Officier van justitie H.J. Laumen Bulldog en dorpspastoor

Zijn critici vinden hem een botte stemmingmaker, maar zijn verdedigers herkennen in hem een kleurrijke bourgondier met het hart op de tong. Over een ding zijn vriend en vijand het echter eens: wie de zittingen met officier van justitie mr. H.J. Laumen bijwoont hoeft zich zelden te vervelen. Dat werd nog eens duidelijk in het Roermondse IRA-proces waar vorige week uitspraak in werd gedaan. Eerder kon Laumen zich uitleven als Maastrichts fraude-officier in het proces rond de steekpenningen bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Alle retoriek van de officier ten spijt eindigden beide spraakmakende zaken vooralsnog in vrijspraak van de meeste verdachten.

“Hoe voelt U zich nu, meneer Laumen?” vroeg de verslaggever van het NOS-Journaal direct nadat de rechtbank in Roermond drie van de vier IRA-verdachten, die hij voor twintig jaar uit de samenleving had willen verwijderen, waren vrijgesproken. De officier van justitie liet weten dat hij de avond daarvoor waarschijnlijk een glas abdijbier meer had gedronken dan goed was voor zijn constitutie, maar dat hij zich voor de rest prima voelde. Voordat hij was uitgepraat struikelde de officier over een kabel. Geen nood, op verzoek van de verslaggever speelde hij de scene nog een keer over. De tweede keer raakte hij niet meer verstrikt.

Volgens velen is mr. Hubert Joseph Laumen, 53 jaar oud en officier van justitie in Roermond, een kleine drie jaar na “zijn” nederlaag in het ABP-proces voor de tweede keer gestruikeld in een monsterproces.

Van de vier IRA-verdachten mag er dan wel een schuldig bevonden zijn aan de moord op twee toevallig passerende Australische toeristen, het wordt toch als pijnlijk ervaren, dat de drie medeverdachten vrijuit gaan.

Iedereen wist dat het moeilijk zou zijn te bewijzen dat zij de aanslag gepleegd hadden, maar niemand twijfelde er echt aan dat de vier veroordeeld zouden worden voor het deelnemen aan een verboden organisatie, de Provisional IRA. Toch gebeurde dat niet omdat de rechtbank de dagvaarding op dat punt nietig verklaarde. Het openbaar ministerie had te vaag omschreven waar dat deelnemen uit had bestaan.

Eerder werd Laumen bij het ABP-proces verweten bij het opstellen van de dagvaarding steken te hebben laten vallen. Dat de vele tienduizenden pagina's van het ABP-dossier en de jarenlange inspanningen van rechercheteams uiteindelijk resulteerden in de vrijspraak van de hoofdverdachten mr. drs. A.J.M. Masson en ir. J. van Zon, was echter voor het grootste deel te wijten aan de zeer strenge bewijslast die de wet stelt bij het aantonen van omkoping van ambtenaren. De consequente manier waarop de verdediging alle medewerking uit de weg ging en waar mogelijk voor vertraging zorgde maakte de zaken er bovendien niet makkelijker op.

Om zijn verbeten gelaatstrek, zijn grommende opmerkingen en zijn onversaagdheid in de rechtszaal wordt Laumen wel eens met een bulldog vergeleken. Maar in het IRA-proces riep de openbare aanklager met zijn zwarte toga, zijn tongval en zijn liefde voor abdijbier eerder associaties op met een Limburgse dorpspastoor: streng in de kerk, gemoedelijk daarbuiten. Op het altaar van de gerechtigheid riep hij de vier verdachten vol morele verontwaardiging ter verantwoording en dreigde hen met hel en verdoemenis.

“Mijn God, het zal je dochter maar wezen, al zullen haar ouders daar nu misschien anders over denken,” zei hij over de 24-jarige Donna M.

“Iedereen heeft zijn eigen geloof volgens welk hij zijn daden met zijn geweten in overeenstemming kan brengen. Ik kan me niet in hun gedachten verplaatsen om hun onderscheid tussen goed en kwaad te beoordelen. Ik eis een gevangenisstraf van twintig jaar tegen elk,”

waren de laatste woorden van zijn requisitoir. Bij zijn optredens mag de officier van justitie graag putten uit de bijbel als inspiratiebron. “Als Jaweh indertijd had geweten wat het effect is van corrupte ambtenaren”, zo verklaarde hij ten tijde van het ABP-proces in een interview, “had hij zo'n groep als eerste plaag naar Egypte gestuurd.” En protesterend tegen het zijns inziens selectief gebruik van bewijsmateriaal door de verdediger van voormalig ABP-topman Masson: “Als ik uit de bijbel ga citeren en ik trek er hier en daar een kreet uit dan krijg je de reinste pornografie.”

