Koerden eerste slachtoffer van Bush' Nieuwe Wereldorde

AMSTERDAM, 6 april - Wie op de lange, bittere uittocht naar het absolute niets nog een heel klein beetje kracht heeft en wie ook nog over een schop of een houweel beschikt, probeert een ondiep graf te graven voor zijn kind, zijn vrouw, zijn moeder of zijn vader.

De meesten zijn daartoe niet meer in staat; ze zijn te uitgeput. Sinds vijf dagen hebben ze in de snijdende kou van de bergen niets of bijna niets meer kunnen eten. Daarom worden thans de familieleden die het niet langer volhielden - zij die door honger, kou of longontsteking werden geveld, zij die bezweken aan de verbrandingswonden van Saddams fosfor- en napalmbommen, en zij die het zo maar, door algemene uitputting, begaven - niet langer aan de aarde toevertrouwd. Zij worden langs de kromme, stijle wegen achtergelaten.

De overlevenden trekken verder door het majestueuze landschap, waar de heuvels weelderig groen zijn en de valleien in deze tijd van het jaar met bloemen zijn bedekt. Langs de wegen liggen weggegooide bundels kleren, geweren, bandeliers en matrassen, ja zelfs televisie-toestellen en stoelen - alles wat uiteindelijk te zwaar was om nog verder mee te dragen.

Soms vliegen de gepantserde legerhelikopters van Saddam Hussein traag en nieuwsgierig over om de maar niet eindigende kolonnes van voortsukkelende mensen met raketten en machinegeweervuur te bestoken.

Dan breekt er even paniek uit omdat je nooit weet of Saddam opnieuw van zijn gifgassen gebruik zal maken. De mensen die nog kunnen hollen, proberen zo snel en zo ver mogelijk van de weg te komen. De vijf- en zesjarige kinderen die baby's meesjouwen, de vrouwen met hun pas geboren kinderen, de ouderen blijven achter; zij kunnen zich niet zo snel uit de voeten maken.

Als de helikopters weer sierlijk zijn weggeronkt, hergroepeert zich de stoet en trekken de mensen verder. Naar de grens met Turkije, waar de met sneeuw bedekte bergen toekijken. Waar het eindpunt van de trektocht is.

Verder kunnen de meesten niet, mogen zij niet. Want Koerden zijn niet zo gewenst. Uit hun eigen land worden zij thans verdreven. En in de Koerdische gebieden van de nabuurstaten, die vroeger eveneens tot Koerdistan behoorden, bevinden zich naar de mening van de (niet-Koerdische) autoriteiten reeds veel te veel Koerden.

Daarom schurken de gevluchten zich dicht tegen elkaar op de ijskoude bergplateaux, waar 's nachts de temperatuur tot ver onder het vriespunt zakt. Dekens zijn er nauwelijks; die zijn niet meegenomen of onderweg weggegooid. De mensen uit de stad Kirkuk, waar het veel warmer is, hebben lichte zomerkleren aan, de vrouwen zijn vaak alleen in een nachtjapon gehuld omdat iedereen - uit angst voor Saddams folteraars - hals over kop wegvluchtte. Velen van hen zijn blootvoets of hebben plastic sandalen aan. Zij proberen wat hout bijeen te sprokkelen om zich bij een vuurtje te verwarmen en zij scheppen sneeuw in een blikje of pannetje om die op te warmen. De gelukkigen hebben thee bij zich; wie geen thee heeft, drinkt opgewarmd sneeuwwater.

Soms breekt er een vechtpartij uit om het karkas van een dood dier. De sterksten maken zich ervan meester om nog een dag te kunnen leven, de zwakkeren kijken toe en bereiden zich voor op hun onvermijdelijke dood. Een enkeling die nog een beetje kracht heeft, huilt. De overigen zwijgen; zij hebben de grens van de wanhoop reeds ver overschreden.

