Tegenstrijdige conclusies over de noodzaak van een Europees veiligheidsbeleid; EG evalueert optreden in de Golfcrisis

ROTTERDAM, 6 april - Het was in de dagen van de laatste diplomatieke initiatieven in de Golfcrisis. De meeste ministers van buitenlandse zaken van de twaalf landen van de Europese Gemeenschap steunden een Frans voorstel voor een Midden-Oosten-conferentie na terugtrekking van Irak uit Koeweit. Maar met name minister Van den Broek verzette zich en een ontstemde Franse minister Dumas sneerde dat als de in aanbouw zijnde Europese Politieke Unie al zou functioneren, de minderheid nu zou worden overstemd. Maar zover is het nog niet, antwoordde Van den Broek. De Britse minister Hurd vulde aan: “En daarom willen we ook niet dat het ooit zover zal komen.”

De discussie over de vraag hoever de EG met een veiligheidsbeleid dan wel zal komen - een vraag zo oud als de EG zelf - is de afgelopen weken in een stroomversnelling geraakt. Het is ook de achtergrond van de extra zitting van van de Europese Raad die de regeringsleiders en de ministers van buitenlandse zaken maandagavond rond etenstijd houden in Luxemburg om “lering te trekken uit de Golfcrisis”.

De Golfcrisis heeft, in de woorden van de initiatiefnemer van de bijeenkomst, Dumas, “verhelderend gewerkt en de beperkingen van de Gemeenschap blootgelegd.” Tijdens de invasie van Koeweit op 2 augustus was de EG met vakantie en, kort samengevat, dat bleef drie weken zo. De schepen die de Westeuropese Unie, waarin negen van de twaalf EG-landen op veiligheidsterrein samenwerken, uiteindelijk naar de Golf stuurde stonden onder nationaal commando. Alleen Groot-Brittannie, Frankrijk en relatief gezien Nederland leverden substantiele bijdragen leverden aan de geallieerde strijdmacht - en zonder zichtbare consultatie van de EG-partners. De afspraak om over punten van buitenlands beleid die algemeen belang hadden vooraf overleg te plegen, gold blijkbaar niet in crisisituaties. Standpunten die wel gezamenlijk werden ingenomen waren moeizaam bereikte compromissen. En ze weerhielden de partners er niet van gewoon hun eigen gang te blijven gaan, zoals met het sturen van delegaties om gijzelaars vrij te pleiten.

Ook over de conclusie die uit de maanden van misverstanden moeten worden getrokken, verschillen de meningen. Er zijn mensen, zoals de Britse oud-premier Thatcher, die hun oordeel bevestigd zien dat de EG zodra het er echt op aankomt hopeloos verdeeld is. De organisatie kan zich volgens hen maar beter beperken tot het scheppen van een interne markt.

Anderen trekken daarentegen de conclusie dat het de EG aan de noodzakelijke instituten en bevoegdheden ontbreekt om een effectief buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren. Daarom moeten die er komen. Immers, op de beperkte terreinen waar Brussel werkelijke bevoegdheden heeft, is de integratie een succes en het beleid effectief.

Voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie, het uitvoerend bestuur van de EG, heeft gewaarschuwd voor “politieke marginalisering” als de ontwikkeling van een buitenlands- en veiligheidsbeleid geen gelijke tred houdt met de grote stappen die Europa heeft gemaakt bij de economische integratie. Ook de twaalf regeringen zijn het erover eens dat er iets moet gebeuren. Maar wat?

Frankrijk en Duitsland hebben voorgesteld dat de regeringsleiders en de ministers van buitenlandse zaken in hun halfjaarlijkse vergaderingen als Europese Raad in grote lijnen een buitenlands- en veiligheidsbeleid uitstippelen. De secretaris-generaal van de WEU, de Nederlandse oud-minister W.F. van Eekelen, heeft daaraan toegevoegd dat de WEU zich kan verplichten die richtlijnen uit te voeren. Zo zou een gecombineerde WEU-EG zich ontwikkelen tot een Europese 'pijler'

van de NAVO. Deze week opperde Van Eekelen zelfs dat een multinationaal WEU-leger moet kunnen ingrijpen bij crises in Oost-Europa, bijvoorbeeld als de verschillende minderheden “elkaar min of meer beginnen uit te moorden”. De Westeuropese landen zouden beter kunnen ingrijpen dan de NAVO, omdat de betrokkenheid van Amerikaanse militairen de Sovjet-Unie te veel zou provoceren.

Minister Van den Broek verzet zich fel tegen dit soort plannen. De veiligheid mag niet op het spel worden gezet voor een streven naar Europese eenheid. En omdat veiligheid het best wordt gegarandeerd door samenwerking met de Amerikanen binnen de NAVO, moet dat zo blijven. De minister heeft erop gewezen dat voor de Europese defensie belangrijke landen als Noorwegen en Turkije geen lid zijn van WEU of EG, maar wel van de NAVO. Daarnaast gebruikt Van den Broek nog het argument dat intergouvernementeel overleg in de Europese Raad over veiligheid, de communautaire besluitvorming - met meerderheidsbeslissingen - zou kunnen schaden.

De Verenigde Staten volgen de discussie met interesse. Zij zijn voor een grotere Europese inspanning, maar alleen samen met hen binnen de NAVO. De plaatsvervangend permanent vertegenwoordiger van de VS bij de NAVO, J.C. Kornblum, noemde Van den Broek deze week dan ook “super, really very good”. “We willen geen situatie waarin Europa tegen ons zegt: wij treden zonder jullie op maar zodra de Sovjet-Unie betrokken raakt willen we graag dat jullie ook komen”, zo liet hij weten op een bijeenkomst van de Atlantische Commissie, een forum voor de bespreking van veiligheidsvraagstukken.

De argumenten van de Nederlandse minister hebben veel aandacht gekregen - al is het alleen maar omdat hij zich ermee binnen de EG lijkt te hebben geisoleerd. De Britten en Portugezen delen weliswaar zijn gehechtheid aan Washington, maar begrijpen niet helemaal waarover Nederland zich zo druk maakt. Want wie op een gegeven moment vreest dat een bepaald besluit van de intergouvernementele Europese Raad de Atlantische samenwerking zou schaden, kan dat besluit nog altijd tegenhouden. Meerderheidsbeslissingen over veiligheid zijn voorlopig toch ondenkbaar, redeneren zij. Informeel overleg van de ministers van buitenlandse zaken twee weken geleden bracht de standpunten niet dichter bijelkaar. Van den Broek zou zelfs “met de rug tegen de muur hebben gestaan”.

Voor de informele diner-top van maandagavond staat voorlopig alleen evaluatie van het optreden in de Golf en een voorstel voor hulp aan het Midden-Oosten op het programma, maar dit is de oogverblindende achtergrond waartegen de Europese leiders in het Luxemburgse kasteeltje zitten.