Een beetje toneel in de rechtszaal, daar houdt de openbare aanklager wel van. Een bourgondier die het hart vaak op de tong draagt, aldus zijn voormalige studiegenoot, de Maastrichtse advocaat D. Tripels.

“Jo kan flink onderuit de zak geven”, grinnikt Tripels, die zijn goede vriend regelmatig als opponent in de rechtzaal tegenkwam. “Zo van: 'wat de verdediging hier te berde brengt is gespeend van iedere realiteitszin' ”, aldus advocaat Tripels, die na een confrontatie overigens graag een glas met de officier mag drinken.

“Rond in de omgang en vierkant in zijn eisen. Een vlees geworden no nonsense-officier, zoals je er in dit land geen tweede vindt,”

typeert advocaat mr. Th. Hiddema hem. “Als Laumen een eis stelt, is dat geen dorre ambtsverrichting zoals bij veel andere officieren die hun uren draaien met het uitstrooien van geleerde zinnen over de hoofden van verdachten. Hij legt er zijn hele ziel en zaligheid in omdat hij het gewoon leuk vindt om officier te zijn, niet vanuit een dieper liggende filosofie, maar heel zakelijk: misdaad mag niet lonen.

Bij hem weet een verdachte waar hij aan toe is. Maar wee degene die hem mishaagt: aan drugshandelaren bijvoorbeeld heeft hij zo gruwelijk de pest, dat hij over het randje van de minachting heen kan gaan. Dan wordt hij zo persoonlijk dat hij die zaken eigenlijk niet zou mogen doen. Maar voor een advocaat is Laumen de ideale tegenstander. Als je na een requisitoir van hem nog geen inspiratie hebt, moet je je laten nakijken.''

Ook de Maastrichtse hoogleraar strafrecht, prof. G. Mols, heeft als advocaat waardering voor Laumens onconventionele manier van optreden gekregen: “Hij komt misschien als een lomperd over, maar voor mij is hij een positieve uitzondering in een klinisch parket. Laumen is niet iemand die via het studentencorps is opgeklommen, hij staat met beide benen op de grond. Naar zijn idee houdt het strafrecht zich ook veel te veel bezig met kleine dieven, terwijl de witte boorden veel meer schade aanrichten.”

Niet iedereen kan de gedreven, emotionele wijze waarop Laumen zich in zijn rol inleeft waarderen. “Die felheid, dat te veel spelen op de man”, verzucht mr. H. Pfeil, de advocaat van Masson gedurende het ABP-proces, “Van tijd tot tijd werd het onbeheerst en niet passend in de sfeer van de rechtszaal.” Pfeil lag dan ook gedurende het zich maanden voortslepende ABP-proces voor de rechtbank in Maastricht regelmatig in de clinch met Laumen. Daarbij ging de officier, als het hem zo uitkwam, typische staaltjes van stemmingkwekerij jegens zijn client niet uit de weg, meent de raadsman.

Dat zijn persoonlijke stijl hem kwetsbaar maakt, is een consequentie die Laumen zelf niet altijd kan waarderen. “Het begint een beetje te lijken op een partij 'Joe Laumen tegen de rest van Ierland',” zegt hij over de kritische aandacht die naar aanleiding van het IRA-proces aan hem wordt besteed.

“Er wordt te veel op de persoon gespeeld, alsof ik die zaak in mijn eentje heb gedaan. We hebben er met z'n vijven aan gewerkt. Als officier van justitie doe je het altijd verkeerd, heeft een collega hier in Roermond me een keer verteld. Hij heeft eerst vijftien jaar in de advocatuur gezeten, maar daar kun je nooit iets verkeerd doen, zegt hij: al sta je nog zo te stuntelen, je krijgt altijd lovende kritieken. Maar als ik als officier een massamoordenaar moet laten gaan omdat ik niet genoeg bewijs heb, wordt er een grote bedevaart naar de Kapel in 't Zand georganiseerd, omdat er weer een ziel is gered uit de handen van justitie.”