SADDAMS WRAAK

De vele, vele honderdduizenden beseffen dat dood door honger, uitputting en bevriezing waarschijnlijk verkieslijker is dan de terugkeer naar hun haardsteden. In de drie weken van hun onverwachte vrijheid gaven zij te duidelijk en te onomwonden blijk van hun haat jegens Saddam Hussein. Zij weten uit ervaring hoe verschrikkelijk zijn wraak is en zij begrijpen dat die wraak thans erger zal zijn dan ooit.

In Bagdad hebben de autoriteiten verklaard dat zij een onderscheid zullen maken tussen enerzijds de burgers, anderzijds de verraders en saboteurs. Maar vrijwel alle Koerden - ook zij die voor de regering werkten - bleken de afgelopen weken verraders en saboteurs te zijn, inclusief de gegoede middenklasse en de intellectuelen.

Zij hadden redenen genoeg voor hun spontane opstand - na alles wat Saddam Hussein had gedaan om Koerdistan voor eens en voor altijd te vernietigen en de Koerden tot slaven van zijn Ba'ath-partij te maken.

In het voorjaar van l988 liet hij vijfduizend Koerden in de stad Halabja vergassen, zonder dat ook maar een land in het Westen hem daarvoor strafte. Vervolgens werden duizenden Koerdische dorpen met de grond gelijk gemaakt, tienduizenden vruchtbomen omgehakt en bijna alle waterbronnen dichtgemetseld. Ten overvloede werd het platteland met miljoenen mijnen zo onbegaanbaar mogelijk gemaakt.

In de afgelopen drie weken troffen Westerse journalisten in alle Koerdische steden speciale martelcentra aan van de diverse geheime diensten waarover Saddam Hussein beschikt. In Sulaimaniya bezichtigden zij in het martelcentrum een speciale kamer waar vrouwen op een smerige matras werden verkracht.

Vaak waren de detentiecentra, waar de gevangenen werden gefolterd, verscholen - weggewerkt onder andere gebouwen. In de stad Arbil bij voorbeeld, die op 11 maart door de Koerden werd ingenomen, was de gevangenis onder een park gebouwd, 4,5 meter onder de grond. In een van de kelders vond men de naakte lijken van twee vrouwen en drie kinderen, aan vleeshaken opgehangen. In een andere, dieper gelegen kelder, waar het pikdonker was en het verschrikkelijk stonk, werden nog levende gevangenen aangetroffen. Hun leeftijd was niet vast te stellen. De meesten konden niet meer coherent praten. Een van hen, die zich verstaanbaar kon maken, vroeg of president Hassan al-Bakr nog aan de macht was, de man die in 1979 door Saddam als staatshoofd was afgezet.

ANDERS BEDOELD

Toen de Armeniers in de Eerste Wereldoorlog en de Cambodjanen vijftien jaar geleden soortgelijke ervaringen hadden, waren er geen televisiebeelden en nauwelijks persberichten om hun lijden vast te leggen. Die beelden en berichten zijn er nu wel. Dat is jammer voor Saddam Hussein.

Een geluk voor Saddam is, dat de leiders van de geallieerde coalitie - ook al nemen zij hem zijn moorddadige roofoverval op Koeweit nog zo kwalijk - het uiteindelijk toch voor hem blijken op te nemen als zij moeten kiezen tussen Saddam en een niet-sunnitisch leidersschap over Irak. Het is dan ook geen toeval dat de Arabische wereld, inclusief de ergste vijanden van Saddam, een oorverdovende stilte in acht neemt tegenover de slachtpartijen in Irak.

Evenmin is het toeval dat de oproep van president Bush tot het volk en het leger van Irak om tegen Saddam in opstand te komen, anders bedoeld blijkt te zijn geweest. Op 15 februari zei Bush: “Er is een andere manier om een eind te maken aan het bloedvergieten, namelijk dat het Iraakse leger en het Iraakse volk de zaak in eigen hand nemen en Saddam Hussein dwingen af te treden.”

