PRO-ISRAEL, MAAR SOEPEL EN MET MATE

Nederland en het Nabije Oosten. De Nederlandse rol in de internationale politiek ten aanzien van het Arabisch-Israelisch conflict 1973-1982 door Fred Grunfeld X + 360 blz., Kluwer 1991, f 79,50 ISBN 90 268 2136 0

Vrijdag 12 oktober 1973 belt Diederick van Lynden, directeur-generaal politieke zaken op het departement van Buitenlandse Zaken, vanuit Kopenhagen naar het Catshuis. Hij heeft zijn minister, Max van der Stoel, nodig, die in de wekelijkse kabinetsvergadering zit. Van Lynden is met zijn collega's van de negen landen van de Europese Politieke Samenwerking bijeen in het 'Comite politique'. Het thema is de zes dagen oude Jom Kippoer-oorlog. De diplomaat heeft de instructie meegekregen een veto uit te spreken over het opmerkelijke voorstel van Frankrijk en Engeland om in de Veiligheidsraad namens de Negen op te treden ten aanzien van deze oorlog, waarin op dat moment Egypte en Syrie bezig zijn Israel in het nauw te drijven. De Nederlandse regering wil Frankrijk en Engeland geen carte blanche geven omdat ze vreest dat zij wel eens voor Israel ongunstige resoluties zouden kunnen ondersteunen.

Van Lynden zit vast, want Nederland is bezig zich met dit veto vergaand te isoleren. Hij vraagt nieuwe instructies. Van der Stoel haalt premier Joop den Uyl erbij, die welhaast nog bezorgder is dan zijn minister over de sombere toestand waarin Israel zich bevindt. Van der Stoel en Den Uyl besluiten het veto te handhaven. Er komt als gevolg van Nederlands verzet evenmin een uitvoerige verklaring van de Negen, maar slechts een kort statement.

'De opstelling in Kopenhagen is typerend voor de houding van Nederland als het om het Israelisch-Arabische conflict gaat: altijd bezorgd over de positie van Israel,' zegt Fred Grunfeld, die gistermiddag aan de Rijksuniversiteit Limburg in Maastricht promoveerde op het thema van Nederland en het Midden- Oosten. De politicoloog Grunfeld is sinds 1985 verbonden aan de vakgroep Internationaal Recht van de RU Limburg; zijn specialisme is het Nederlandse buitenlands beleid. Voor zijn proefschrift heeft hij over de bovenstaande gebeurtenissen gesproken met zowel Van der Stoel als Den Uyl en Van Lynden - de laatste twee zijn inmiddels overleden - en met een reeks andere betrokkenen.

BOYCOT

Of de Nederlandse houding in Kopenhagen de doorslag heeft gegeven voor het speciaal tegen Nederland gerichte Arabische olie-embargo dat enkele dagen later informeel en op 20 oktober officieel werd afgekondigd, daarop kan Grunfeld geen antwoord geven. Wel noemt zowel Irak als Algerije, die tot deze boycot aanzetten, in verklaringen als een van de argumenten voor de boycot het feit dat 'Nederland zich had verzet tegen een objectief communique door EEG-landen' (Irak) en dat binnen de EG 'Nederland het eerste Europese initiatief ten aanzien van het Midden-Oosten in 1971 heeft getorpedeerd, dat herhaald op 13 oktober 1973 en daarbij bovendien het gevraagd Brits-Franse mandaat voor de Veiligheidsraad heeft geweigerd' (Algerije).

Het waren, zo blijkt uit het onderzoek van Grunfeld, de Italianen die het Nederlandse verzet lieten uitlekken. De Italiaanse directeur-generaal Ducci had tijdens het overleg in Kopenhagen zijn woede ook duidelijk laten blijken. De door Van Lynden gevreesde isolatie van Nederland in Europa trad in. Een beroep op de partners om te proberen met een gezamenlijk verklaring deze boycot van Nederland te doorbreken, mislukte. De Britten en de Fransen wezen er op 20 november op dat Nederland geen beroep op solidariteit inzake de energievoorziening kon doen omdat het op 13 oktober zelf niet solidair was geweest.

