De man die niet meer in de rij wou staan (1)

Maar dan ook in geen enkele rij! “Het gaat zelfs zo ver”, zei ik tegen Oko, “dat als er ook maar een persoontje voor een loket of toonbank staat, ik het verdom om daar achter te gaan staan.” “Dus een persoon is al een rij?”

“Ja, dat is een eenpersoonsrij.”

“Maar als er nu helemaal niemand staat, ga je dan wel een glaasje kwas kopen of een kaartje voor de bios?”

“Ja, wat dacht je, dan wel.” “Maar als jij daar dan in je eentje staat, dan ben jij toch een eenpersoonsrij, dus dan sta je toch in de rij.”

“Als ik in mijn eentje in een rij sta, dan sta ik vooraan in de rij. Wat kan het mij schelen hoeveel er achter me gaan staan? Ik wil nooit meer in de rij, niet voor mezelf, niet voor mijn tante, niet voor jou.”

“Dan zal je verhongeren, want in Moskou...” “Dan ga ik weg uit Moskou...”

“Dan moet je zevenmaal in de rij: pasfoto, pas aanvragen, pas halen, visum aanvragen, visum halen, treinkaartje, plaatsreservering, dat betekent een maand in de rij staan.”

We stonden te blauwbekken bij het Weststation. Oko houdt daar kantoor. Oko handelt in alles. Oko heeft mensen die voor hem in de rij staan.

Oko keek me aan en plaatste zijn wijsvinger tussen mijn neus en bovenlip.

“Kan die snor er ook af?” “Desnoods loop ik naar Parijs.”

“Wil je niet naar Amsterdam?” “Natuurlijk. Wie niet?”

“Weet je wat dat kost?” “Als ik er maar niet voor in de rij hoef.”

“Weet je wat ik hier sta te doen? Ik wacht hier op Pjotr Karlikovitsj Malenkov. Die lul had hier een half uur geleden met 500 dollar moeten komen. Dan had ik hem met alle papieren op de trein gezet. Scheer die snor af, dan lijk je op zijn pasfoto. De trein gaat over een kwartier.”

Voor een halve roebel kocht ik het scheermes van een zwerver. Bij zwervers hoef je nooit in de rij te staan. Ik leerde de geboortedatum, en de namen van ouders en grootouders van Peter Malenkov uit mijn hoofd. Al mijn kleren had ik aan. Oko kreeg mijn drie stukke gloeilampen. De trein denderde door Rusland op het deuntje nooit-meer-in-de-rij-nooit- meer-in-de-rij. In Polen sliep ik. In Duitsland keek ik uit het raam en zag dikke boeren met dikke koeien.

Mijn maag begon te loeien. Ik werd somber: was deze trein niet een lange rij naar het Westen?

Een Poolse vetzak ging in Berlijn het perron op om broodjes te kopen. Maar bij zijn bagage had ik een plastic tas vol eten gezien! Die pikte ik toen maar. De broodjes Poolse worst smaakten me minstens zo goed als de Duitse broodjes de Pool. In Moskou had ik nooit gestolen.

Hoogstens een gloeilamp verwisseld. Van wie had ik moeten gappen? In Amsterdam ging ik ook niet stelen, want ik had een toeristenvisum voor drie maanden en moest zorgen dat de politie me niet zag. Ik moest een grietje gaan zoeken, dat was zo klaar als een klontje.

Onder een stralende zon betrad ik het magnifieke stationsplein van de rijke wereldstad. Een Moor bood aan mijn schoenen te poetsen. Had ik een gulden bezeten, ik had hem laten poetsen.

Nergens een rij. Op een reclamebord stond in Russische letters Best, een sigarettemerk dat West heette.

Daar was een cafe dat vol zat met het juiste type vrouwen. Ik nam een stoel tussen twee kandidates, en stak een sigaret op. “No Smoking hier” zei het meisje links. Juist. Dat was dus het grietje dat mijn drankje zou betalen en me de eerste week zou voeden.

(wordt vervolgd)