Al een maand tevoren, medio januari, toen de geallieerde luchtoorlog ter bevrijding van Koeweit begon, had de Amerikaanse president volgens bronnen van de Amerikaanse geheime dienst, een 'finding' getekend - dat wil zeggen zijn presidentiele goedkeuring verleend aan geheime, oftewel klandestiene acties. Krachtens die 'finding' moest de CIA diverse oppositiegroepen in Irak steun verlenen.

Het was dan ook niet zo verbazingwekkend dat de oppositiegroepen, die de geallieerden tijdens de oorlog van allerlei militaire informatie voorzagen, na Saddams nederlaag op steun rekenden. Officieel had Washington hun die steun nooit toegezegd, ja zelfs alle politieke contact met hen vermeden. Maar de Koerden en de shi'ieten dachten dat hun plechtige beloften aan elkaar, aan de Arabische buurstaten en aan Turkije, alsmede aan de Amerikanen die bereid waren hen te ontmoeten, enige indruk hadden gemaakt. De beloften hielden onder andere in dat men Irak niet in stukken uiteen zou scheuren maar dat men als loyale Irakezen vreedzaam in een federatie zou samenleven.

NEUTRALITEIT

Toen de shi'ieten en de Koerden begin maart daadwerkelijk in opstand kwamen, aarzelde Washington een momentje, om vervolgens een soortgelijke neutraliteitspolitiek tegenover de 'rebellen' te voeren als tegenover Teheran tijdens de oorlog tussen Irak en Iran. Ook toen was Washington officieel neutraal, maar steunde het in werkelijkheid Saddam.

Washingtons meest recente positieve neutraliteit leidde tot de ondergang van de shi'ieten en de Koerden. Officieel voerden de Amerikanen een non-interventie-politiek die zij thans handen wringend verkopen onder het motto “Wij konden conform het Handvest van de VN niet anders doen. Wij zijn ook maar machteloos”. In werkelijkheid hadden de machteloosheid en de non-interventie-politiek niets om het lijf. Amerika en zijn bondgenoten bleken niet geinteresseerd te zijn in de opstand, die van de verkeerde figuren kwam - niet, zoals gehoopt en verwacht was, van de kant van sunnitische medewerkers van Saddam in de Ba'ath-partij of in het leger.

Op 13 maart uitte president Bush tijdens een persconferentie in Ottawa de beschuldiging dat de Iraakse strijdkrachten de eerdere afspraken voor een staakt-het-vuren schonden. Hij doelde op het gebruik van de gepantserde gevechtshelikopters door Saddams elite-strijdkrachten.

Kort nadien gaf men van Amerikaanse zijde impliciet te kennen dat men niet tegen deze helikopters zou optreden. Zoals woordvoerder Pete Williams van het ministerie van defensie in reactie op een desbetreffende vraag opmerkte: “Is onze politiek een beetje dubbelzinnig? Ja.” Men zou uitsluitend optreden tegen vliegtuigen en ook als de Iraakse strijdkrachten zich van chemische wapens zouden bedienen.

Het was een interventie die neutraler klonk dan zij in werkelijkheid was. Want vanuit de helikopters, die volgens de bestandsovereenkomst uitsluitend voor vervoer van administratief legerpersoneel zouden worden gebruikt, werd de burgerbevolking in het zuiden en in het noorden van Irak ongehinderd met napalm- en fosforbommen en met zwavelzuur gebombardeerd.

Saddams tanks en artillerie omsingelden de in opstand gekomen steden langs de Euphraat. Een van de mythes wil dat uitsluitend shi'ieten aan de opstand deelnamen. In werkelijkheid schaarden ook sunnieten zich aan de kant van de 'rebellen'', zoals het volledig sunnitisch stadje Zubar, ten zuiden van de gemengde sunnitisch-shi'ische stad Basra.

