Rentree van de familie Soekarno; De kinderen van de grote Bung zijn eenvoudig gebleven

'Willen jullie dat ik meedoe aan jullie strijd?'' Uit duizenden kelen: ''Mau!'' - Dat willen we! ''Is het waar dat er nog miljoenen in armoede leven?'' Als een golf rolt het naar het podium: ''Betul!'' - Dat is waar! ''Heeft gerechtigheid al de overhand?'' ''Belum!'' - Nog niet!

Het is zondag, 3 maart. In het stadion Pematang Siantar, Noord-Sumatra, viert de Democratische Partij van Indonesie (PDI) haar achttiende verjaardag met een massa-meeting. De spreker die het publiek deze ondubbelzinnige antwoorden ontlokt is een nog jonge man van 38. Zijn thema: de kloof tussen arm en rijk. ''Dertig miljoen van de honderdtachtig miljoen Indonesiers leven beneden de armoedegrens.

Deze realiteit staat in schril contrast met de overdadige luxe waarin bepaalde lieden in Jakarta leven. En het zijn uitgerekend de armen, of zij nu in Jakarta met een fietstaxi rijden of op Bali een rijstveld bewerken, die hun werk en land verliezen.''

Een week later spreekt dezelfde jongeman zevenhonderd PDI-leden toe in het Wayang-theater is Solo, Centraal-Java. Zijn gehoor is gehuld in felrode jasjes met het partij-embleem, de kop van een wilde buffel, op de linker borstzak. Deze keer spreekt hij in het Javaans: ''Geloof me, ik zal samen met de jonge buffels strijden voor het welzijn van de wong cilik - de kleine mensen.'' Hij haalt herinneringen op aan zijn jeugd: ''Mijn vader nam me vroeger mee naar dit gebouw om naar een wayang-voorstelling te kijken. Mijn vader, vrienden, was jullie eerste president.''

De jongeman is Guruh Soekarnoputra, zoals zijn naam al zegt 'zoon van Soekarno', de grondlegger van Indonesie's onafhankelijkheid. In februari besloot hij toe te treden tot de PDI, de kleinste partij van Indonesie, maar tegelijkertijd de politieke erfgenaam van de PNI, de partij van zijn vader.

Tot voor kort verkoos Guruh de kunst boven de politiek. In 1968 - hij was net vijftien jaar - vormde hij de band Flower Poetman en schreef hij zijn eerste song: Sepasang Merpati (twee tortelduifjes). Aan het begin van de jaren zeventig studeerde hij archeologie aan de Universiteit van Amsterdam, maar eenmaal terug in Indonesie maakte hij vooral naam als tekstschrijver en choreograaf. Veel Indonesiers kennen hem van het zang-, dans- en toneelgezelschap Swara Mahardhika (oud-Maleis voor Stem van de Onafhankelijkheid) waarmee hij in 1980 het spektakelstuk Untukmu Indonesiaku (voor jou, mijn Indesie) op de planken bracht. De groep is vooral onder jongeren populair wegens haar kritische geluid. In januari werd Guruh door de Franse regering benoemd tot Chevalier de l'ordre des arts et lettres.

SOEKARNO-CLAN

Muhammad Guruh Irianto Soekarnoputra werd in 1952 geboren als jongste zoon van Soekarno en zijn tweede vrouw, Fatmawati, 'de moeder des vaderlands'. Het was Fatmawati die eigenhandig de rood-witte vlag naaide die op 17 augustus 1945 werd gehesen voor het huis in Jakarta waar Soekarno en Mohammad Hatta die dag de onafhankelijkheid van Indonesie proclameerden. Hoewel Soekarno, toen hij eenmaal president was, nog driemaal trouwde - wat hem als islamiet was toegestaan - behield Fatmawati de status van First Lady. Uit protest tegen Soekarno's huwelijk met Hartini, verliet ze in 1955 het paleis, maar ze liet zich niet van hem scheiden. Haar vijf kinderen nam ze mee.

Deze vijf vormden met hun moeder de 'Soekarno-clan', die zich na het gedwongen aftreden van hun vader in 1968 en diens dood in 1970 voornam het ideeengoed van Bung Karno (Bung=broeder, kameraad) in leven te houden. De 'clan' bestaat sinds het overlijden van moeder Fatmawati uit de oudste zoon, Guntur, de dochter Rachmawati, Megawati, Sukmawati en Guruh, de jongste.

Toen Soekarno's 'geleide democratie' na de mislukte kolonelscoup van 1965 werd vervangen door Soeharto's Nieuwe Orde was de naam van de eerste president lange tijd taboe. In 1971 werd Soekarno's oudste zoon, Guntur, door de Partai Nasional Indonesia (PNI), de partij die zijn vader in 1927 had helpen oprichten, gevraagd op te treden tijdens de verkiezingscampagne. Hij stemde daarmee in, maar de staatsveiligheidsdienst stak er een stokje voor.

