NATUUR

De natuur terug. Honderd Nederlanders over het bouwen van onland door Fred Dijs en Maurits Groen 261 blz., Zomer & Keuning-Samson H. D. Tjeenk Willink 1990, f 29,90 ISBN 90 210 0116 0

In juni 1990 publiceerde het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij - toen nog onder leiding van een onaantastbare Braks - het zogenaamde Natuurbeleidsplan. Een lijvige nota waarin wordt beschreven wat er de komende dertig jaar nodig is om de 'voortgaande achteruitgang van onze natuur- en landschapswaarden' te stuiten. Een onderwerp van algemeen belang, vond het ministerie, en men besloot het plan, gevat in grijs en grauw overheidsjargon, vergezeld te doen gaan van een tweede, meer toegankelijke publikatie. Het moest een mooi uitgevoerd boek worden, informatief en onderhoudend, en het liefst niet uitsluitend geillustreerd met gifbelten vol zieltogende plant-jes en diersoorten. En zie daar: met De natuur terug is aan al die wensen ruimschoots voldaan.

Fred Dijs en Maurits Groen brengen tien reportages over de evenzovele landschapstypen (waaronder de duinen, het rivierengebied en het laagveen in Zuidwest-Friesland) die in het Natuurbeleidsplan worden onderscheiden. Kern van het boek vormen de interviews met tientallen mensen die, al of niet beroepshalve, rechtstreeks bij de natuur in een bepaald gebied zijn betrokken: boswachters, ambtenaren van gemeenten en provincie, boeren, vissers, rentmeesters, en (amateur)biologen. De gesprekken worden 'op locatie' weergegeven: verslaggever en geinterviewde ploeteren onder windkracht tien op de hogere zandgronden van de Veluwe, soppen door de kwelders van Schiermonnikoog, zweten gezamenlijk in rokerige protest-zaaltjes, of kijken rond in forellenkwekerij Foreldorado in het Zuidlimburgse heuvelland.

Een van de aardigste hoofdstukken gaat over 'natuur in de stad', en het is Amsterdam dat als voorbeeld is uitverkoren. Mensen als Martin Melchers laten hier van zich horen: een fysiotherapeut die zich bij voorkeur ophoudt in wegbermen en bouwputten, op spoordijken en braakliggende terreinen. Hij zegt: 'Je zou me bezig moeten zien. Als ik een oude deur zie liggen, begint mijn hart sneller te kloppen en ga ik sluipen. Als hij binnen handbereik is, draai ik hem razendsnel om.

Tien tegen een dat ik een muis, een pad, een rattennest of een bruine kikker ontdek.'

Maar er valt nog veel meer te ontdekken in Amsterdam en naaste omgeving, zo blijkt: ringslangen in de grachten, mollen, vossen, wezels, halsbandparkieten, hermelijnen (gifbelt Diemerzeedijk), bunzingen (Amsterdamse bos), reigers, watersalamanders, roodwangschildpadden, zandhagedissen, fazanten en ransuilen (begraafplaats Zorgvlied), glasgrondels (water bij de Hemwegcentrale), en de Amerikaanse rivierkreeft die enkele jaren geleden is afgedwaald naar Diemense wateren. En in het IJ achter het Centraal Station zwemt of schuifelt een bonte stoet voorbij van zeenaalden, rivier-donderpadjes, garnalen, bot, haring, kabeljauw, steur- en wolhandkrabben. Maar in het algemeen - het zal geen verbazing wekken - is het niet zo gevarieerd en levendig gesteld met de natuur, en hebben de vier v's van verzuring, vermesting, verontreiniging en verstoring hun tol geeist.

De natuur terug bevat tevens een beschouwing over de manier waarop Nederlanders de laatste twee eeuwen met de natuur zijn omgesprongen.

Zorgeloos, luidt de conclusie. Pas in de beginjaren van deze eeuw kwam daar enige verandering in, dankzij twee heel uiteenlopende grootheden: de idealistische bioloog Jac. P. Thijsse en zijn medestanders, en de heel wat minder bevlogen, maar wel zeer praktische vraag wat er gedaan moest worden met de tienduizenden kubieke meters uitwerpselen die de stadsbevolking jaarlijks produceerde. Wie weet kunnen de mestoverschotten van vandaag eenzelfde heldenrol spelen bij de bescherming van de natuur.