Optimistische economische prognoses aan herziening toe; D-Mark bracht ex-DDR ellende

De economische vooruitzichten van de voormalige DDR stemmen tot grote somberheid: de productie blijft achteruit hollen en de werkloosheid neemt almaar toe. De inwoners van de vijf nieuwe Duitse deelstaten en van Oost-Berlijn voelen zich 'grotelijks belazerd' door de regering-Kohl, die haar welvaartsbeloften voorlopig niet lijkt na te komen. Uit depit over de uitblijvende economische voordelen van de vereniging vertrekken iedere maand duizenden jonge arbeidskrachten uit de vroegere DDR naar de vroegere Bondsrepubliek.

De geforceerd optimistische prognoses zijn hard aan herziening toe. In de vijf nieuwe Duitse deelstaten en in Oost-Berlijn zal er immers noch dit voorjaar, noch in de zomer van 1991 van enige economische opbloei sprake zijn. Integendeel. De produktie blijft achteruit hollen, het bruto sociaal produkt wordt steeds minder en de werkloosheid neemt almaar toe. Het Duitse Instituut voor economisch onderzoek in Berlijn en het Instituut voor wereldeconomie in Kiel hebben alle twee berekend dat de actieve beroepsbevolking in de vroegere DDR nog dit jaar van ruim negen miljoen tot iets meer dan zes miljoen zal verminderen.

Deze ontwikkeling die uit de nuchtere cijfers blijkt, heeft echter ook een politieke component. De mensen voelen zich door de regering-Kohl 'belazerd' stelde bisschop Forck van Berlijn en Brandenburg onlangs vast. Kohls partij, de CDU, had de kiezers beloofd dat het niemand slechter zou gaan dan vroeger en velen zelfs beter. Nu in Oost-Duitsland echter precies het tegendeel is bereikt en de Westduitsers bovendien met belastingverhogingen worden geconfronteerd, bestaat het gevaar dat rechtsradicale krachten veld zullen winnen.

Daarbij komt ook nog een sociale component die zeer benauwend en hoogst actueel is en nog lang kan doorwerken. Namelijk dat de materiele levensomstandigheden in Oost-Duitsland niet in de schaduw kunnen staan van die in West-Duitsland. Bij gelijksoortig werk wordt daar slechts zestig procent verdiend van wat men in de vroegere Bondsrepubliek krijgt. Het niveauverschil werd bovendien nog groter doordat de huren en de kosten van levensonderhoud in het oosten sterk omhoog zijn gegaan. Dat leidt ertoe dat iedere maand duizenden jonge arbeidskrachten naar het vroegere West-Duitsland vertrekken. Dit proces is niet eenvoudig te keren door steeds meer uitkeringen aan Oostduitse werklozen of door arbeidstijdverkorting, die in feite op werkloosheid neerkomt, te financieren.

President Pohl van de Duitse Bundesbank heeft het overijlde totstandkomen op 1 juli 1990 van de monetaire unie tussen de Bondsrepubliek en de DDR een 'ramp' genoemd en ervoor gewaarschuwd dat deze ernstige misstap niet op Europees niveau wordt herhaald. De D-Mark heeft in Oost-Duitsland niets anders dan achteruitgang gebracht en het heeft geen zin om dat, hoewel zulks door de regeringscoalitie in Bonn steevast wordt gedaan, te blijven verzwijgen. Wat we nu nodig hebben is een nuchtere analyse van de feiten waaruit solide beleidsideeen moeten voortvloeien.

In de vroegere DDR leven miljoenen mensen tussen hoop en vertwijfeling. Ze hopen dat er een eind wordt gemaakt aan de economische en sociale achteruitgang. Ze hebben genoeg van mooie woorden en rekenen nu op een eerlijke politiek die spijkers met koppen slaat. Om die te bereiken moeten we uitgaan van ten minste twee feiten en gevolgtrekkingen.

Het eerste feit is dat de economische achteruitgang van de DDR begon toen de Oostduitse landbouw en industrie door een ongebreidelde invasie van goederen uit de Bondsrepubliek in de hoek gedrongen en weggeconcurreerd werden. Zelfs de melk kwam uit Beieren en het brood uit het Rijnland.

Er was (in tegenstelling tot de toetreding van nieuwe landen tot de EG) geen sprake van een overgangstijd van een paar jaar. Van de ene dag op de andere werd de hele DDR afzetgebied van de Bondsrepubliek.

De Oostduitse bedrijven hadden noch de tijd, noch de financiele middelen om zich in te stellen op nieuwe concurrentieverhoudingen. Van de vroegere 'volkseigene Betriebe' (staatsbedrijven) bleven tegen het oordeel van alle deskundigen in, alle fictieve schulden aan de staatshuishouding van de DDR bestaan. Dat maakte hen nog niet kredietwaardig.

De uit Bonn gedirigeerde Treuhandanstalt die nu het beheer voert over het hele vroegere staatsvermogen, deed en doet bovendien niets om ondernemingen te helpen bij de voor hen noodzakelijke investeringen of bij het zich instellen op de markt. Ook de handel met het Oostblok, ooit steunpilaar van de DDR-industrie, ging naar de bliksem. Terwijl de export naar Iran van de Westduitse industrie floreerde, was er niet een kredietgarantie vanuit Bonn voor de handel van de vroegere 'Kombinate' met de Sovjet-Unie.