Gruwelijke moorden De tank- en de artillerie-eenheden die al deze steden aanvielen, behoorden tot de ten minste twee divisies van de Republikeinse Garde die willens en wetens door de geallieerden na de oorlog om Koeweit waren gespaard “teneinde de toekomstige stabiliteit van Irak te waarborgen”. Als de Gardisten een stad hadden omsingeld en de bewoners in de val zaten, werden water- en voedselaanvoer afgesneden en begonnen de bombardementen op de woonwijken. Zodra de tanks veilig door de stad konden rijden, rukten de grondtroepen naar binnen en begonnen de vergeldingsacties die een ook voor Irak ongekende omvang aannamen.

De massamoorden moesten zo gruwelijk mogelijk zijn. Velen kregen, naar het voorbeeld van Zuid-Afrika, een autoband om zich heen, werden met benzine overgoten en vervolgens levend verbrand. In een aantal gevallen kregen mannen het bevel om voor hun families de stad uit te wandelen, waar zij op de grote weg voor de ogen van hun nabestaanden door tankgeschut werden vernietigd. Anderen werden, aan stukken gesneden en zelfs in de moskeeen opgehangen.

Buitenlandse journalisten die de afgelopen dagen door ambtenaren van het Iraakse ministerie van voorlichting in de terugveroverde steden werden rondgeleid, kregen te horen dat de shi'itische opstandelingen in de moskeeen en in de religieuze scholen martelkamers hadden ingericht. Dat zou zelfs bij de graven van vroegere imams zijn gebeurd - plaatsen die voor shi'ieten zo heilig zijn dat zij, als ze aangeraakt worden, geneeskrachtige werking hebben.

Op 27 maart, toen de shi'ieten reeds overal in Zuid-Irak op de meest gruwelijke wijze werden afgemaakt en de Koerden in het noorden op het punt stonden uitgemoord te worden, merkte Marlin Fitzwater, de woordvoerder van president Bush op: “We kunnen er rustig van uitgaan dat in het soort oorlog dat nu wordt gevoerd (...) allerlei soorten wreedheden en oorlogsgevolgen plaatsvinden. Maar wij geloven dat het de beste politiek is om niet betrokken te raken bij deze binnenlandse conflicten.”

Uit de wel zeer grote afstandelijkheid van zijn woorden bleek dat president Bush vrede had met de in Irak geschapen situatie. Amerika mocht onder geen beding in een nieuw Vietnam verzeild raken, in een eindeloze binnenlandse oorlog in Irak, waarvan het de oorzaken nooit zou begrijpen en de gevolgen nooit zou kunnen overzien. Daarom nam president Bush het besluit om de oorlog voor gewonnen te verklaren en voor de daaruit resulterende problemen weg te lopen. Een extra voordeel van deze beslissing was, zo meenden hij en zijn directe adviseurs, dat Amerika's naaste bondgenoten in de regio - Turkije, Saoedi-Arabie en Egypte - het met deze beslisssing eens waren.

Geen bedreiging Toen de opstand in het zuiden was bedwongen, haastten Saddams elite-eenheden zich naar het noorden. Daar was intussen een dramatische situatie ontstaan. Want de Koerden hadden weliswaar veel wapens veroverd, maar niet de daarbij behorende munitie. Of ze hadden munitie bemachtigd, maar niet de daarbij passende wapens. En als ze beide hadden, wisten ze in de meeste gevallen niet hoe ze met hun nieuwe verworvenheden moesten omspringen. Intussen werden hun steden onbarmhartig door Saddams helikopters, tanks en artillerie, waarover hij in nog zo ruime mate beschikte, bestookt. Hulp van buiten kwam er niet.

Daarnaast was er in Koerdistan dat altijd al minder werd bevoorraad, nauwelijks nog voedsel. De Koerdische politieke bewegingen die het roer hadden overgenomen, moesten daarvoor zorgen - een onuitvoerbare opdracht die nog onmogelijker werd nadat Washington had geweigerd de Koerden ook maar enige voedselhulp te geven.

