NICOLAE CEAUSESCU; De kleine Conducator met het grote minderwaardigheidscomplex

Kiss The Hand You Cannot Bite. The Rise and Fall of the Ceausescus door Edward Behr 256 blz., geill., Hamish Hamilton 1990, f 33,70 ISBN 0 241 13078 6

'That frightful little man', noemde koningin Elizabeth de Roemeense leider Nicolae Ceausescu. Ze placht hem, toen hij Londen bezocht, in de tuin van Buckingham Palace gade te slaan, als hij daar werkbesprekingen hield met zijn medewerkers. Ceausescu voorop, de rest er volgzaam achteraan, als lelijke eendjes. Hij was bang binnenskamers te worden afgeluisterd - want zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Afluistermicrofoons in Buckingham Palace? Her Majesty is er nog heel verontwaardigd over geweest.

Eerder al had de Britse koningin op advies van de Franse president Giscard d'Estaing uit de logeervertrekken van de hoge Roemeense gast alles wat los zat, laten verwijderen of laten vastspijkeren. Want volgens Giscard plachten Ceausescu, zijn bepaald hebberige eega Elena en zijn gevolg tijdens staatsbezoeken alles wat niet spijkervast zat gewoon mee te nemen: asbakken en oude klokken verdwenen zonder omhaal in Roemeense koffers. Giscard had dat een keer meegemaakt, toen de Ceausescu's logeerden in Palais Marigny, tegenover het Elysee, en hij waarschuwde daarop steevast de collega-staatshoofden die de Roemeen over de vloer kregen. Giscard windt er geen doekjes om: ''Onder staatshoofden en regeringsleiders werd een bezoek van Ceausescu gezien als een niet te vermijden ramp.''

Deze anekdotes komen voor in de onlangs verschenen biografie van de Conducator, Kiss the Hand You Cannot Bite, van schrijver en journalist Edward Behr. Het is de eerste serieuze biografie van Ceausescu, want tot nu toe moesten we het stellen met Heinz Siegerts al in 1973 verschenen Ceausescu - Management fur ein modernes Rumanien - geen onverdienstelijk boek, maar al heel oud en indertijd al heel onvolledig - en met de hagiografieen die (mogelijk in opdracht en op kosten van de Roemenen zelf) zijn samengesteld door de Figaro-journalist Hamelet en Robert Maxwells Pergamon Press. Het boek van Hamelet heeft nog zeker vijftien jaar in indrukwekkende stapels in alle Roemeense boekwinkels gelegen, tot die stapels met de verzamelde toespraken van Ceausescu in de revolutieweek in december 1989 op alle straten en pleinen van Roemenie werden verbrand.

GESPREKSPARTNERS

Edward Behr, die zijn boek opdraagt aan de Poolse Haile Selassie-biograaf Ryszard Kapuscinski, heeft kosten noch moeite gespaard om zich te verdiepen in zijn onderwerp. De lijst van gesprekspartners is indrukwekkend en varieert van Giscard tot leden van Ceausescu's huispersoneel, familieleden, jeugdvrienden die in de jaren dertig met hem in de gevangenis hebben gezeten tot en met voormalige leden van het politburo in de diverse fasen van Ceausescu's regime, van zijn kok en zijn zus tot en met Ion Gheorghe Maurer en Gheorghe Apostol, rivalen van Ceausescu voor hij aan de macht kwam, en Emil Bobu, zijn rechterhand tot het eind toe, die door Behr in de gevangenis werd opgezocht.

Het resultaat overtuigt dan ook, en het is Behrs verdienste dat de persoonlijkheid van de megalomane en geesteszieke Conducator, een man die na zijn aantreden in de hoogste ambten van partij en staat langzaam het contact met de werkelijkheid verloor, gestalte krijgt. En dat gebeurt niet aan de hand van zijn eigen conclusies, maar aan de hand van wat zijn gesprekspartners erover vertellen. Bovendien plaatst Behr de opkomst van Ceausescu in de context van de historische gebeurtenissen: Ceausescu's jeugd in Scornicesti, zijn komst naar Boekarest, zijn vroege flirts met de sociaal-democraten en de Boerenpartij, zijn overgang naar de communisten, zijn gevangenistijd.

De jonge Ceausescu was een fysiek klein en zwak uitgevallen jongen met ernstige minderwaardigheidscomplexen en tegelijkertijd een grote geldingsdrang. Hij was een vechtersbaasje wiens driftbuien leidden tot een isolement dat hij alleen kon doorbreken door zich serviel aan te sluiten bij lieden die hoger stonden in de hierarchie van de illegale partij. In de gevangenis werd Ceausescu het door zijn omgeving geminachte persoonlijke knechtje van de man die hij de rest van diens leven zou blijven volgen: Gheorghe Gheorghiu-Dej.

In die jaren, de jaren dertig en veertig, leerde Ceausescu intrigeren, want de top van de minipartij, een slangenest, deed weinig anders.

Tegelijkertijd kreeg hij, het schoffie uit de provincie, in de gevangenis een gedegen ideologische opvoeding, compleet met alle frasen en slogans waar hij de rest van zijn leven onvoorwaardelijk in is blijven geloven. Zozeer zelfs dat later, in de jaren zeventig en tachtig, de werkelijkheid er niet meer toe deed. Napoleon III, zo schreef Marx, ''zag de wereldgeschiedenis niet als een komedie, maar zag zijn komedie aan voor wereldgeschiedenis''. Van Ceausescu zou hetzelfde kunnen worden gezegd, ware het niet dat zijn verhaal geen komedie was, maar een tragedie waar 23 miljoen mensen nog altijd de dupe van zijn.

