Wonderknollen

Een paar maanden geleden deed iemand mij twee exotische knollen cadeau, Jatropha berlanderii genaamd; ze waren peervormig, met wat opgedroogde uitgroeisels aan de dunne kant van de peer.

Was het tuiniersinstinct dat mij deed wachten tot het voorjaar alvorens ze te planten? Of was het mijn twijfel of die uitgroeisels opgedroogde wortels waren of opgedroogde stengels? Aan de handgeschreven etiketten was een gedrukt kaartje geniet dat, toen ik ze van elkaar scheidde, bij een andere soort jatropha bleek te behoren. Er stond een foto bij, waarop de knop duidelijk half in de grond kon worden gezien, met het dunne eind naar boven. Oude stengels dus; voor de hand liggend als je het eenmaal wist. Toen kwam het moment dat ze geplant werden in een kweekkasje waarvan het deksel onmiddellijk besloeg, zodat de wonderknollen aan het oog werden onttrokken.

Een hele tijd gebeurde er niets. In het kweekkasje was het vochtig en warm, dat was dus in orde. Toen, tijdens een routine-inspectie, zag ik groen: kleine stengeltjes kwamen te voorschijn, niet tussen de verdroogde uitgroeisels, maar uit de grond, naast de knollen. Ze hadden zich onderlangs omhooggewerkt, terwijl de 'verdroogde stengels'

hulpeloos bovenop zaten, zo droog als toen ze geplant werden en nu, in het verblindende licht van de openbaring, er uitziend als uit de aarde stekende voeten; ik kon ze bijna zien trappelen.

Misschien zou het interessant zijn, en getuigen van wetenschappelijke ondernemingslust, om de zaken zo te laten en te zien of de wortels op hun beurt een duik naar beneden zouden nemen, maar dat ging mijn zelfbeheersing te boven. Nu staan ze dus met hun voeten naar beneden (hoewel ik me nog steeds afvraag hoe dat nu zit met die foto) en het is adembenemend om de stengels horizontaal uit de bovenkant te zien komen en vervolgens scherp hemelwaarts te zien draaien, alsof ze onderworpen waren geweest aan een of ander experiment met de zwaartekracht.

Niet alle planten zijn zo knap als de jatropha. Sommige zijn zelfs uitgesproken achterlijk. Neem de clematis 'Mrs Cholmondely'

bijvoorbeeld. Ik heb haar al eens eerder beschreven: haar carriere in mijn tuin is geen gelukkige geweest, maar dat had ik altijd geweten aan uitwendige factoren, waaronder vooral mijn eigen gebrek aan zorg en ervaring. Maar sinds mij de gedachte inviel dat ze het zelf doet, zie ik haar met andere ogen.

Er is na al haar ongelukken weinig van haar over, maar dat weinige groeit nu snel: weelderige jonge scheuten schieten uit in alle richtingen. Maar als ik even niet oplet komen haar zelfmoordneigingen weer naar boven en met de verbetenheid van een lemming stort ze zich in het verderf. Een van de nieuwe scheuten heeft een andere te pakken in een moordende omhelzing, zoals een cobra die een konijn wurgt; het resultaat is een lelijke knoop waarin elke scheut worstelt om de heerschappij, waarbij ze, als er niet van hogerhand was ingegrepen, allebei het loodje zouden hebben gelegd. Een andere scheut, met dezelfde blindheid geslagen, stortte zich met onstuitbare energie en vitaliteit op een gat in de muur. Een doodlopend gat, helaas, maar Mrs Cholmondely vond het zonder mankeren.

Mrs Cholmondely is een grootbloemige hybride, maar hoog in het bloed: als zij een renpaard was dan zou ze het soort paard zijn dat steigert bij het geluid van een kuchje achter de heg en op hol slaat bij de aanblik van een zakdoek. In mensengedaante zie ik haar weer anders, meer als een Victoriaanse dame, altijd in lichte rouw, kwijnend op een divan en zich aan een stuk door beklagend.

Als Walter Fish clematissen geleidde, gingen ze precies waar hij ze heen wilde hebben. Als ik het doe, wachten ze tot ik me heb omgedraaid en dan veren ze terug naar hun vorige positie, mij achter mijn rug uitlachend.