Dochter Rachmawati is oprichtster en directrice van de Soekarno Onderwijs Stichting en nam aan het begin van de jaren tachtig het initiatief tot de Bung Karno Universiteit. Het gebouw was beschikbaar, het docentenkorps eveneens en het lesrooster was gereed, maar de regering gaf geen toestemming. Belangrijkste obstakel: de naam Bung Karno. Hoewel president Soeharto in 1986 een einde maakte aan het taboe rond Soekarno door hem op te nemen in de galerij van nationale helden, is de toestemming tot op heden niet afgekomen.

Onder de Nieuwe Orde is het partijwezen in Indonesie drastisch gesaneerd. De communistische partij (PKI) werd al in 1966 verboden.

Naar schatting een half miljoen (vermeende) leden kwam om tijdens een bloedige heksenjacht in de jaren 1965-1966. De resterende negen partijen werden in 1973 gedwongen te fuseren. Zo ontstonden de Eenheidspartij voor Ontwikkeling (PPP), een combinatie van vier islamitische partijen, en de PDI, een fusie van Soekarno's PNI en een aantal christelijke groeperingen. De politieke actieradius van PPP en PDI werd echter beperkt.

Politieke partijen mogen alleen tijdens de vijfjaarlijkse verkiezingen activiteiten ontplooien onder regentschapsniveau, dat wil zeggen: de districtshoofdplaatsen en alle dessa's blijven verboden terrein. De door het leger in het zadel geholpen corporatistische beweging Golkar staat formeel niet te boek als politieke partij, maar haar worden geen beperkingen opgelegd. Daarmee verwierf Golkar in een groot deel van Indonesie een politiek monopolie.

BOVEN DE PARTIJEN

Aan de vooravond van de parlementsverkiezingen van 1977 werden alle kinderen van Soekarno door de PDI benaderd met het verzoek mee te doen aan de campagne. Guntur uitte echter kritiek op de PDI, die niet zou beschikken over een 'aantrekkelijke massalijn'. Moeder Fatmawati, destijds het hoofd van de Soekarno-clan, vond het maar beter dat de Soekarno's boven de partijen bleven staan. Rachmawati, de strenge hoedster van haar vaders 'leer', vertelt dat de familie in 1982 tot overeenstemming kwam: de Soekarno's zouden zich niet inlaten met bestaande politieke partijen. Wat Rachmawati betreft stuit politieke activiteit vooral op ideologische problemen. De partij die nog het meest in aanmerking zou komen voor politieke steun, de PDI, ''is in feite geen PNI en heeft de gedachten en lessen van Bung Karno niet in haar programma opgenomen'', aldus Rachmawati Soekarnoputri.

'Rachma' pleegt het 'soekarnistische' ideeengoed samen te vatten onder drie trefwoorden: 1. anti-imperialisme; 2. de zogenaamde NASAKOM-gedachte, samenwerking tussen wat Soekarno beschouwde als de hoofdstromen van de Indonesische revolutie: nationalisme, socialisme en religie; en 3. het marhaenisme, de emancipatie van de 'kleine man'.

Al in de koloniale tijd vond Soekarno het begrip 'proletariaat' niet van toepassing op het agrarische Indonesie. Volgens zijn autobiografie raakte hij eens, in de buurt van Bandung, in gesprek met een boer die een rijstveld bewerkte. Hij vroeg de man wie de eigenaar was van de sawah, van de hak en andere gereedschappen en wie de oogst kreeg.

''Ikzelf'', zei de boer. ''Verkoop je je arbeidskracht?'' vroeg Soekarno. ''Nooit'', zei de man. ''Maar broeder, toch leef je in armoede!'' zou Soekarno hebben uitgeroepen. Vervolgens vroeg hij de boer naar zijn naam. ''Marhaen'', antwoordde hij. Sindsdien verving Soekarno het marxistische 'emancipatie van het proletariaat' door 'marhaenisme'.

De familie heeft zich tot 1987 aan de afspraak gehouden zich niet met partijpolitiek in te laten. Toen besloot dochter Megawati campagne te voeren voor de PDI. Zij sprak voor druk bezochte vergaderingen, opgeluisterd met vele portretten van Soekarno. Haar optreden zette de PDI op aanzienlijke winst (van 24 naar 38 zetels) en leverde Megawati zelf een plaats op in de Kamer van Volksafgevaardigden, het Indonesische parlement. Het aantal parlementszetels van het PDI-district Jakarta werd verdubbeld: van twee tot vier.

SOCIALE SPANNINGEN

De beslissing van de populaire Guruh om het voorbeeld van zijn zuster te volgen, valt op een belangrijk moment. Er zijn aanwijzingen dat een invloedrijke stroming binnen de ABRI, het machtige Indonesische leger, het politieke monopolie van de Golkar wil doorbreken en van mening is dat de pupil van de jaren zeventig maar op eigen benen moet staan.

