JAARBOEK

Tweede jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie redactie N. D. J. Barnouw e.a. 222 blz., Walburg Pers 1990, f 39,50 ISBN 90 6011 712 3

In de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog is de beoordeling van de activiteiten van de Joodse Raad altijd een heet hangijzer geweest. In het eerste jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie bestreed de historicus Johannes Houwink ten Cate dat de Joodse Raad klassepolitiek zou hebben bedreven. Ook het tweede jaarboek wijdt tientallen bladzijden, ditmaal in woord en beeld, aan dit zo hevig bekritiseerde en tragische instituut. Op verzoek van de redactie heeft Herman Cohen, de zoon van David Cohen, een van de beide voorzitters van de Joodse Raad, zijn herinneringen aan zijn vader op papier gezet. Het is een ontroerend verhaal geworden en wat mij betreft het hoogtepunt van de verschillende bijdragen.

Herman, die al in 1936 naar Palestina emigreerde, en zijn vader waren ''twee vreemden die dolgraag vriendschap hadden willen sluiten maar dat niet konden''. Met Bram Asscher - 'oom Bram' in het verhaal, want de beide heren waren familie van elkaar - voelde Herman zich veel meer verwant dan met zijn vader. Terwijl Cohen zich bij voorkeur achter het bureau in zijn studeerkamer bevond, was Bram Asscher volgens zijn neef een man van de wereld, een 'bon-vivant'.

Herman Cohen is huiverig voor te gemakkelijke oordelen. Hij stelt vast dat zijn vader en zijn oom beiden ijdele, ambitieuze, behoudende en zelfs autoritaire karakters waren, maar beklemtoont dat deze eigenschappen ''pas na de oorlog zo'n negatieve lading hebben gekregen en voor die tijd vrij algemeen geaccepteerd of gestimuleerd werden''.

Fataler dan wat ook waren, schrijft Cohen, zijn vaders naiviteit en respect voor gezag, eigenschappen die ''onder normale omstandigheden niet al te veel schade hadden aangericht''. Hij vraagt zich af of ''zo'n voorgeschiedenis hem geschikt maakte voor zo'n belangrijke leidinggevende functie in een precedentloze situatie''.

Ook het foto-essay, een vaste rubriek in het jaarboek, heeft de Joodse Raad als onderwerp. En weer was het een feestelijke gelegenheid - op 31 december 1942 werd David Cohen zestig jaar - die aanleiding was voor de samenstelling van een foto-album. Omdat wij weten hoe het met de meesten die op de foto's staan afgebeeld is afgelopen, zijn de foto's ronduit huiveringwekkend. De inzet en toewijding waarmee men op de foto's bezig is de eigen ondergang te organiseren, doet pijn.

Het recensie-artikel van de bibliothecaris van het Instituut, Dick van Galen Last, beslaat een veel kortere periode dan in het eerste jaarboek het geval was. Terwijl het toen een terecht zeer geprezen beredeneerd overzicht van de literatuur gaf, is het dit keer een betrekkelijk gefragmenteerde, vooral signalerende opsomming geworden.

Van de overige bijdragen is verder het stuk van de musicoloog Peter Lurvink over de muziekpolitiek tijdens de bezetting het interessantst (niet-historici - Herman Cohen is architect in ruste - tekenen in dit nummer voor de boeiendste bijdragen!). Lurvink komt tot de conclusie dat de overheidsbemoeienis met het muziekleven stamt uit de oorlogsjaren. Het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten dat zijn ambtenaren vooral uit NSB-kringen recruteerde, stelde grote financiele middelen voor de 'Nederlandse', dat wil zeggen niet-joodse, componisten en de 'Nederlandse', muziek beschikbaar. ''Het is triest en pijnlijk,'' schrijft Lurvink, ''dat dit beleid, dat een einde maakte aan talloze misstanden in de muziekwereld, pas tijdens de oorlog van de grond kwam, samenvallend met de voorbereidingen van de deportatie van de Nederlandse joden.'' Van ingrijpen in de muzikale stijl was echter nauwelijks sprake. De ambtenaren van DKV, aldus Lurvink, wisten niet goed hoe begrippen als 'Nederlands' en 'volks' te definieren. Al met al een verrassende en vlot geschreven bijdrage.

Helaas zijn deze twee adjectieven niet van toepassing op de andere twee wetenschappelijke artikelen: een over de aanleg van een spoorlijn op West-Java tijdens de Japanse bezetting en een over de ontwikkeling van het vermogen van de Staatsmijnen tijdens de Duitse bezetting. Voor economische historici en in die richting geinteresseerde lezers zijn beide stukken vast interessant. Bij ondergetekende mochten de beide bijdragen echter geen noemenswaardige belangstelling wekken. Temeer omdat het jaarboek uitdrukkelijk bedoeld is voor een breed publiek, is het mij niet duidelijk waarom de redactie deze twee bijdragen in het jaarboek heeft opgenomen.