Serie Jonge mensen van nu 'hulde aan de jeugd'

Jonge mensen van nu, Zondag, Ned. 1, 17.00-17.30u.

De camera is gericht op een jonge vrouw van 28 jaar, doof, vrijwel blind en niet in staat om te lopen. Bonny, zoals ze heet, zit sinds een ernstige ziekte in een rolstoel, het hoofd een beetje weggezakt.

Een commentaarstem beschrijft de emoties van de programmamaker toen hij haar voor het eerst ontmoette: “Ik zag wel tegen de kennismaking op. Hoe moet je omgaan met iemand als jij, een zwaar gehandicapte?”

Uiteindelijk hield hij aan Bonny “meer een gevoel van kennismaking over” dan aan veel “mensen met wie je moeiteloos kunt praten”.

“Jouw leven en strijd deden bij mij iets gloeien.” Terwijl de commentaarstem zo teemt, blijft de camera gericht op een roerloze Bonny.

Het is een wat wee begin dat Jonge mensen van nu inleidt, een serie documentaires die paradoxaal genoeg gewone jongeren voor de camera's wil halen. Volgens programmamaker Hans Koekoek komen jonge mensen tegenwoordig alleen nog op tv “als tuig”: drugsverslaafden, criminelen en alcoholici. Met zijn serie wil hij laten zien dat de meeste jongeren “net zo normaal zijn als jij en ik”. Ze vinden het leven aangenaam, hun werk is leuk en ze zijn bereid te knokken om iets te bereiken. In die zin is Bonny even alledaags als balletdanseres Maartje, arts-in-opleiding Annelies, brandweerman Marc en ziekenverzorger Ron (respectievelijk de afleveringen 2, 3, 4 en 5).

Of een dergelijke “hulde aan de jeugd” (Koekoek) een goede basis is voor een serie valt nog te bezien. Het is waarschijnlijk niet voor niets dat de programmamaker enige moeite had een omroep te interesseren voor documentaires over gewone mensen. Die kennen we toch wel? Als daar dan ook nog een al te betrokken, soms bijna huilerig commentaar bijkomt, blijft er weinig spannends over.

Ondanks deze bezwaren is de aflevering van morgenavond de moeite van het bekijken zeker waard. Maar niet doordat Bonny eruit naar voren komt als een gewoon meisje. Eerder omdat ze zo bijzonder is. Haar bijna onmogelijke leven in het verpleegtehuis belet haar niet elke dag opnieuw te proberen het hoofd boven water te houden. Ze gaat naar buiten, naar parken en markten waarvan ze bijna niets ziet en helemaal niets hoort. Alleen door haar verlamde linker ooglid zo nu en dan omhoog te drukken krijgt ze een impressie van de drukte. Ze schrijft (praten valt haar moeilijk): “Geluk is een groot begrip.

Tevredenheid, enthousiasme en blijdschap ken ik wel.” Ontroerend ook zijn de kleine onthullingen: haar verliefdheid op de uitzendkracht, haar afkeer van opzichtige make up (“Daar leent mijn gezicht zich niet voor”) en haar vergeefse praten tegen de glazenwasser buiten, die ze alleen als een vage, naar haar zwaaiende schim kan zien. De discrepantie tussen het enigszins scheefgetrokken gezicht, het onwillige lichaam en het gevoelsleven van iemand als Bonny is groot. En elk tv-programma dat weet aan te tonen dat zulke mensen een vaak onwaardige behandeling krijgen (in het verpleeghuis is douchen vaak “te veel werk” en in haar kamertje van drie bij drie kan Bonny haar rolstoel nauwelijks keren) is het waard gemaakt te zijn.