De Koerden en de VN

ZONDER VEEL OPHEF heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties afgelopen vrijdag opnieuw een Rubicon overschreden. In zijn resolutie 688 met betrekking tot de exodus van de Koerden en sji'ieten uit Irak heeft de Raad vastgesteld dat de massale vlucht naar en over Iraaks grenzen heen een gevaar betekent voor de vrede en de internationale veiligheid in de regio.

Daarmee opende de Raad de mogelijkheid voor de volkerenorganisatie zich actief en ongevraagd te bemoeien met het vraagstuk, ook voorzover het zich binnen de grenzen van Irak afspeelt. Dat de betrokken resolutie niet veel verder gaat dan een oproep aan de regering van Irak de politieke en mensenrechten te respecteren en internationale en nationale hulpverlening aan de vervolgden te bevorderen doet niet af aan de verstrekkende betekenis van de uitspraak.

Wat vorige week ingevolge artikel 2 van het Handvest nog een volkenrechtelijke onmogelijkheid leek - bemoeienis eigener beweging van de Verenigde Naties met (de gevolgen van) een burgeroorlog - is sinds de aanvaarding van resolutie 688 te verwezenlijken, zij het dat het aannemelijk moet zijn dat die gevolgen een bedreiging vormen voor de voornaamste bestaansreden van de Verenigde Naties, het handhaven van de vrede en de internationale veiligheid.

De sociale, financiele en politieke druk die de vluchtelingenstromen op Turkije en Iran uitoefenen, hebben het voor de Raad kennelijk aannemelijk gemaakt dat hier een opdracht ligt. In dit verband zijn de onthoudingen van China en India interessant: beide landen hebben, evenals Irak, een virulent minderhedenprobleem (respectievelijk Tibetanen en sikhs) en bleken daarom huiverig te zijn de Raad in zijn besluit te steunen, maar zij wensten geen tegenstem uit te brengen - in het Chinese geval zou dat een vernietigend veto hebben betekend.

DE RAAD IS met zijn jongste uitspraak waarschijnlijk niet tegemoet gekomen aan de Franse oproep, bij monde van minister Dumas, een evolutie mogelijk te maken van het internationale recht door het recht van internationale inmenging in interne aangelegenheden van een staat daarin op te nemen. Overigens beschikken de Verenigde Naties over het recht van interventie voorzover zij ingevolge de artikelen 39 tot en met 51 actie ondernemen tegen bedreigingen van en inbreuken op de vrede, alsmede daden van agressie. Het bewuste artikel 2, dat inmenging verbiedt, noemt uitdrukkelijk die uitzondering. Maar in resolutie 688 zegt de Raad niet meer dan dat hij zich van de beperkingen van artikel 2 bewust is zonder expliciet naar de uitzondering te verwijzen.

Kennelijk heeft de Veiligheidsraad zich ingespannen om het leggen van een verband tussen de interventie ten behoeve van Koeweits onafhankelijkheid en de daarna in Irak uitgebroken burgeroorlog zoveel mogelijk uit de weg te gaan. Door de zaken onafhankelijk van elkaar te beoordelen blijft de Amerikaanse interventiemacht uit de wind. Een eventuele 'vrede handhavende' internationale macht zou ten behoeve van vooral de Koerden denkbaar zijn en ook in Irak moeten kunnen opereren - als we de berichten daarover mogen geloven. Maar de 'vrede afdwingende' macht, de Amerikanen dus, kan wat de Raad betreft naar huis zodra Irak bereid blijkt de eerder vorige week in verband met Bagdads agressie tegen Koeweit opgelegde verplichtingen na te komen.

VAN EEN herziening van het Handvest in Franse zin zal voor afzienbare tijd nog geen sprake zijn. Valkuilen maken de weg daarheen verraderlijk. Maar via 'jurisprudentie' lijken de mogelijkheden van de VN sinds vrijdag flink verruimd.