De bombardementen zorgden ervoor dat veel strijders naar hun bedreigde families afreisden om hen te helpen. Zo kon het dat op de weg van Kirkuk naar Arbil jongetjes van elf en oude mannen tegen T-55-tanks vechten. Zij waren gewapend met molotov-cocktails, met handgranaten en kalasjnikovs en met bazooka's raketwerpers. Zij vormden voor de tanks geen bedreiging.

De opstand die zo vrolijk en met zo weinig bloedvergieten was begonnen, stortte als een kaartenhuis ineen. Zoals altijd, waren de Koerden alleen, in de steek gelaten, mogelijkerwijs verraden.

In 1976 publiceerde het Amerikaanse Congres een rapport over de manier waarop Amerika en Iran in de jaren voordien met de Koerden van Irak waren omgegaan. In maart 1975 sloten de sjah van Iran en de toenmalige Iraakse vice-president Saddam Hussein een verdrag over de loop van de grensrivier Shatt al-Arab met voor Iran zeer gunstige voorwaarden. In ruil beloofde de sjah zijn steun aan de Iraakse Koerden te staken, waardoor de Koerdische vrije republiek die 15 jaar had bestaan, ten dode was opgeschreven. Enkele uren na de ondertekening van het verdrag wendden de Iraanse kanonnen in het Koerdische hoofdkwartier Hadj Umran hun lopen en bedreigden zij hun bondgenoten van voorheen.

Volgens het rapport van het Congres “wilde noch de sjah van Iran, noch de heer Kissinger (de toenmalige minister van buitenlandse zaken) een overwinning voor onze clienten (de Iraakse Koerden). Zij hoopten slechts dat de opstandelingen (de Iraakse Koerden) in staat zouden zijn de vijandelijkheden zo lang op een dusdanig niveau te houden, dat de hulpbronnen van het buurland ondermijnd zouden worden (...) Onze clienten die tot vechten werden aangemoedigd, werden inzake deze politiek niet geinformeerd.” De conclusie van het parlementaire rapport luidde: “Het was een cynische operatie - zelfs bezien in het licht van een klandestiene hulp-operatie.”

KOSTBAAR BLOED

Ook thans is er geen andere conclusie mogelijk als men de reacties bestudeert van de Amerikaanse overheid op het steeds ernstiger drama in Irak. Geen wonder dat president Bush tijdens zijn vis- en golfvakantie zei dat hij “verontrust” was over het menselijk lijden in Koerdistan. En daaraan toevoegde: “Maar ik wil er nu liever niet over praten.” Gisteren deelde hij mee dat “Amerikaans bloed te kostbaar is om in een burgeroorlog in Irak te vergieten”.

De Koerdische leiders die het afgelopen jaar van meer politiek realisme getuigden en die daarom juist niet langer op nationale zelfbeschikking en op onafhankelijkheid aandrongen, zullen uit hun ervaringen met het Westen en zijn regionale bondgenoten lering trekken. Zij hebben begrepen dat alleen een onafhankelijke staat kan rekenen op een minimum aan bescherming van de internationale gemeenschap - zoals de 800.000 Koeweiti's kregen, toen Saddam Hussein hen overviel.

Voor velen is de blijdschap dat Saddams agressie tegen Koeweit werd afgestraft, veranderd in droef- en bitterheid. De Nieuwe Orde van George Bush blijkt in werkelijkheid de Oude Orde te zijn, versierd met retoriek, parades, lintjes en ontzettend veel bombarie.

De afloop van de oorlog die ten doel had Koeweit te bevrijden, heeft ten gevolge dat Saddam nog steeds ongestraft grote groepen mensen kan terroriseren dan wel uitmoorden. De wereld is daarmee zeker niet veiliger geworden, niet voor de Koerden, niet voor de shi'ieten - en dus ook niet voor ons.