Hoogleraar Mols ziet genoeg verzachtende omstandigheden voor Laumen om hem zeker van gestuntel vrij te pleiten; “In de IRA-zaak lag het bewijs heel moeilijk. Het zou me niet verbazen dat die zaak voor de rechter is gekomen, omdat er van hogerhand druk op de officier is uitgeoefend. Dat het tweede onderdeel van de telastelegging nietig is verklaard, kun je justitie wel verwijten. Zo'n dagvaarding circuleert toch eerst, waarom heeft toen niemand gezien dat die omschrijving te vaag was? Maar aan de andere kant denk ik ook dat van de tien rechtbanken die een dergelijke dagvaarding onder ogen krijgen, er acht of negen niets op zullen aanmerken.”

Laumen praat veel en graag over zijn vak en dat bracht hem herhaaldelijk in aanvaring met zijn superieuren. Een interview in Elseviers Magazine in 1986, aan de vooravond van het proces tegen hoofdverdachte Masson waarin hij concludeerde dat zelfs 'een blinde in een donkere kamer met een zonnebril op' nog wel kon zien wat er bij het ABP aan schortte, kwam hem op een flinke schrobbering en een absoluut spreekverbod te staan.

Laumen werd in augustus 1980 tot officier van justitie benoemd, nadat hij eerder dat jaar een part-time studie rechten aan de Universiteit van Utrecht met succes had afgerond. In de tussenliggende maanden was hij leraar maatschappijleer geweest. Hij werd aangenomen buiten de zogenaamde Raio-opleiding, in een tijd dat het nijpende personeelstekort bij justitie in Maastricht vooral werd opgevuld met juristen die reeds aktief waren geweest buiten de magistratuur.

Het onderwijs heeft Laumen nooit helemaal losgelaten. Nog steeds is hij actief als repetitor bij de Kring van Utrechtse Repetitoren en de laatste tijd is hij ook voor zichzelf begonnen. Voor de mede-studenten van zijn zoon, zo heeft de officier gezegd, maar via advertenties in het universiteitsblad werft hij ook achterop geraakte studenten, die in groepjes van hoogstens tien personen voor twintig gulden per uur worden bijgespijkerd.

Tot 1978 had Laumen een weinig succesvolle loopbaan als drukker achter de rug. Het was deze eerdere carriere van Laumen die voor enige opschudding binnen het justitie-apparaat zorgde. Voorjaar 1985, kort nadat Laumen de ABP-affaire had overgenomen van officier van justitie mr. J. van Opstal, die met zijn gezondheid sukkelde, belandde er een dossier op het bureau van de toenmalige minister van justitie Korthals Altes. Daarin werd verwezen naar geruchten over een betrokkenheid van Laumen in het mogelijk frauduleus faillissement van de Heerlense drukkerij Mercurius.

Begin 1975 ging de drukkerij failliet, die Laumen in 1966 van zijn vader overnam als directeur-eigenaar. Volgens een onderzoek van de rijksrecherche bleek dat er van fraude geen sprake was. Maar de morele implicaties van het faillissement zouden de officier altijd blijven achtervolgen. Terwijl schuldeisers (zoals de papierhandel Proost en Brandt die nog bijna een half miljoen gulden tegoed had) en de 29 werknemers het nakijken hadden, zou Laumen zonder al te veel financiele kleerscheuren uit de teloorgang tevoorschijn zijn gekomen, zo was het verwijt dat van tijd tot tijd in het Maastrichtse opdook.

“Er zijn natuurlijk altijd een aantal tegenpartijen die me dat faillissement kwalijk blijven nemen. Dat is logisch”, zo heeft Laumen op de beschuldigingen gereageerd. Zelf heeft hij zich altijd gepresenteerd als de ambachtsman bij wie de liefde voor het vak het won van het zakeninstinct. Maar dat hij ooit iets van zijn faillissement in zijn nieuw gekozen loopbaan zou hebben verhuld, heeft de officier van justitie altijd ontkend. Laumen: “Ze hebben het altijd van mij geweten en me desondanks gesteund. Dat waardeer ik zeer. Ik ben geen gemakkelijke jongen voor ze geweest.”