Latijns Amerika blijft zorgenkind

LIMA, 8 APRIL. Dat de Japanse stad Nagoya als plaats voor de jaarvergadering van de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank (BID) is uitgekozen, is meer dan symboliek alleen. Voor de Latijns-Amerikaanse lidstaten van de bank is het Japanse economische voorbeeld nastrevenswaardig.

Maar op de korte termijn is Japan vooral aantrekkelijk door de ruime mogelijkheden die 's lands schatkist voor de hulpbehoevende Latijns-Amerikaanse economieen biedt. Daarnaast kunnen Japanse bedrijven ter plekke kennismaken met de vertegenwoordigers van landen die de eventuele vestigingen van Toyota, Fuji, Canon en Mitsubishi met open armen zullen ontvangen.

BID-president Enrique Iglesias zei het gisteren tijdens zijn openingstoespraak van de driedaagse jaarvergadering zo: “Latijns Amerika wil zich op dynamische wijze voegen in de wereldeconomie, door middel van meer handel, een groter gebruik van technologie en meer buitenlandse investeringen. Met de deelname van publieke en private sectoren in Latijns Amerika en de Aziatische landen.” De BID-topman sprak van “een frisse wind” die door Latijns Amerika waait. Het is een ontwikkeling die - in het kielzog van de democratie - vrije handel, afbraak van tariefmuren en ruim baan voor de markt met zich meebrengt.

Als vertegenwoordiger van een land waar die wind nog maar zeer recentelijk waait, is de Peruaanse president Alberto Fuji Mori aanwezig in het land van zijn voorouders. Het Peruaanse staatshoofd heeft een direct belang: de oprichting van een steungroep van landen die een overbruggingskrediet van 800 miljoen dollar bijeen moet brengen om ervoor te zorgen dat de wind in Peru niet weer gaat liggen.

De BID gaf vorig jaar bijna 3,9 miljard dollar aan leningen uit, een recordbedrag. Een kwart van dat bedrag kwam in Mexico terecht: 958 miljoen dollar. Daarna volgde Venezuela met 746 miljoen dollar en het economisch redelijk welvarende Colombia met 444 miljoen dollar. De BID noemt Mexico, Chili en Venezuela de economisch meest succesvolle landen van Latijns Amerika. Zij hebben relatief lage inflatiepercentages (zo'n 30 procent op jaarbasis) en een behoorlijke economische groei. De drie landen hebben bovendien de grenzen opengesteld voor import en een aantrekkelijk investeringsklimaat geschapen.

Opvallende afwezigen als begunstigden van BID-leningen waren vorig jaar Peru, Nicaragua, Panama en Suriname. De eerste twee landen hadden in 1990 te maken met een hyperinflatie die in de duizenden procenten liep. Nog steeds is het de regeringen in Lima en Managua niet gelukt om economisch orde op zaken te stellen. Reden temeer, zo zeggen deze landen, om op grote schaal hulp te verlenen.

Andere Latijns-Amerikaanse landen, met name Brazilie en Argentinie, ooit toonaangevende economieen in de wereld, kampen met een enorme recessie. De daling van het regionale bruto produkt in 1990 in Latijns Amerika met 0,8 procent is dan ook grotendeels op het conto te schrijven van deze twee landen, alsmede Peru en Nicaragua.

Zorgwekkend blijft de schuldenpositie van Latijns Amerika. In 1990 liepen de achterstallige rentebetalingen op met 10 miljard dollar op tot 27 miljard, oftewel zo'n 6 procent van de totale schuld. Omdat sommige landen hun schuldenlast konden verminderen, groeide de totale schuld met 3,5 miljard dollar. De totale schuld bedraagt voor heel Latijns Amerika en de Caraiben nu ruim 422 miljard dollar.

Toch klonk in de woorden van bankpresident Iglesias een zeker optimisme door over de economische toekomst van het continent. De BID-president noemde als lichtpunten in Latijns Amerika de vorming van de gemeenschappelijke markt van de Zuidelijke Punt (Brazilie, Argentinie, Uruguay en Paraguay), de versterking van de groep van Andeslanden en de gezamenlijke markten van Midden-Amerika en de Caraiben. Maar als belangrijkste ontwikkeling signaleerde hij de komende oprichting van de vrijhandelszone van Canada, de VS en Mexico.

Ook Chili maakt goede kans in deze groep van landen te worden opgenomen.

Het optimisme van de BID sluit echter niet aan bij de Latijns-Amerikaanse werkelijkheid zoals die door vele economen wordt geschetst. De gezaghebbende Economische Commissie voor Latijns Amerika en de Caraiben van de Verenigde Naties (CEPAL) noemde eind vorig jaar in een voorlopig jaarverslag “het herstel van de regio een moeilijk te vatten doel” omdat “de schuldenlast en de kapitaalvlucht nog steeds excessief zijn”.