Wat betekende mijn nachtelijke ontmoeting met ...

Wat betekende mijn nachtelijke ontmoeting met Couperus in die nacht in 1891? Terugkijkend is het niet moeilijk om te zien: ik heb altijd behoefte aan een gids gehad.

Niet aan iemand die mij daadwerkelijk zou leiden, niet aan een grote geestelijke leider, maar meer aan mensen die me op beslissende momenten een duwtje in de rug zouden geven; vriendelijke, hulpvaardige gidsen, zoals je zo nu en dan op reis tegenkomt. Iemand die je goed advies geeft, een handige tip, iemand die je op ideeen brengt.

Grote voorbeelden, kleine voorbeelden, boeken, mijn buren, kranteberichten, radiostemmen en televisiebeelden, het maakt niet uit, tot op de dag van vandaag heb ik mezelf gespiegeld aan mijn omgeving.

Met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee verliefden of verstoten minnaars zich herkennen in de tekst van een onbenullig liedje, zo maak ik me moeiteloos de woorden en ervaringen van anderen eigen. Wat zovelen in het hogere vonden, heb ik altijd gezocht bij andere mensen: een excuus. Oorspronkelijke gedachten heb ik nooit gehad. Ik heb geen ziel om bloot te leggen. Vandaar dat deze memoires vooral over ontmoetingen met anderen gaan.

Maar dat is allemaal kennis achteraf. Alleen door wat ik nu weet, begrijp ik wat er vroeger is gebeurd. Wat toen helemaal niet duidelijk was, lijkt nu, zittend achter mijn bureau in het voorjaar van het jaar 1991, zo vanzelfsprekend dat het nauwelijks meer hoeft te worden uitgelegd. Zo was het Couperus' angst om zichzelf tot schrijver te verklaren tegenover Zola, die me eenzelfde aarzeling bij mezelf onder ogen deed zien. Zo simpel ligt dat nu, maar zo simpel lag het toen niet.

Het een leidt naar het ander, niets blijkt op zichzelf te staan. De herinnering aan die ene ontmoeting in Den Haag maakte een stroom andere herinneringen los. Vergeten gezichten, flarden van gesprekken, gefluister in de nacht; het verleden drong zich tijdens het schrijven plotseling van alle kanten aan me op. Het maakte me bang. Hoe moest ik al die losse fragmenten samenbrengen in een verhaal, zodat ik daarin een eigen gezicht zou kunnen herkennen?

Ook dit keer was het iemand anders die me de sleutel gaf. Vannacht las ik de volgende uitspraak van A.J.P. Taylor, de recalcitrante Britse historicus die vorig jaar overleed: “De kennis van het verleden leert ons niet het heden beter te begrijpen. Het is andersom. Door ons inzicht in bepaalde verschijnselen van het heden zijn we beter in staat gebeurtenissen van vroeger te doorgronden.”

Die regels riepen direct een ander beeld op: afgelopen woensdag zag ik op het BBC-nieuws de berichten over de gruwelijke exodus van de Koerden uit Noord-Irak. Tussen de beelden van lange colonnes haveloze vluchtelingen verscheen plotseling een jonge Koerdische vrouw. Ze was mooi en sjiek gekleed en nam deel aan een demonstratie in Londen.

Terwijl de haar omringende demonstranten zwegen, schreeuwde zij woedend van wanhoop naar de camera. Waarom doet niemand iets? riep ze.

Waarom laten jullie dit gebeuren? Haar roep om hulp werd gevolgd door beelden van VN-functionarissen en George Bush die zorgelijk keken en hun schouders ophaalden, en van de Turkse ambassadeur die de verantwoordelijkheid voor een eventuele volkerenmoord alvast bij de westerse mogendheden legde.

Wat zo schokkend was aan het beeld van de schreeuwende vrouw, was dat ze haar wanhoopskreet direct aan mij leek te richten, terwijl ik haar helemaal niet kende, terwijl ik haar zeker nooit zou ontmoeten. Dat veroorzaakte een groot gevoel van machteloosheid, maar ook van schaamte. Tijdens de Golfoorlog was de westerse alliantie de partij geweest waarmee ik me associeerde en ook ik had onwillekeurig gedeeld in de euforie die de snelle afloop van de oorlog teweeg had gebracht.

Maar nu dezelfde alliantie zijn schouders ophaalde voor de onvoorstelbare gruwelijke situatie van de Iraakse Koerden, drong het tot me door dat mijn betrokkenheid vanaf het begin een schijnbetrokkenheid moest zijn geweest, een misvatting, anders niet.

De vraag werd aan mij gericht, maar ik had geen antwoord; waarom deed ik niets, waarom liet ik dit gebeuren? Ik kon helemaal niets doen. Het enige wat ik kon doen was mijn schuldgevoel afkopen.

Ik had altijd gedacht dat dat gevoel van vervreemding enkel en alleen aan de televisie te wijten was. Het is wat we tegenwoordig als het effect beschouwen: je bent erbij en je bent er niet bij. Maar het citaat van Taylor bracht me aan het twijfelen, het heden gaf me een nieuw inzicht in het verleden. Dat gevoel van onmacht, was dat er niet altijd geweest? Vaak genoeg had ik me bij zaken die groter waren dan ikzelf betrokken gevoeld. En het had geleken alsof ik actief deelnam aan het wereldgebeuren: doordat ik de krant las en over politiek discussieerde en een mening of een oordeel formuleerde en soms omdat ik een glimp opving van wat later geschiedenis zou worden. Door mijn betrokkenheid had ik verondersteld dat ook ik een rol speelde, dat mijn stem telde in deze eeuw. Was dat zo?

Het citaat van Taylor vond ik in zijn boek How Wars Begin. Het was dan ook niet meer dan vanzelfsprekend dat zijn woorden en de gedachten die ze bij me opriepen, mij in mijn herinnering deden teruggaan naar de zomer van 1914.