Nederland-Engeland

“DE RECHTSPRAAK in Nederland”, schamperde een advocaat een jaar of wat geleden in het tijdschrift voor de rechterlijke macht, “is in handen van kleine zelfstandigen, die thuis op hun zelfbetaalde pc's knutselen met computerprogramma's in de hoop op die manier enige stroomlijning in hun werk aan te brengen”.

Met de rechterlijke ruggegraat is er in elk geval niets loos, getuige de uitspraak van drie van deze zelfstandigen, de strafkamer van de Maastrichtse rechtbank, in de IRA-zaak. Ondanks grote maatschappelijke beroering, intensieve internationale belangstelling en een on-Nederlands forse eis van de officier van justitie sprak de rechtbank drie van de vier verdachten vrij.

Dat on-Nederlandse van het requisitoir sloeg overigens niet zozeer op de geeiste strafmaat, als wel vooral op de bewijsvoering. Deze behelsde een soort collectieve schuld, die door de rechtbank te licht werd bevonden. Het resultaat is een deel van de Britse pers in het verkeerde keelgat geschoten. Dat is wonderlijk, nog geen maand na de invrijheidstelling van de Zes van Birmingham. Die hebben nu juist zestien jaar ten onrechte gezeten op grond van de premisse dat zij toch iets moesten hebben uit te staan met de verschrikkelijke bomaanslag in een uitgaangscentrum op 21 november 1974.