Het uitzicht op een wereld die verkwikkelijker is dan de onze

LONDEN, 8 april- De Royal Shakespeare Company geeft weer voorstellingen in het Barbican Theatre in de City van Londen. Vier maanden lang zijn de twee zalen gesloten geweest omdat de RSC zich financieel alleen nog voorstellingen in Stratford kon veroorloven. En als er niets verandert, zegt de directie, gaan wij dit jaar opnieuw een tijd lang dicht in Londen.

Nu is er is een mooi sponsorschap verkregen van een verzekeringmaatschappij, de Royal Insurance, maar dat levert niet genoeg op om de ontoereikende subsidie mee aan te vullen. Een nationale blamage, wordt het nu en dan genoemd, maar er is altijd zoveel anders te doen in de stad dat de sluiting van de Barbican niet voortdurend opviel.

Het leven is in de grote zaal teruggekeerd op de eerste dag van het voorjaar in de vorm van Love's Labour's Lost, dat tot juli in het repertoire afgewisseld wordt met twee andere komedies van Shakespeare, Much Ado About Nothing en The Comedy of Errors. De tekst van dit stuk staat bekend als onmogelijk te begrijpen omdat het zoveel woordgrapjes en verzwijgingen bevat naar Londense kringen van 1593. De grote lijn van het verhaal laat zich echter makkelijk volgen, beginnend bij het plan van de jonge koning van Navarra en enkele vrienden om zich drie jaar aan de studie te wijden zonder verstrooiing met meisjes.

Uiteraard zijn er verwikkelingen wanneer de Prinses van Frankrijk op bezoek komt met haar leuke dames.

Het stuk is lange tijd overgeslagen, maar in onze eeuw werkt de handeling, die zich in het park des konings afspeelt, inspirerend op ontwerpers. In de Barbican worden beide ogen van de toeschouwers onafgebroken beziggehouden door de variaties van het licht op het grasveld en de bomen in het ontwerp van Timothy O'Brien. Hovelingen en dorpelingen bewegen zich erin alsof zij in de buitenlucht bevinden.

Wie alle woorden wil ophelderen, moet misschien ook drie jaar studie overwegen, maar het uitzicht op een wereld die zoveel verkwikkelijker is dan de onze, geeft al veel voldoening.

In de Pit, het kleine vierkante theater onder de Barbican, wordt een van de voornaamste nieuwe toevoegingen aan het Londense toneelprogramma opgevoerd, Two Shakespearean Actors van de Amerikaan Richard Nelson. Dit stuk is een vrije bewerking van een Newyorkse toneelgeschiedenis van 1849, toen de Engelse acteur Macready Shakespeare kwam spelen en van het toneel werd gejaagd door bewonderaars van zijn Amerikaanse rivaal Edwin Forrest. Rivaal is het juiste woord: zij zagen elkaars prestaties met ongenoegen, maar Nelson brengt hen toch bijeen in gespannen beleefde dialogen. De laatste dialoog ontspint zich terwijl een vernielzuchtige menigte de straat onveilig maakt (New York bleef werkelijk een week lang oproerig toen).

Engeland staat tegenover Amerika, de literaire stijl tegenover de natuurlijke, de ene acteursambitie tegenover de andere. Dan voegt de Ierse toneelschrijver Dion Boucicault zich bij het gezelschap. Ook hij is uitsluitend vervuld van zichzelf.

Geen van de drie hoofdrollen krijgt de toeschouwer op zijn hand, maar zij zijn alle drie begrijpelijk en boeiend. Nelson heeft al tien toneelstukken op zijn naam, waarvan ik er jaren geleden zonder genoegen een gezien had; maar dit is er een om een eind voor om te rijden, of een dag langer voor in Londen te blijven. John Carlisle uit de hoogte, en Anton Lesser van opzij, laten in de hoofdrollen niet alleen zien, maar ook voelen hoe vakgenoten elkaar op hun plaats zetten.

