In de schaduw van een tulp

De presentatie van Nederland op de Frankfurter Buchmesse 1993 is voorlopig geschrapt. Geen geld is het argument, geen interesse de echte reden. Zo extrovert als we ons op de kapitaalmarkt bewegen, zo introvert is onze houding op de cultuurmarkt.

Terwijl de handelsbalans in evenwicht wordt gehouden door een niet aflatende drang om te exporteren, ontbreekt deze drijfveer in de culturele betrekkingen. Daar bekommert men zich niet om de balans: hoe meer hoe beter van over de grens, maar zelf eens de waterlinies over, nee laat ons maar, we knutteren wat voort over zenderindeling en denken dat er een beeldenstorm door het land raast.

Waarom slaagt een land dat zijn handelswaar efficient weet uit te venten er niet in zijn cultuurgoed met enig animo te verbreiden? In een beschouwing getiteld 'Alles is in beginsel overal (maar de Mosselman is nergens meer)' (Boekmancahier 6, december 1990) gaat Abram de Swaan in op het onderscheid in economisch en cultureel gewicht van Nederland: “Binnen het mondiale economische stelsel neemt Nederland als handelsland een strategische plaats in, maar die postie wordt in de wereldpolitiek niet geevenaard, daarin is Nederland een tweederangsmogendheid. En ook in cultureel opzicht is de Nederlandse positie secundair. Die discrepantie tussen economische positie, politieke macht en culturele betekenis maakt de Nederlanders ongemakkelijk als het over de plaats van hun land in de wereld gaat”.

In de termen van De Swaan kan men dus zeggen dat het samengaan van een nadruk op economische export en culturele import het lot is van een land met een centrale economische plaats en een betrekkelijk perifere culturele positie. De Nederlandse gulden is nu eenmaal harder dan het Nederlandse boek. De strijd tussen een universele ruilwaarde en een - vooral door taalbarrieres - lokale gebruikswaarde is natuurlijk ongelijk. Maar het kan ook zijn dat we de hindernissen in de economie met veel meer wilskracht te lijf zijn gegaan terwijl we ons te gemakkelijk bij de belemmeringen in de cultuuroverdracht hebben neergelegd.

Indien we ervan uitgaan dat er ook in Nederland soms culturele waarden van internationaal belang tot stand worden gebracht, dan is de eigenlijke vraag: waarom ontbreekt de wil om aan de culturele marge te ontsnappen? De Swaan suggereert dat het denken over de Nederlandse plaats in de wereld “een onderwerp (is) dat liefst vermeden wordt en als het toch ter sprake komt maken ze zich graag klein, kleiner nog dan ze al zijn, liever dan de kans te lopen een figuur te slaan. Dat gebrek aan besef van eigenwaarde hangt samen met de relatief marginale positie ...”.

Nee, we hokken in de marge door een diepe tevredenheid met onszelf die eerder trekken heeft van zelfoverschatting. Nederland is toch eigenlijk de enige verlichte natie in Europa. We zijn een gidsland omdat we niet lijden aan de ziekte die nationalisme heet, zoals al onze buurlanden wel aan dergelijke achterlijke illusies overgeleverd zijn. We zijn in cultureel opzicht over het geheel genomen kosmopoliet, hebben geen bezwaar om onszelf als een 'deel-staat' in Europa te zien, tenminste dat denken we van onszelf. Dit beeld is een mengeling van zelfbedrog en eigenheid.

Het is zelfbedrog, omdat we onszelf - evenzeer als de landen die we zo verfoeien - ten voorbeeld stellen aan anderen. We dromen om met een formulering van J.L. Heldring uit 1965 te spreken van een 'Europa als een groter Holland', net zo als de Fransen dromen van een Europa als een groter Frankrijk, enzovoorts. Ons zelfbedrog is subtieler dan in andere landen, omdat het zich aandient als een verwerping van nationaal bewustzijn. We slaan onszelf op de nationale borst omdat we denken er geen te hebben. We staan inderdaad open voor iedereen en alles, behalve voor het inzicht dat deze deugd allereerst uit een nood voortkomt. De nood namelijk van een klein, kwetsbaar land dat alle belang heeft bij een vreedzame wereld waarin gedeelde economische belangen en culturele inzichten de toon aangeven.

De landen die minder Europees zijn, hebben zich eigenlijk beter op Europa voorbereid, omdat ze weten wat ze te verliezen hebben, terwijl wij geloven dat we de voorafschaduwing van het toekomstige Europa zijn en dus niets te verliezen hebben. Wat zijn we klein en lief, en ook nog visionair!

Het eigene van Nederland is dat we het inderdaad wel behoorlijk goed met onszelf getroffen hebben. Want onze redelijk onbevangen instelling is een zeldzaam verschijnsel in Europa. Die nadruk op assimilatie heeft zo zijn prijs. We zuigen van alles op, maar spugen te zelden weer wat uit. Onze rol in Europa is momenteel meer die van een doorgangsweg dan een kruispunt. Paul Schnabel schrijft terecht een commentaar op De Swaan onder de kop: 'Alles is in beginsel hier, maar wij zijn nergens' (Boekmancahier 7, maart 1991). Zijn verklaring biedt echter weinig uitzicht op verbetering. We staan wel open voor de Engelse en in mindere mate Franse en Duitse cultuur, “maar het vermogen ontbreekt om op een aanvaardbaar niveau zelf te participeren in elk van deze cultuurgebieden”, aldus Schnabel. De middelaarsrol tussen de naties en culturen die Huizinga voor Nederland zag weggelegd is vast te hoog gegrepen, maar om nu meteen in de eigen schulp te kruipen, zonder met iets meer systematiek een poging te wagen over de grenzen, getuigt teveel van (geveinsde?) bescheidenheid.

Het heersende zelfbeeld werkt niet een bewuste deelname aan de internationele culturele betrekkingen in de hand, maar gaat er juist tegenin. Vandaar het negatieve saldo op de cultuurbalans. Terwijl onze economie drijft op het besef van kwetsbaarheid, waant Nederland zich in cultureel opzicht onkwetsbaar. En als men zich daar al van bewust is dan zoekt men het in protectionisme (zie bijvoorbeeld de media) en niet in ondernemingszin. Dit culturele tekort is allerminst geboren uit kleinheid, nee, het is meestal de wrange vrucht van zelfoverschatting. Wij hoeven niet met onszelf te leuren, want de wereld beweegt zich in onze richting; nationale culturen worden steeds meer opgelost, dus waarom zouden we ons in hemelsnaam druk maken? Die morele eigendunk gaat zoals gebruikelijk in onze geschiedenis hand in hand met afzijdigheid.

In de schaduw van een tulp is het aangenaam dromen. Achter het wijdse gebaar van de cultuurimporteur gaat echter een beperkte kijk op de wereld schuil. Wie zijn eigen grenzen niet kent zal er ook nooit echt overheen kunnen kijken. Want ondanks alle internationalisering zijn de nationale culturele loyaliteiten elders nog steeds heel taai. Een land dat denkt geen internationaal cultuurbeleid nodig te hebben, cijfert zich niet weg, maar zucht onder een vette zelfgenoegzaamheid.