Eerste conclusie: de crisis in Oost-Duitsland kan alleen maar worden opgelost als het lukt de traditionele industrieen te redden - voor sommige is het echter al te laat, nieuwe bedrijven aan te trekken en de eigen landbouwprodukten weer op de markt te brengen. In tegenstelling tot wat men in Bonn meent kan de middenstand niet op eigen kracht alleen het industriele vermogen van de vroegere DDR vervangen.

Men hoeft er niet over te twisten hoe de Oostduitse economie ervoor stond toen de D-Mark werd ingevoerd. Ze was verre van efficient, was technologisch niet bij de tijd en was om milieuredenen hard aan een drastische sanering toe. Maar de landbouw was wel bij machte om de bevolking redelijk te voeden. Bovendien had de industrie afzetmogelijkheden in het buitenland - was zelfs een geziene partner van Westduitse concerns.

Met de monetaire unie werd plotseling alles anders. Vanaf dat moment gold dat de hele DDR-economie totaal verrot was. De Treuhandanstalt had daarom slechts tot taak alle bedrijven te privatiseren, te liquideren of tegen spotprijzen te verkopen. Gevolg daarvan was de voortdurend stijgende werkloosheid. De monetaire unie en de Duitse vereniging waren de vrucht van koele politieke berekening zonder enige kennis van zaken van de Oostduitse werkelijkheid en zonder enige visie; in Bonn wist men immers hoegenaamd alles beter.

Tweede feit: de kans is verspeeld om Oost-Duitsland met de monetaire unie een economische por in de goede richting te geven. De situatie wordt er niet echt beter op dat West-Duitsland tientallen miljarden marken in de nieuwe deelstaten pompt voor werkloosheidsuitkeringen en arbeidstijdverkorting. Het stereotiepe beroep van de bondsregering op het Westduitse bedrijfsleven in de nieuwe deelstaten te investeren en daarmee nieuwe arbeidsplaatsen te scheppen haalt niks uit. Ook bij omvangrijke investeringen zullen in de komende twee jaar op zijn minst veel meer arbeidsplaatsen verdwijnen dan er nieuwe bijkomen. Daar komt bij dat het Westduitse bedrijfsleven uiterst spaarzaam in het oosten zal investeren zolang het uiterst lonend is de Oostduitse markt vanuit het westen te blijven bedienen. De grote investeringen van het Volkswagen-concern en van Daimler-Benz vormen uitzonderingen en zijn vooral bedoeld om de markten van Oost- en Zuid-Europa te veroveren.

Tweede conclusie: Het Westduitse bedrijfsleven moet het moeilijker worden gemaakt om zonder investeringen gemakkelijk geld in Oost-Duitsland te verdienen wanneer tegelijkertijd de werkloosheid door Bonn wordt gefinancierd. Veeleer moet de overheid zelf met gerichte, grootscheepse, structurele investeringsmaatregelen een economische opbloei in Oost-Duitsland financieren en sturen. Ook al riekt dat naar dirigisme, het zou toch - in ieder geval tijdelijk - moeten gebeuren. Andere Westeuropese landen zijn in dat opzicht immers minder terughoudend. Daarbij is ook aan te bevelen buitenlands kapitaal aan te trekken in plaats van dit ten gerieve van Westduitse firma's te bemoeilijken zoals de Treuhandanstalt aanwijsbaar doet. Op den duur zal dit minder kostbaar zijn dan alleen maar de sociale ellende in te perken.

Om dit te laten slagen moeten de regeerders in Bonn niet langer zo arrogant gelijkhebberig optreden en zouden zij, zoals gebruikelijk in een democratie, in brede kring te rade moeten gaan. De Oostduitsers kunnen hun situatie, hun krachten, hun verhoudingen en hun mogelijkheden honderd maal beter beoordelen dan die potentaten aan de Rijn. Beter zou zijn dat er in Berlijn een denktank, bestaande uit deskundige vertegenwoordigers uit de nieuwe deelstaten, wordt geformeerd die dwingende voorstellen mag doen.

Na de 'Wende' in de DDR heeft mijn regering in de periode van november 1989 tot april 1990 allereerst geprobeerd ervoor te zorgen dat het land rustig bleef en dat de bevolking er niet onderdoor ging. Zij kon daarbij rekenen op tal van mensen die zich allen, hoewel ze politiek gezien van diverse pluimage waren, scherp bewust waren van hun nationale verantwoordelijkheid. Met het oog daarop zagen zij af van partijpolitieke belangen. Ofschoon deze poging niet in alle opzichten geslaagd kan worden genoemd, had zij toch resultaat. In ieder geval werd een ramp voorkomen. Nu we in een groter nationaal verband zijn opgegaan is het, voordat er een echt Europees probleem ontstaat, onze eerste taak degelijke visies te ontwikkelen voor de ernstige Oost-Westproblematiek van de Bondsrepubliek Duitsland. Tegelijkertijd gaat het er daarbij om dat de nieuwe Bondsrepubliek door haar vreedzame bereidheid tot internationale hulpverlening, economische prestaties en politieke bescheidenheid internationaal aanzien krijgt.

De parlementaire oppositie waartoe ik behoor, wil daar graag constructief aan meewerken.