'Lunchcolleges' over rol van geld en toeval in het antiquariaat

AMSTERDAM, 6 april - Aan de Universiteit van Amsterdam is deze week een serie lunchcolleges van start gegaan over het Nederlandse antiquariaat. Zeven antiquaren spreken de komende weken over hun beroep, een van de laatste in Nederland waarvoor geen opleiding bestaat. In de praktijk echter blijkt een bijna wetenschappelijke kennis van het boek onontbeerlijk.

De colleges zijn georganiseerd door de Dr. P. A. Tiele-stichting, een genootschap ter bevordering van de wetenschap van het boek en de drukkunst, in samenwerking met de vakgroep boek-, bibliotheek- en informatiewetenschap van de Universiteit van Amsterdam.

Volgens antiquaar Frits Knuf (62), die voordrachten inleidt, heeft er ooit een vakcursus bestaan. “Ik ken tenminste een gediplomeerde antiquaar, maar in feite is dat onzin: je leert dit vak in de praktijk. Dat we nu toch deze colleges geven, komt omdat bleek dat studenten geen donder weten over het antiquarische boek. Sommigen hebben zelfs nog nooit een oud boek in handen gehad!”

De belangstelling voor het eerste college, afgelopen dinsdag, bleek veel groter dan verwacht: de honderdvijftig tot tweehonderd toehoorders, studenten, collega's en verzamelaars pasten maar nauwelijks in de aula van de UB in Amsterdam. Aanstaande dinsdag spreekt de Amsterdamse antiquaar Nico Israel over handschriften en oude boeken; daarna volgen lezingen over het oude boek door Bob de Graaf, het modern antiquariaat (de ramsj) door Richard Lobbes, bibliofilie door Andre Swerts en wetenschappelijke tijdschriften door John Benjamins. De serie besluit met een college van de Haarlemse veilinghouder Bubb Kuyper over het veilingbedrijf. “Het heeft me de grootste moeite gekost om een selectie te maken,” zegt Knuf met veel nadruk. “Ik had met gemak voor een heel jaar colleges kunnen verzinnen.”

TOP TIEN

De eerstvolgende spreker, Nico Israel, mocht ontbreken, daarover bestond geen enkele twijfel. Israel is gespecialiseerd in oude en zeldzame boeken, reizen, atlassen en handschriften en behoort op dit gebied tot de top tien van de wereld. Onlangs kwam hij nog in het nieuws door de aankoop, voor 1,6 miljoen gulden, van Erasmus' Adagia uit 1523. “Je mag van me aannemen,” aldus Israel (72), “dat ik werkelijk alles in het werk heb gesteld om dit boek voor Nederland te behouden. Er bestaat nauwelijks manuscriptmateriaal van Eramus, maar men heeft er hier het geld niet voor over. De Europese verzamelaar die het nu heeft gekocht heeft het boek gelukkig wel aan een Zwitserse universiteit ter beschikking gesteld voor onderzoek.”

Het is niet de eerste keer dat Israel dit overkomt. “Dat zit me hoog: Nederlandse antiquaren worden niet door een eigen markt gesteund. Het is niet zo dat bibliothecarissen geen belangstelling meer hebben, maar ze hebben de moed verloren. Dat eindeloze getrek over geld maakt ze moe.”

Niet bekend

BUITENLAND

Het gevolg is dat kleinere antiquariaten gemiddeld niet langer dan vijf jaar bestaan; waarschijnlijk kan maar een derde van alle antiquariaten zonder nevenverdiensten rondkomen. De grotere antiquaren zijn wat betreft hun omzet vaak voor driekwart of meer afhankelijk van het buitenland, met als belangrijkste afzetgebieden de Verenigde Staten, Japan, Duitsland, Frankrijk, Engeland en Zwitserland. De stroom zeldzame boeken en handschriften die op deze manier naar het buitenland verdwijnt is inmiddels zo groot, dat gealarmeerde antiquaren een jaar geleden voor het eerst om de tafel zijn gaan zitten met bibliothecarissen en museumvertegenwoordigers om de stichting Amor Librorum op te richten. Doel is het oude en bijzondere boek voor Nederland te behouden.

“Het is ongelooflijk dat het ooit zover heeft moeten komen,” aldus Nico Israel. “Nederland heeft een onvoorstelbare traditie als het gaat om de produktie van boeken, prenten en kaarten. Zo werden in de eerste helft van de achttiende eeuw alle belangrijke Franse boeken hier uitgegeven. Geen enkel ander land had zo'n enorme produktie.”

Overigens zal Israel het in zijn lunchcollege vooral hebben over de grote rol die het toeval in zijn vak speelt. “Ik heb ooit de kaart die de Hollanders gebruikten voor hun eerste reis naar Indie gevonden in een boek in Portugal, kort nadat ik een kopie van die kaart had moeten determineren. Jaren later kreeg ik bij toeval het enige andere originele exemplaar in handen.” Wel moet het toeval worden gepaard aan kennis: “Zonder kennis vind je niets.”

Om die kennis straks aan anderen over te dragen is het de bedoeling de teksten van de lunchcolleges in boekvorm uit te geven. Daaraan is grote behoefte, want sinds in 1968 de tweede druk verscheen van Het antiquariaat van Bob de Graaf, moeten antiquaren het stellen met de enige andere leerschool: de praktijk.