Japan moet VS vergoeden voor Golfoorlog; Amerika vindt dat Japan haar markten moet openen

WASHINGTON, 6 APRIL. - Negen miljard dollar is de prijs voor tijdelijke rust tussen Amerika en Japan, niets meer en niets minder. Het is de som die Japan moet betalen ter vergoeding van de Amerikaanse krijgsverrichtingen in de Golf. De Amerikaanse volksvertegenwoordigers zien de betaling als een belangrijk symbool, hoewel het begrotingskantoor van het Congres heeft uitgerekend dat het totale aantal bijdragen van de bondgenoten de kosten van de oorlog ruim overstijgt.

Een sluitend bewijs is de berekening niet, omdat defensieboekhoudingen heel flexibel zijn (wat zouden de vaste defensiekosten zonder oorlog zijn, welke bestellingen worden meegerekend?). Politiek staat de uitkomst vast. “Buitenlanders stemmen niet in mijn staat en die kunnen dus niet genoeg betalen”, zei Phil Gramm, de Republikeinse senator van Texas.

Nu blijkt dat door tussentijdse koersstijgingen van de dollar Japan slechts ruim acht en een half miljard dollar gaat betalen en geen negen, zijn de volksvertegenwoordigers weer geprikkeld. President Bush heeft donderdag tijdens een bijeenkomst in Californie aan premier Kaifu gevraagd om het volledige bedrag in dollars te betalen. Kaifu heeft vooralsnog geweigerd om de koerswijzigingen bij te passen. Voor bijna een half miljard dollar meer is de Amerikaanse ergernis ook niet weggenomen. De Amerikanen zullen snel een nieuw doelwit hebben gevonden om hun woede op te koelen.

De Verenigde Staten vinden nu eenmaal dat Japan, nu het tot economisch wasdom is gekomen, meer politieke verantwoordelijkheid op zich moet nemen. Dezelfde eis geldt voor Duitsland. Nu nemen de voormalige verliezers van de Tweede Oorlog een goedkope lift bij het militaire apparaat van Amerika, dat er economisch slechter aan toe is. Japan moet ook een meer verantwoord economisch beleid voeren en economische concessies doen in de Uruguayronde over internationale handelstarieven.

Ook Japan is geergerd. Ondanks de ruime Japanse financiele beloften voor bijdragen aan de Golfoorlog sloeg president Bush premier Kaifu over voor de consultaties vlak na de oorlog. Een bezoek aan Tokyo begin dit jaar had hij uitgesteld.

Hoewel Duitsland evenveel als Japan talmde tijdens de Golfcrisis, werd het Japan sterker aangerekend. Het Japanse economische succes in Amerika is ook veel zichtbaarder dan het Duitse. Tussen zeeen Toyota's en Honda's rijden enkele BMW's en Mercedessen. Japan heeft het grootste deel van de markt voor halfgeleiders in handen. Met 41 miljard dollar neemt Japan veertig procent van het Amerikaanse handelstekort voor haar rekening. Dat is al een daling vergeleken bij het handelstekort van 57 miljard dollar in 1987.

De daling is vooral te danken aan de groeiende export van laagtechnologische goederen naar Japan, zoals landbouwprodukten.

Tijdens de Golfoorlog bleek dat de Amerikaanse pientere bommen afhankelijk waren van Japanse onderdelen. Japan moest tot extra leveringen worden aangespoord om de wapenvoorraden op peil te houden.

In december wordt de vijftigjarige herdenking van de Japanse aanval op Pearl Harbor in acht genomen.

Vorig jaar slaagde president Bush door een gesprek met premier Kaifu de spanningen te verminderen. De resultaten van de besprekingen van donderdag in Californie zijn nog niet duidelijk.

Veel klachten zijn gebleven. Amerika zegt dat Japan zich niet aan de afspraken houdt. Amerika vindt dat Japan haar markten verder moet openen voor Amerikaanse computerchips en voor aannemersbedrijven.

Volgens de meeste economen is de Japanse economie aan het begin van volgende eeuw al groter dan de Amerikaanse.

Heel pijnlijk is het rijstincident in Tokyo. Een paar weken geleden werd een Amerikaanse exportvereniging gedwongen om een zak rijst weg te halen van een internationale handelstentoonstelling. Rijst is al een belangrijk twistpunt omdat Japan het niet wil importeren. Nu dreigden Japanse functionarissen Amerikanen te arresteren omdat ze een zak rijst wilden vertonen aan het Japanse publiek.

Amerikanen zien dergelijke incidenten als typerend voor de onderlinge verhoudingen. Het Witte Huis was zeer verstoord dat Japan zich in het landbouwdispuut met de EG aan Amerikaanse zijde heeft geschaard.

