Ook na ontspanning blijft band met Washington gewenst

“De constructie van een geintegreerd Europa zal onvolledig blijven zolang deze niet veiligheid en verdediging omvat”. Aldus het WEU-platform van 1987, dat dus zowel door de Franse en Duitse, als door de Britse en Nederlandse regeringen werd onderschreven.

Maar deze regeringen hebben nu duidelijk uiteenlopende opvattingen over de uitwerking van deze formule. Bonn en Parijs willen, blijkens voorstellen van Kohl en Mitterrand van december 1990, dat de WEU na een overgangsperiode opgaat in een Europese politieke unie, die uiteindelijk ook een gemeenschappelijk defensiebeleid zou moeten uitwerken. Londen en Den Haag keren zich tegen dit voorstel. “Wij moeten een structuur van de Europese defensie ontwikkelen zonder onze Noordamerikaanse vrienden van ons te vervreemden of ons bondgenootschap te schaden”, aldus Hurd op 19 februari. Hij beschouwt de WEU als het instrument om enerzijds een betere structuur van de Europese defensie te creeren, maar anderzijds de vitaliteit van de NAVO te behouden. De WEU zou als brug moeten fungeren tussen de twaalf landen van de Europese Gemeenschap, die zich zouden moeten concentreren op het buitenlandse en het veiligheidsbeleid, en de NAVO, met de collectieve verdediging als hoofdtaak.

Hoe stellen de Amerikanen zich in deze controverse op? In het, mede door Bush onderschreven slotcommunique van de Londense NAVO-top van juli 1990 heet het: “De voortgang binnen de Europese Gemeenschap naar een politieke unie, die de ontwikkeling van een Europese identiteit op het gebied van de veiligheid omvat, zal ook bijdragen tot de Atlantische solidariteit”. In deze passage ziet men de weerspiegeling van de, zeker bij de huidige Amerikaanse regering levende, wens naar de ontwikkeling van een krachtig verenigd Europa, dat als volwaardige partner naast Amerika op het wereldtoneel zou kunnen fungeren en dat door betere onderlinge samenwerking ook meer in staat zou zijn een groter deel van de gezamenlijke defensielasten te dragen. Maar nu laat Washington blijken niets te voelen voor de Frans-Duitse plannen die uiteindelijk de komende Europese politieke unie ook een rol zouden geven op het gebied van de defensie.

Op het eerste gezicht lijkt dit inconsequent. Maar bij nadere beschouwing worden de Amerikaanse bezwaren toch een stuk begrijpelijker. Washington weet hoe het binnen de Europese politieke samenwerking toegaat. Uiteenlopende belangen of binnenlands-politieke overwegingen maken overeenstemming moeilijk, en het compromis dat uiteindelijk uit de bus komt is vaak broodmager, omdat het de grootste gemene deler van de diverse standpunten moet weerspiegelen. De Amerikaanse vrees is dat het bij het formuleren van een Europees defensiebeleid in de politieke unie niet anders zal gaan. Washington is bezorgd dat bij de uiteindelijke besluitvorming te weinig met Amerikaanse inzichten rekening zal worden gehouden en dat de Europeanen, om de martelgang van het opnieuw zoeken van een compromis te ontgaan, hardnekkig aan de onderling overeengekomen formule zullen blijven vasthouden.

In hoevere moet nu met de Amerikaanse bezwaren rekening worden gehouden? Men kan - in het veilige besef dat het risico van een Sovjet-verrassingsaanval geringer is dan ooit - betogen dat de Europeanen zich bij de verdere ontwikkeling van het Europese integratieproces niet door Washington de wet moeten laten voorschrijven. Maar men kan ook proberen oplossingen te vinden die enerzijds voortgang op het Europese vlak mogelijk maken, maar anderzijds de Amerikanen niet voor het hoofd stoten. Er zijn vele redenen om voor deze laatste optie te kiezen. Het risico lijkt groot dat de conservatieven voorshands het veiligheidsbeleid van de Sovjet-Unie zullen bepalen. De Ottomanisering en economische aftakeling van de Sovjet-Unie mogen niet doen vergeten dat het land een nucleaire supermacht zal blijven, terwijl aan Westeuropese kant de Franse en Britse kernmachten niet als nucleaire paraplu voor de Europese Gemeenschap dienen, maar primair als afschrikking van een nucleaire aanval op het eigen grondgebied.