Beuken nemen, zoals iedereen weet die er een heeft, niet alleen al het beschikbare water weg, maar ook de meeste voedingsstoffen. Om dat te compenseren hebben wij, sinds we de tuin verwierven, alle denkbare bodemverrijkingen uitgestort. Vorig jaar groeide er zelfs geen onkruid, geen gunstig teken in een verwaarloosde tuin; niets vergeleken bij de netels en bramen die we moesten verwijderen uit de tuin van het huis dat mijn ouders destijds in het westen van Ierland kochten (waarvan de vorige eigenaar, opmerkelijk genoeg, vroeger de tuinrubriek van de Irish Times had verzorgd; ik zie hem nog die bramen uit elkaar duwen om ons trots te laten zien welke juwelen er onder groeiden). Of het met die bodemverbetering samenhangt weet ik niet, maar we zijn plotseling in het bezit van wel vijftig beukenzaailingen, genoeg om een bonsai beukenbos mee te maken, of zelfs een echt beukenbos, als je lang genoeg wacht. Waar je maar kijkt komen ze op, kordate plantjes met eigenaardige vierkante bladeren.Het vreemde is dat de meeste beukenootjes van de monsterachtige oogst van vorig jaar loos waren. Je vraagt je af wat het succespercentage van de zaailingen zou zijn als ze ongemoeid werden gelaten; vroeger in elk geval niet hoog, aangezien we in de tuin wel zaailingen van vlier en esdoorn aantroffen maar geen enkele uitgezaaide beuk.

Ik heb zelfs een ontkiemde kastanje gevonden, eigenlijk een uitzonderlijker succespercentage dan van de beuk want er zaten vorige herfst maar een stuk of tien kastanjes aan de bomen. Hij staat nu in een pot. Zorgvuldig met dezelfde kant naar boven als waarmee hij werd aangetroffen.

Hoeveel wortels van een boom of heester kunnen worden verwijderd voor er onherstelbare schade door wordt aangericht? Toen ik vorige week een gat groef voor mijn nieuw verworven Choisya ternata stuitte ik op een spaghetti-knoedel van wortels, voornamelijk toebehorend aan de oude boerenjasmijn, die ik nu scherp controleer op tekenen van wankelmoedigheid. Ik kwam daarbij ook tot het inzicht dat zich onderin mijn bewustzijn een pre-wetenschappelijk denkmechanisme bevindt, herinnerend aan de negentiende-eeuwse frenologen die geloofden dat ieder plekje op de schedel overeenkwam met een departement in het brein: ik zag duidelijk hoe iedere wortel in verbinding stond met een bepaalde tak. Beschadig die wortel en de overeenkomstige tak verdort.

Ik blijk een nieuwe vorm van lezen te hebben ontwikkeld, niet woordblindheid maar passageblindheid. Al twee keer heeft me dat parten gespeeld in de afgelopen week: eerst met een paar lelies, die ik in een pot had gezet; volgens het boek moesten ze in het donker blijven tot de eerste scheuten boven de grond kwamen. Die scheuten hadden zich naar behoren aangediend. Wat nu? Terug naar het boek; toen pas zag ik dat ik ze daarna in een koude kas moest zetten. Nu hebben we helemaal geen koude kas. Waar was die passage toen ik de eerste keer in het boek keek? Had ik daar ongeduldig overheen gelezen, met iets van: O, dat zien we wel als het zo ver is? Dacht ik dat er tegen die tijd vanzelf een koude kas uit de grond zou rijzen als de stengels van de jatropha?

De tweede keer betrof het een klein soort narcissen (Narcissus bulbocodium), die tot dusver alleen maar bladeren hebben voortgebracht. Er is een dappere ziel die aan iets bezig is dat een bloemknop zou kunnen zijn, maar dat is alles. Te veel bemesting? Niet genoeg bemesting? De catalogus er bijgehaald, en daar trof ik de gedenkwaardige (en wat ongrammaticale) waarschuwing: '...bollen die zeer rijk bloeien, vooral in het tweede en opvolgende jaren.'