'Ook zonder dat veto had Nederland het al verbruid bij de Arabische landen,' aldus Grunfeld tijdens een gesprek op zijn universitaire werkkamer in een voormalig gouvernementsgebouw in het centrum van Maastricht. 'Van Arabische zijde werden meer argumenten genoemd.

Nederland had in een eerste regeringsverklaring na het begin van de oorlog, toen Israel veel terrein had verloren, een wapenstilstand met terugkeer naar de oude posities geeist. De minister van defensie (Henk Vredeling) had meegedaan aan een pro-Israel demonstratie, er werden particuliere geldinzamelingsacties gehouden en Nederland zou wapens aan Israel hebben geleverd.'

Het gangbare beeld van de Nederlandse Midden-Oosten-politiek na 1973 is dat Nederland onder druk van de olieboycot wel degelijk opschoof naar een minder pro-Israelisch en meer pro-Palestijns en -Arabisch standpunt, en zich daarmee meer conformeerde aan de opstelling van de Europese partners. Grunfeld maakt in zijn dissertatie evenwel duidelijk dat de uitgangspunten van het Nederlandse beleid opmerkelijk constant zijn gebleven. Wat wel veranderde, waren de methoden en strategieen om dat doel te verwezenlijken.

MUNITIE

Grunfeld: 'De Nederlandse doelstelling bleef het voortbestaan van Israel binnen veilige en erkende grenzen. Tijdens de Jom Kippoer-oorlog was men ook bereid Israel daadwerkelijk te steunen met landingsrechten voor de Amerikanen ten behoeve van wapenleveranties en met eigen munitie. Nederland moest echter tegelijkertijd voorkomen weer geisoleerd te raken en kwetsbaar te worden.' In deze voor Nederland uiterst belangrijke periode slaagden de achtereenvolgende ministers Van der Stoel, Van der Klaauw en opnieuw korte tijd Van der Stoel erin deze kwetsbaarheid van Nederland te verminderen zonder afstand te doen van de centrale doelstelling van een veilig Israel en zonder grote concessies aan de Arabische landen. Hoe succesvol Nederland is, blijkt ook uit het feit dat in de jaren na het olie-embargo tot 1982 de export naar de Arabische landen met 712 procent stijgt, tegenover een totale exportstijging van 265 procent.

De uitvoer naar Israel stijgt slechts 150 procent. Nederland maakte zich minder kwetsbaar voor kritiek van buiten door gebruik te gaan maken van wat Grunfeld noemt de 'beschermfunctie' van de Europese Politieke Samenwerking. Het buitenlands beleid werd niet meer afzonderlijk, maar in samenhang met de Europese partners geformuleerd. Grunfeld: 'Vanaf 1973 gaat de interne Nederlandse besluitvorming over buitenlands beleid niet langer vooraf aan besluitvorming in de internationale politiek als het om het Midden-Oosten gaat.' Uiteraard wordt op het departement wel een lijn uitgezet, maar deze wordt niet meer zo veel als vroeger voorafgaand aan het internationaal overleg bekend gemaakt.

De nieuwe strategie bleek toen op 6 november 1973 Nederland een EPS-verklaring onderschreef waarin Israel werd opgeroepen VN-resolutie 242 over ontruiming van de in 1967 bezette gebieden uit te voeren. Ook werd daarin gesproken van 'de legitieme rechten van de Palestijnen'.

'Nederland bleef de Israelische kant kiezen,' aldus Grunfeld, 'maar hanteerde een andere retoriek en isoleerde zich daarmee niet langer.'

Daags tevoren had de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Doug-las-Home, tegenover Van der Stoel trouwens gedreigd, zo onthult Grunfeld in zijn dissertatie, dat als Nederland niet zou meedoen, het buiten de voor Engeland bestemde oliestroom zou worden gehouden.

Doug-las-Home zou niet aarzelen daartoe een koninklijk besluit uit te vaardigen. 'The supply of crude oil to Britain has to be assured,'

herhaalde hij enkele malen veelbetekenend tegenover de Nederlandse minister.