ABRI-woordvoerders zeggen met nadruk dat de militairen zich bij de verkiezingen van volgend jaar neutraal zullen opstellen.

Men lijkt in legerkringen te beseffen dat de snelle economische ontwikkeling onder de Nieuwe Orde aan grote groepen is voorbijgegaan en dat dit sociale spanningen oproept. Als die spanningen niet een democratische uitweg vinden, kunnen ze leiden tot een sociale explosie, zo wordt geredeneerd. De inmiddels bereikte stabiliteit in het land zou wel een politieke opening verdragen.

In de ABRI is men echter bevreesd dat het terrein dat Golkar als gevolg van wegvallende steun van het leger zal moeten prijsgeven, zal worden ingenomen door de islamitische PPP. De communistenvrees heeft binnen de strijdkrachten plaatsgemaakt voor fundamentalistenangst, of die nu gefundeerd is of niet. Voorzover men kan spreken van een consensus binnen de ABRI, dan gaat het om een rol als stabiliserende kracht binnen een multi-etnische en multi-religieuze samenleving.

Er zijn tekenen die erop wijzen dat de ABRI een opmars van de PPP hoopt te stoppen door de PDI een steuntje in de rug te geven. Steeds meer gepensioneerde officieren - vanouds de groep die uitvoering geeft aan de maatschappelijke 'dubbelrol' van het leger - worden lid van de PDI. In januari werd een PDI-congres op Bali toegesproken door minister van defensie, generaal b.d. Benny Moerdani, die bekend staat als voorstander van een politieke opening. Hij liet daar zijn gedachten gaan over de bijverschijnselen van economische ontwikkeling, zoals de bredere sociale kloof en de toenemende vraag naar democratie.

Terwijl Guntur in 1971 werd teruggefloten door de militairen, verklaarde minister van binnenlandse zaken (generaal b.d.) Rudini onlangs: ''Niemand verbiedt de kinderen van Bung (!) Karno campagne te voeren. Daar is niets tegen''.

GELDHONGER

Waarin ligt de aantrekkingskracht van de jonge Soekarno's en wat is hun doelgroep? Het appeal van Bungs kinderen is een combinatie van politieke feeling - ze leggen trefzeker de vinger op de negatieve bijverschijnselen van Soeharto's economische wonder - en een eenvoudige levensstijl. Die steekt in de ogen van veel Indonesiers gunstig af bij de geldhonger en het luxe vertoon van de nieuwe middenklassen, de politieke elite niet uitgezonderd. Zo verklaarde Guruh onlangs dat ''geen enkel lid van de Soekarno-familie ooit betrokken zal raken bij een conglomeraat'' - de in Indonesie gangbare term voor een groot concern. ''Een dergelijke kapitalistische levenswijze past niet in ons nationalisme en in onze moraal.''

Het is mogelijk dat de naam Soekarno aanslaat bij de oudere kiezer, die terugverlangt naar de PNI van vroeger, maar zich inmiddels als overheidsdienaar of gepensioneerde ambtenaar gedwongen ziet op Golkar te stemmen. Dat is echter niet veel meer dan een politiek restverschijnsel. De markt voor de PDI ligt eerder bij de jonge stedelijke kiezer. Die bleek al in 1987 ontvankelijk voor de manier waarop 'Mega' de Soekarno-mythe deed herleven. Jongeren beneden de dertig zijn geboren en opgegroeid onder de Nieuwe Orde en kennen Soekarno alleen van naam. Maar die naam was lange tijd taboe en roept nog steeds conflicten op, wat hem alleen maar aantrekkelijker maakt.

Het Indonesische electoraat wordt steeds jonger. In 1987 was 30,5 procent van de kiezers tussen de 17 en 27 jaar oud, van wie de helft voor het eerst stemde. Volgens de volkstelling van september 1990 zullen deze jonge kiezers in 1992 liefst 44,9 procent uitmaken van de groep stemgerechtigden. Die cijfers laten zien dat de partijen het volgend jaar vooral van de jongeren zullen moeten hebben. De PDI, versterkt met Mega en Guruh zou het dan wel eens heel aardig kunnen doen.

De recente bekering van de Soekarno's tot de PDI - een hardnekkig gerucht wil dat Guntur zijn jongere zuster en broer spoedig zal volgen - werkt naar twee kanten. Zij stelt de nakomelingen van de grote Bung in staat de status te herwinnen die ze in de jaren zeventig moesten opgeven en zij biedt de PDI een goede kans kiezers te winnen.

Vooralsnog zal die winst zich alleen aftekenen in de stedelijke gebieden van westelijk Indonesie, waar het meeste werk is en waar het opleidingsniveau het hoogst is. Het Indonesie van de dorpen - en daar woont de meerderheid van de bevolking - blijft voorlopig stevig in de greep van Golkar.

    • Dirk Vlasblom