Japan heeft de Sovjet-Unie als nationale dreiging vervangen. Toyota en Panasonic zijn de moderne synoniemen voor Spoetnik. Volgens een opiniepeiling van de Council of Foreign relations in Chicago ziet bijna twee derde van het Amerikaanse publiek de economische macht van Japan als een dreiging. Slechts een derde van het publiek en een vijfde van de leiders vreest nog de militaire macht van de Sovjet-Unie.

Anders dan de Sovjet-dreiging is de Japanse economische dreiging een perfect voorwerp voor televisiereclames. Vorig jaar adverteerde Pontiac met een volle auto die onderweg was. “Stel je voor”, zei een stem. “Over een paar jaar is het december en dan gaat de hele familie de grote kerstboom bekijken in Hiro Hito Center. Ga door, blijf Japanse auto's kopen.” Daarmee maakte dit automerk toespelingen op het feit dat Rockefeller Center voor 51 procent in handen is van Mitsubishi. De advertentie eindigt met grote zwarte letters: “Het is al genoeg”.

Cadillac bracht de concurrentiestrijd met Japanse dure auto's in beeld met filmfragmenten van Japanse piloten in Zero-straaljagers die duikvluchten maken boven Pearl Harbor in 1941 en vlammend neerstorten.

Ditmaal had het nieuwe model Cadillac teruggeschoten met haar boordkanonnen. “Vergeleken met de Cadillacs zijn onze concurrenten echte zero's”, was de conclusie. Een andere auto-advertentie stelde dat Japanse auto's niet echt op de maten van Amerikaanse families waren ingesteld. Weer een ander liet Mc Arthur zien die de vrede met Japan tekende. Dit keer zou een Japans produkt weer bezwijken voor een Amerikaanse leider: Buick.

Het zijn allemaal spiegelgevechten die de realiteit niet dekken. Amerikaanse consumenten willen steeds liever Japanse auto's. Het meest absurd is de ster-zakenman Lee Iacocca, een grote voorvechter van protectionisme. In advertenties gaat hij tekeer tegen Japanse auto's.

Toch zijn bijna al zijn Chryslers uitgerust met Mitsubishi-motoren en hij werkt aan een nieuwe joint venture. Per brief verzocht Iacocca aan Bush om Kaifu te verzoeken de Japanse auto-exporten naar de VS in te tomen.

De Amerikaanse eisen zijn tegenstrijdig. Enerzijds willen Amerikanen dat Japanse bedrijven hun winsten weer in Amerika investeren, anderzijds maken ze zich zorgen over de grote financiele macht die daaruit voortvloeit. Om aan de Amerikaanse kritiek tegemoet te komen en ook om andere redenen, maken Japanse bedrijven steeds meer produkten in de Verenigde Staten.

Taferelen van Amerikaanse werknemers die Japanse auto's in elkaar hameren, behoren dan ook tot het verleden. Maar met de grotere aanwezigheid van Japanse bedrijven nemen ook de culturele conflicten toe. De top van de Amerikaanse dochterbedrijven is altijd Japans.

Carrieremogelijkheden voor Amerikanen zijn beperkt. Werknemers hebben ook ontdekt dat ze niet voor het leven worden aangenomen, zoals hen eerst was voorgespiegeld. Om dergelijke redenen beveelt de journalist Robert Kuttner in zijn boek 'The end of Laissez Faire' aan dat de eigendom van een bedrijf van groot economisch belang is voor een land.

Het zijn problemen waaraan Europa nog nauwelijks toe is. Europa - waar het bouwen van een auto vele werkuren meer kost dan in Japan of in Amerika - is beter tegen het buitenland afgeschermd dan Amerika.

Het is voor veel deskundigen duidelijk dat de huidige benadering in de handelsbetrekkingen weinig zin heeft. Zo houden sinds een paar jaar Amerikaanse en Japanse diplomaten een soort onderlinge maatschappelijke sensitivity training. Ze bekritiseren elkaars samenlevingen. Maar de aanbevelingen zijn zo ruim dat ze nauwelijks uitvoerbaar zijn. Japanse beloften om de markt open te gooien, stuiten op bureaucratische logheid. Dit leidt weer tot nieuwe teleurstellingen aan Amerikaanse zijde.

Meer protectionistisch ingestelden, zoals Kuttner of de voormalige economische onderhandelaar Clyde Prestowitz, vinden, met als voorbeeld Europa, dat er een systeem van managed trade moet komen. Anderen, zoals Robert Reich van de Harvard-universiteit , leggen meer nadruk op verbetering van de kwaliteit en financiering van de Amerikaanse industrie. Nu gebeurt geen van beide.