Van de verdere nieuwe aanwinsten in Londen moet er in de eerste plaats een vermeld worden die vier maanden geleden al even langs geweest is en nu terugkeert voor een langere periode: Dancing at Lughnasa (uit te spreken Loe-nasa) van Brian Friel, door het Abbey Theatre van Dublin, in het Phoenix Theatre. De centrale figuur van dit stuk is een verteller die het leven beschrijft in een kleine boerenhuisje in Donegal in 1936, waar hij als zevenjarig jongetje woonde met zijn ongehuwde moeder en haar vier zusters. Zij leidden een arm en onvoldaan leven, soms opgefleurd door muziek uit een kwakkelende radio waar zij op dansten als zij in een dolle bui waren; nu is het allemaal herinnering, het kan nooit meer veranderen en het komt niet terug.

De verteller zegt: “In that memory, atmosphere is more real than incident and everything is simultaneously actual and illusory.” Nu mijn eigen herinnering aan de voorstelling vier maanden oud is begrijp ik hem nog beter dan eerst. Wie de kans krijgt, moet zich deze Friel niet laten ontgaan; hij wordt in andere talen weinig gespeeld, geloof ik. Als Friel naar meer smaakt kan Londen in de behoefte voorzien.

Christopher Hampton heeft een stuk geschreven in net zo'n soort vorm, White Chameleon, met zijn jeugdherinneringen uit Egypte als materiaal.

Hij werd twintig jaar geleden, nog nauwelijks volwassen, al beroemd met The Philanthropist en heeft sindsdien minder meesterwerken geschreven dan gehoopt werd. Toch zal hij, als maker van de toneelbewerking van Les Liaisons Dangereuses, makkelijk rond kunnen komen. Zijn Egyptische herinneringen voeren ons terug naar de jaren vijftig; de vader van de verteller werkt voor een Engels bedrijf in Alexandrie. Zijn grote vriend is de huisknecht Ibrahim, nooit teruggezien nadat de familie het land verlaten heeft wegens Suez. Als er een radio stond in het stuk zou daar in plaats van muziek, het nieuws uit komen over de politiek waar de jonge Chris mee geconfronteerd wordt. Het Alexandrijnse licht is in dit geval koeler dan het Ierse en werkt minder op het gemoed.

Bij het Cottesloe Theatre staat White Chameleon op het programma samen met een stuk in een nieuwe trant van Alan Ayckbourn, Invisible Friends: voor kinderen, voor wie hij eerder heeft geschreven, en tegelijk voor hun ouders. Het gaat over een meisje dat met een denkbeeldig vriendinnetje praat om zich te troosten voor de saaiheid van haar ouders en broer. Zij krijgt gedaan dat haar familie in lucht opgaat en in het huis vervangen wordt door het zichtbaar geworden vriendinnetje met haar ook zichtbare broer en vader, die eerst allerliefst zijn maar al gauw tegenvallen. Ayckbourn geeft een wijze les, zonder zoetig te worden; zijn werk behoudt een vrolijke, wrange smaak. Ouders en kinderen die ernaar keken waren even benieuwd wat hij ervan terecht zou brengen en moesten toegeven dat het niet gek was.

Ayckbourn zelf heeft er plezier in en gaat ermee door. Nelson, Friel, Hampton en misschien Ayckbourn: wie daar niet tevreden mee is kan het programma aanvullen met een paar moderne reprises.

Pinters The Homecoming wordt in het Comedy Theatre gespeeld in een sterke bezetting met Warren Mitchell als de ruwe vader en een van de mooiste meisjes van Londen, Cherie Lunghi, als de schoondochter die wel in de prostitutie wil. Joe Ortons What the Butler Saw wordt opgevoerd in Wyndham's Theatre en beweegt zich vlug en kluchtig voort, tot voldoening van toeschouwers die het best vinden dat de satire van Orton er eer in stelt om kant noch wal te raken, als het maar onze vermeende preutsheid kwetst.

Het is jammer dat een van de voornaamste voorstellingen van het begin van dit jaar, The Winter Wife, maar twee weken in Londen beleefd heeft, niet omdat de belangstelling toen uitgeput was maar omdat het theater iets anders had. Het stuk is het debuut als toneelschrijfster van Claire Tomalin, en gaat over Katherine Mansfield van wie zij vier jaar geleden een biografie gepubliceerd heeft. Ik heb het gelezen en kan er mij een voorstelling van voorstellen waar in een serieuze wereld de theaters elkaar om zouden bevechten. In de werkelijkheid die wij bewonen moeten wij maar hopen dat het er ooit weer eens van komt.