SCHOORVOETEND

Nederland bleef desondanks Europese verklaringen afzwakken zodra die ertoe neigden Israel in steeds strengere bewoordingen op te roepen de bezette gebieden te verlaten. In de jaren 1974-'76 kreeg het daarbij geregeld steun van Denemarken en Duitsland en ook van het dan door Labour geregeerde Engeland. Wel ging ook Nederland schoorvoetend akkoord met een opwaardering van de Palestijnse kwestie.

In 1977 werd een EPS-verklaring aangenomen waarin een zinsnede staat over 'de behoefte aan een eigen land voor het Palestijnse volk'. De socialistisch gedomineerde regeringen in Engeland, Nederland en Duitsland hadden een dergelijke verklaring tot dan toe weten tegen te houden. Toen de rechtse Begin in Israel de macht had overgenomen van de socialisten, en de Amerikaanse president Carter over een Palestijns 'homeland' sprak, had men er weinig behoefte aan die houding vast te houden.

In het Camp David-proces in 1978 stond Europa evenwel buiten spel. De meningen in Europa waren dan ook verdeeld. Onder Duits voorzitterschap werd het resultaat van Camp David in 1978 aanvankelijk begroet, maar die opstelling werd onder Frans voorzitterschap weer teruggedraaid.

Grunfeld: 'Nederland kreeg slechts gedaan dat het akkoord een 'correcte toepassing' van Veiligheidsraadresolutie 242 uit 1967 werd genoemd.'

In 1980 probeerde Europa het initiatief te nemen. Niet alleen werd in een verklaring op een Europese top het zelfbeschikkingsrecht voor het Palestijnse volk erkend, maar tevens werd een EG-'vredesmissie'

aangekondigd die de aanloop voor dat initiatief moest vormen. Den Haag verzette zich echter tegen een verstoring van het Camp David-proces. In een rechtstreekse confrontatie met de Franse president Giscard d'Estaing kreeg minister Van der Klaauw gedaan dat er in het slotdocument van een 'eventueel initiatief' werd gesproken.

'Als je zegt er komt een initiatief dan moet het er komen en ben je bezig een blanco kaart weg te geven,' zei Van der Klaauw tegen Grunfeld. Weliswaar reisde de minister in het kader van de aangekondigde vredesmissie het hele Midden-Oosten af, maar mede door zijn remmende acties stierf het Europese initiatief een zachte dood.

ACTIEVE ROL

Wel resulteerde de toegenomen bemoeienis van Europa met het vredesproces in de deelname aan de Multilateral Force and Observers (MFO) die in 1982 naar de Sinai werd gezonden. Eindelijk was Nederland, dat een zeer actieve rol vervulde bij het tot stand brengen van een consensus hierover binnen de Negen, erin geslaagd de kern van zijn Midden-Oosten beleid (Israel in veilige en erkende grenzen, geen doorkruising Amerikaanse politiek) onder te brengen bij de EPS.

'Daarbij moest het,' beklemtoont Grunfeld, 'natuurlijk iets inleveren, maar de grote lijn van het Nederlandse beleid bleef intact.

De Arabische landen, met uitzondering van Egypte, waren teleurgesteld, maar Nederland was niet kwetsbaar meer en werd niet afzonderlijk aangepakt.'

De brede maatschappelijke consensus in Nederland inzake het Midden-Oosten-beleid is gedurende de hele periode steeds gebleven, zo benadrukt Grunfeld. De bevolking was het, zo bleek uit opiniepeilingen, grotendeels met de regering eens. Bij alle partijen, behalve bij PSP en CPN, ging de sympathie in de allereerste plaats naar Israel uit. Van der Stoel, inmiddels weer minister in het tweede kabinet-Van Agt, had dan ook geen moeite ook de steun van de oppositie voor de MFO te krijgen. Een telefoongesprek met VVD-fractieleider Wiegel werd het kortste dat hij ooit voerde. 'Je gaat je gang maar,'

zei Wiegel, en hij legde de hoorn op de haak.