit dat bestuur openbaar mag worden gemaakt, tenzij hetzelfde bestuur vindt dat niets zich daartegen verzet.

In de Nederlandse wetgeving bestaat de journalist niet, slechts de vrijheid van meningsuiting. Een stuk schrijven in de krant, op basis van geheim te houden bronnen, is in dit land niet goed mogelijk. Dat heeft zijn weerslag. Sommige potentiele bronnen zullen zich nooit als zodanig ontwikkelen, uit vrees dat hun identiteit uiteindelijk toch door een journalist prijs moet worden gegeven.

Een ander praktijkvoorbeeld is dat een voorlichter met dedain aan een verslaggever meedeelt dat hij 'zijn' wethouder heeft verteld dat die de vragen van de verslaggever best ontkennend kon beantwoorden. De hoofdredactie van de journalist zou toch pas akkoord gaan met publikatie, als drie onafhankelijke bronnen de gegevens zouden bevestigen. Toen later, zomaar, een brief in de bus van de verslaggever lag, die op basis van her-checken een onomstotelijke bron bleek, werd alsnog duidelijk dat de wethouder de waarheid 'had verzwegen'. Hetgeen overigens zonder consequenties kan.

De gedachtengang hiervan is dat er onnoemelijk veel kan worden gelogen tegen journalisten, terwijl die proberen de democratie te bewaken.

Het zou alleen daarom al getuigen van een volwaardige erkenning van de democratie, als politici durven besluiten journalisten een verschoningsrecht toe te kennen. Niet alleen omdat ze ermee aangeven dat ze zelf controle van hun werkzaamheden niet schuwen.

Een open samenleving moet als geheel kunnen worden gecontroleerd. Omgekeerd duidt het niet durven toekennen van verschoningsrecht aan journalisten het gebrek aan kwaliteit van de democratie aan. Het niet kunnen beschermen van bronnen en journalistiek vergaard materiaal beperkt de waarnemingsmogelijkheden van journalisten. Uitvoerig en minutieus geneuzel over de bezwaren tegen een verschoningsrecht voor journalisten draagt daaraan bij.

Bestaande wetgeving dwingt journalisten reeds de waarheid te schrijven en niet onrechtmatig te publiceren. Voorts hechten journalisten er op basis van hun beroepsethiek aan niet op willekeurige momenten te worden beschouwd als verlengde arm van politie of justitie. Die kans draagt evenzeer bij aan onduidelijkheid over de journalistiek en de ongeloofwaardigheid van journalisten. Het weigeren van een verschoningsrecht, of het toestaan van inbeslagname van journalistiek materiaal moet pas kunnen als vooraf overtuigend is aangetoond dat degenen die daarom verzoeken niet op andere wijze aan voor hen essentieel bewijsmateriaal kunnen komen.

    • Oebele de Jong