MACHTSVACUUM

Het risico van een terugkeer van de Sovjet-strijdkrachten in de landen van Centraal-Europa lijkt miniem, maar anderzijds probeert Moskou nog steeds Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije af te houden van een nauwere aansluiting bij het Westelijk veiligheidssysteem, waardoor een machtsvacuum in Centraal-Europa dreigt te ontstaan. Kortom, voor de verzekering van veiligheid en stabiliteit in Europa blijkt, zoals ook door alle NAVO-lidstaten wordt onderkend, een voortgezette veiligheidsband met Washington dringend gewenst. Het lijkt daarom bepaald niet het opportune moment om veiligheidsformules te kiezen die Amerika als een aantasting van de trans-Atlantische banden beschouwt.

Ook dienen de consequenties van de Frans-Duitse plannen voor de Centraaleuropese staten in het oog te worden gehouden. Binnen de eerstkomende tien jaar zijn Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije economisch niet in staat lid van de Europese Gemeenschap te worden.

Maar de wens daartoe leeft sterk in deze landen, die even Europees zijn als welk lid van de Europese Gemeenschap dan ook. Maar welke situatie gaat ontstaan als in het begin van de volgende eeuw de economische voorwaarden voor lidmaatschap vervuld zouden zijn, maar de Gemeenschap inmiddels een militaire component heeft gekregen en tevens de stringente bijstandsverplichtingen ingeval van een aanval van het WEU-verdrag heeft overgenomen?

Zal de Gemeenschap dan bereid zijn deze verplichtingen tot de landen van Centraal-Europa uit te breiden of zal zij, zoals vermoedelijk het geval zou zijn als op dit moment over deze kwestie zou moeten worden beslist, weigeren deze additionele verplichting op zich te nemen? Dit zou dan betekenen dat het opnemen van de WEU in de Europese Gemeenschap in de toekomst zou gaan fungeren als barriere tegen de toetreding van de Centraaleuropese landen.

MINDER BETROKKEN

Het is geenszins ondenkbaar dat in de komende tien jaar de Amerikaanse betrokkenheid bij de Europese veiligheid ingrijpend zal verminderen.

Wellicht raakt Amerika in toenemende mate gepreoccupeerd door buiten-Europese problemen, of zullen binnenlands-politieke problemen een veel grotere prioriteit krijgen. Het is ongewenst de kansen op een ontwikkeling in deze richting te vergroten door op het gebied van de Europese defensiestructuren te kiezen waartegen Washington ernstige bezwaren heeft. Maar anderzijds zal, juist ook gezien het risico van een afkalving van de Amerikaanse interesse voor Europa, eindelijk ernst moeten worden gemaakt met een revitalisering van de WEU, zij het dan in zodanige vorm dat deze organisatie niet door de Europese politieke unie wordt opgeslokt. Het WEU-platform van 1987 kan ten dele als grondslag voor dit streven dienen. Maar het zal ook noodzakelijk zijn in WEU-verband te komen tot harmonisatie van standpunten over wat binnen het NAVO-beleid als van specifiek belang voor de Europese veiligheid moet worden beschouwd. De formule van een WEU-interventiemacht voor eventueel gebruik in crisessituaties buiten het NAVO-verdragsgebied verdient eveneens de aandacht, zij het dan ook dat een onderscheid zal moeten worden gemaakt tussen crises in Centraal- en Oost-Europa die zeer wel tot verwikkelingen met de Sovjet-Unie kunnen leiden, en crises buiten Europa in gebieden waar Amerika geen essentiele belangen heeft. In het eerste geval lijkt het inzetten van een WEU-strijdmacht nagenoeg ondenkbaar als men niet verzekerd is van een groen licht uit Washington.

Gaat overigens het huidige debat niet te veel over instituties en organen en te weinig over wat uiteindelijk de onontbeerlijke grondslag is van welke vorm van Europese veiligheidsidentiteit dan ook: het tot stand komen van een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid?

Maar Europa heeft hier nog een lange weg te gaan. Zowel de Golfoorlog als de Midden-Oosten-crisis van 1973-1974 toonde aan dat naarmate een crisis ernstiger is, de Europese ministers van buitenlandse zaken het moeilijker vinden het eens te worden.