ZWARTE SPROOKJES

Behr geeft in deze biografie een helder beeld van Ceausescu's opkomst en bestuur en karakter - inclusief zijn grootheidswaanzin, zijn boerenslimheid, zijn puritanisme, zijn fanatisme, zijn meedogenloosheid en zijn gebrek aan smaak - en beschrijft parallel aan dat portret de ontwikkeling van Roemenie. Hij weet de valkuilen van de talrijke rond Ceausescu gesponnen zwarte sprookjes aardig te ontzenuwen. Hij weet ook duidelijk te maken dat de veronderstelde almacht en alwetendheid van de Securitate berustte op bewust door de geheime dienst zelf verspreide desinformatie. Want machtig was de Securitate zeker, maar het was bepaald niet waar dat een kwart van de bevolking voor haar werkte en al die andere griezelverhalen over een afluisterapparaat in elk telefoontoestel - zulke zaken werden in het kapotgeterroriseerde Roemenie lang door bijna iedereen onvoorwaardelijk geloofd - waren al evenmin waar.

Tegenover al die verdiensten van Kiss the Hand You Cannot Bite (de titel is ontleend aan een Roemeens spreekwoord dat het opportunisme binnen de samenleving onderstreept en dat onder Ceausescu wel heel actueel was) staan ook tekortkomingen. Soms gaat het om kleine vergissingen, over Emil Bobu bijvoorbeeld, die bij herhaling wordt voorgesteld als Ceausescu's premier, zelfs ''right up to 22 December 1989'', maar die in werkelijkheid nooit premier is geweest. Soms gaat het om overdrijvingen, zoals de stelling dat Ceausescu in zijn vernietigingsdrang een kwart van de stad Boekarest heeft laten slopen.

Zo erg is het gelukkig niet geweest: de sloop bleef beperkt tot een kwart van het centrum. Ook kan Ceausescu natuurlijk nooit door het parlement tot partijchef zijn gekozen, zoals Behr stelt. Bovendien is hij nogal streng, eenzijdig en oppervlakkig waar het zijn beschrijving van koning Carol II aangaat (''It was the gossip around Crown Prince (sic) Carol that turned Romania, in the early thirties, into the world's laughing-stock''), net zoals het nogal onrechtvaardig is prinses Marthe Bibesco simpelweg te omschrijven als ''a social climber and turncoat''. Ze was beide, maar ze was ook meer dan dat. Daarnaast leunt Behr in zijn beschrijving van het Roemenie van voor de oorlog nogal zwaar op Hannah Pakula's biografie van koningin Maria, zonder altijd de bronvermelding aan te geven.

Bezwaarlijker zijn mijns inziens sommige van de conclusies die Behr aan het slot van zijn boek bereikt. Als hij stelt dat de Roemenen onder Ceausescu eerder psychologisch dan fysiek hebben geleden en dat ''het meest monstrueuze aspect van Ceausescu's dictatuur niet zijn wreedheid, maar zijn petty meanness was'', onderschat Behr de omvang van die wreedheid. Natuurlijk is het aantal doodgeschoten, doodgefolterde en doodgehongerde mensen onder Ceausescu's bewind beperkt gebleven als men het vergelijkt met Auschwitz of met Pol Pots Cambodja: hier geen gaskamers, vleeshaken en schedelpiramides.

Maar dat betekent niet dat de petty meanness de wreedheid overtrof: miljoenen Roemenen hebben het jarenlang elke winter dag in, dag uit, maanden achtereen koud gehad (en wat dat betekent kan eigenlijk niemand zich voorstellen die het nooit heeft meegemaakt) en zijn jarenlang uitgehongerd. Er zijn in Roemenie wel degelijk mensen van honger, kou en verwaarlozing omgekomen. Meer dan honderdduizend kinderen zijn in 'tehuizen' gezet waar ze in kooien opgesloten in hun eigen drek zijn opgegroeid, als geestelijk en lichamelijk mismaakten.

Er zijn zelfmoordgolven geweest onder vrouwen die zwanger werden. Dat als petty meanness omschrijven in plaats van als wreedheid komt dicht bij een gotspe.

LOSSE POLS

Behr veronderstelt dat het gouden echtpaar Ceausescu niet op de hoogte is geweest met wat er met de Aids-patienten gebeurde, of met de kinderen die door hun ouders in de steek waren gelaten, maar schraagt die veronderstelling verder niet - en vergeet ook dat Elena uit de losse pols zelf ministers ontsloeg als ze opkwamen voor de gezondheidszorg.

Ten slotte blijft Behr halverwege steken als hij in het laatste hoofdstuk van zijn boek de merkwaardige taferelen achter de schermen ten tijde van de revolutie in december 1989 beschrijft. Hij concentreert zich vooral op de rol van Stefan Kostyal, die al sinds 1980 een sleutelrol speelde bij de samenzwering tegen Ceausescu, maar wanneer Kostyal in december buitenspel wordt gezet door het duo Iliescu en Roman, laat Behr de verdere beschrijving voor gezien. Dat is jammer, want Behr bevond zich, met zijn toegang tot zoveel hoofdrolspelers, in een goede positie om het wie-wat-waar-hoe eens goed uit de doeken te doen.

Maar tegenover deze tekortkomingen staat heel veel: Kiss the Hand You Cannot Bite is een voortreffelijk boek - niet zo voortreffelijk als Kapuscinski's boeken, maar wel een boek dat heel veel duidelijk maakt over 'that frightful little man' Nicolae Ceausescu.