Toeval 2

Op de radio beluisterde ik een programma van een mevrouw met een goede muziekkeuze en ook een goede onderwerpkeuze, namelijk 'bestaat toeval'.

Die twee woorden hebben een dubbelzinnige betekenis, zo bleek al ras toen de luisteraars begonnen op te bellen. De ene helft stelde: nee, toeval bestaat niet, want alles schijnt gepredestineerd te zijn (dat zeiden ze niet zo, maar ze bedoelden het wel) en de andere helft meende dat toeval wel degelijk bestond, want alles was immers gepredestineerd.

Eenzelfde antwoord derhalve als op de vraag of dit kopje half vol dan wel half leeg is, met dien verstande dat geen van de opbellers de mening was toegedaan dat toeval echt toevallig was en dus nergens mee te maken had, behalve dan misschien met de wet op de grote getallen.

Zo schijnt de kans redelijk groot te zijn dat we kinderen in een klas aantreffen met dezelfde verjaardag, net als de kans dat u net onder een spoorbrug doorrijdt waarover een trein rijdt. Allemaal weer veel kleiner dan de kans dat de conducteur van die trein de bomen van de overwegen gesloten ziet. Ook heb ik me door een statistisch onderlegd directeur van een omroep (nee, niet Rob Out) laten vertellen dat de kans dat ik (en u dus ook) eenmaal in mijn leven een molecuul inadem - en weer uitadem - die Julius Caesar ingeademd heeft, tachtig procent is (Het toeval wil dat ik op de Idus van maart jarig ben).

Maar waar het allemaal in dat radioprogramma om ging is dat het 'leuk' is om in het toeval te geloven in de zin van een 'teken aan de wand'.

Een mevrouw belde op dat ze een hondje met een hersentumor had laten afmaken, 's avonds om 10 uur, en dat ze daarna hoorde dat er een zusje van datzelfde hondje ook op die dag was afgemaakt, ook met een soort hersentumor ('spin in zijn hoofd') maar dan om 10 uur 's ochtends. Ja, beaamde de mevrouw van het programma, daar word je toch koud van!

Koud, denk ik dan. Hoezo koud? Als je twee hondjes uit hetzelfde nest hebt, is de kans dat ze dezelfde ziektes krijgen redelijk groot. En dat ze ongeveer op dezelfde leeftijd sterven ook. Dan waren er de schilderijtjes en portretten die van de muur vielen, de foto's die uit foto-albums vielen, de klokken die stil gingen staan of juist weer lopen, you name it.

Het is net als met de complottheorie: het is zoveel aardiger. En in alle complottheorieen komt vroeg of laat de vraag voor: dat kan toch geen toeval zijn? Maar vervelend genoeg is het antwoord meestal ja.

Doodgewoon, vervelend, platvloers toeval, hetzelfde toeval waar dames in cafes eindeloos over kunnen praten: en wat denk je, ik kom de hoek om, rijdt de tram zo voor mijn neus weg! Ja, hoe bestaat het niet.

Voor het ongeluk geboren zeker. Dat heb ik nou altijd. Gek he? Hoe is het mogelijk, Ans.

Of ze denken aan iemand en wat denk je? Ja hoor, ik loop zo tegen d'r op. Is dat niet eigenaardig? Rie, ik werd er koud van.

Nou ik denk de hele week aan iedereen, maar op straat tegenkomen? Ho maar - terwijl ik toch in een redelijk centrale buurt woon. En als ik iemand tegen het lijf loop, heb ik niet aan hem of haar gedacht.

Anderzijds heb ik toch kennelijk het 'tweede gezicht', want ik kan blind tegen iemand met buitenlandse trekken en een kaartje in de hand zeggen: Municipal museum is the second one on the right. Gek he?

Natuurlijk is het best aardig om toevalligheden te verzamelen - maar hecht er geen bovennatuurlijke waarde aan. Nico Scheepmaker zaliger had een enorme lijst en wellicht mogen we die nog eens ergens lezen.

Een van mijn favorieten, uit de eerste hand(en), is de volgende: Elly van Stekelenburg, de actrice, ging wel eens 's avonds naar het station van Breukelen om haar man, de acteur Hans Culeman, af te halen, die de trein nam na de voorstelling. In afwachting van de trein liep ze wat heen en weer toen ze een telefoon hoorde gaan, in een cel op het perron. Ze waarschuwde de chef, maar deze zei dat het niet voor hem kon zijn. ''Ik heb mijn eigen telefoon, daar binnen,'' zei hij, naar het stationsgebouwtje wijzend. De telefoon rinkelde door en Elly stapte er op af. ''Hallo?'' zei ze met die gebroken stem die haar eigen was.

''Hallo Elly'', zei een vrouwenstem aan de andere kant, ''met Rita. Nog even over die eetafspraak. Kunnen jullie donderdag?''

''Ja, dat is goed'', zei Elly, ''donderdag. Maar hoe weet je dat ik hier ben?''

''Waar ben?'' ''Hier op het perron.''

''Maar je bent toch thuis?'' ''Nee, ik sta op het perron van het station van Breukelen.''

Het bleek dat de opbelster zich vergist had in het nummer. En nu beweren al die mensen die 'er koud van worden' dus dat er een oppermacht, een Heer in de Hemelen, of een Beschermengel is - u mag het zeggen zonder oneerbiedig te zijn - en die heeft gedacht: jongens, laat alsjeblieft dat etentje op donderdag doorgaan. Dat moet. En daarom heeft datzelfde opperwezen of diezelfde engel de opbelster een verkeerd maar juist goed nummer laten draaien.

Prachtig hoor. Je wordt er koud van.

PS. Dit stukje is gisteren geschreven en vandaag dacht ik: ik heb dat allemaal al geschreven. Opgezocht en ja hoor, op 1 december 1990 stond er ook een Waarin in de krant met de kop toeval. Dat kan toch geen toeval zijn?