Idealen zoeken partij

De voorzitter van de Partij van de Arbeid, Marjanne Sint, schijnt na al die jaren nog steeds niet te beseffen dat de primaire functie van een politieke partij in de parlementaire actie gelegen is en niet in de reorganisatie van de interne partijdemocratie.

Bijna vijfentwintig jaar geleden - de laatste keer dat de PvdA haar staatkundige doelstellingen formuleerde - noemde de brain trust van de partij een goed werkend parlementair stelsel voor de Partij van de Arbeid zelfs “een doel in zichzelf”. In een rapport van de 'tien knapste koppen' van de partij werd het toen aldus gemotiveerd: “omdat daarin een van de belangrijkste idealen van het democratisch socialisme tot werkelijkheid wordt: een doeltreffende inspraak van de burger op zijn bestuur” (Een stem die telt, rapport over de wenselijke herziening van het parlementair stelsel van een werkgroep onder leiding van J.M. den Uyl).

Sint heeft in haar publieke uitspraken aan die essentiele doelstelling, bij mijn weten, nog nooit een gedachte gewijd, zo min als zij ooit daarover in termen van idealen heeft gesproken. Zij heeft zich in haar voorzitterschap meer doen kennen door een preoccupatie met de organisatie van haar partij dan met het parlementaire bedrijf op het Binnenhof. Voor de NCRV-radio verbond zij in het Paasweekeinde zelfs haar politieke leven aan de reorganisatie van haar partij. Ze treedt af als ze er niet in zou slagen de invloed van het partijkader terug te dringen ten gunste van de overige leden van de partij en de vergadercultuur ook voor gewone mensen toegankelijk te maken.

Sint had al veel eerder de bezem door haar partij moeten halen, omdat die sinds jaar en dag een geur van verkalking verspreidt en een sfeer van in zichzelf gekeerde zelfgenoegzaamheid uitstraalt. In een partij die haar politieke prioriteiten kent zou dat een bijkomstig corvee moeten zijn, maar daar wringt bij de partij van Sint juist de schoen.

Haar dramatische dreigement zich van de rotsen te storten als de reorganisatie van haar myopische partij weer op de lange baan wordt geschoven is symptomatisch voor de intellectuele crisis waarin de Partij van de Arbeid op het ogenblik verkeert. De politieke orientatie van de PvdA is de laatste jaren zo vernauwd dat de interne discussie alleen nog over partijleden gaat en de kiezers in geen velden of wegen meer te bekennen zijn.

Gemeten naar de traditionele staatkundige normen die het denken en handelen van de partij altijd hebben beheerst, is de PvdA van Sint niet alleen danig gedesorienteerd, maar lijkt zij zelfs een andere partij te zijn geworden. Van een gezonde volkspartij is ze in tien jaar tijds een irrelevante club van vergaderaars geworden die geen enkele wervende boodschap voor de wereld meer heeft. Of om het in de woorden van Sicco Mansholt, de grand old man van het agrarisch socialisme, samen te vatten: een partij die geen band meer met de kiezer heeft, te laat op huisbezoek gaat en in 'de wijken' geheel afwezig is. (Algemeen Dagblad van 30 maart).

Op het Binnenhof staat de vlag van de PvdA er al even lusteloos bij. Ook daar komen alleen maar geluiden vandaan die de indruk versterken dat de patient op sterven na dood is. Sinds de Statenverkiezingen van 6 maart, die voor de Partij van de Arbeid op een oorverdovend pak slaag zijn uitgedraaid, is het ook in de Kamerfractie van Woltgens een en al defaitisme wat de klok slaat. Het Kamerlid Jurgens, die waarachtig niet tot de dooie pieren in de Tweede Kamer kan worden gerekend, liep zich vorige week al warm om de rol van grafdelver van de Partij van de Arbeid te gaan vervullen. In Elsevier sprak hij laconiek de verwachting uit dat zijn partij het niet lang meer zal maken, omdat zij naar zijn mening het grootste deel van de levenscyclus waaraan volgens hem ook politieke partijen zijn onderworpen, erop heeft zitten. Om die stelling een serieus aanzien te geven haalde hij uit zijn professorale jas een lint tevoorschijn dat hij er met een wetenschappelijke lus omknoopte: “Noem het de Wet van Jurgens”. In de Engelse Labour Party zou iedereen die de euvele moed had de dood van zijn partij aan te kondigen er onmiddellijk uit zijn geschopt (zeker een overloper als Jurgens die al de ondergang van twee partijen op zijn naam had staan), maar het is tekenend voor de malaise in de PvdA dat zijn publieke verklaring over het naderende einde van zijn (derde) partij geheel onweersproken is gebleven. (In de Fabian-traditie van de Engelse socialisten zou men Jurgens in zijn eigen stijl het woord van de profeet Ezechiel voorhouden: “Ik zal de muur die gij met kalk bepleisterd hebt, neerhalen en ter aarde werpen; de stad zal vallen en gij zult daarin omkomen”).

Het is even tekenend voor de intellectuele en morele futloosheid van het democratisch-socialisme dat de pleitbezorgers voor een progressieve volkspartij die nu de overhand hebben en al die andere valse profeten de vlag al hebben gestreken voordat ze zich over herstel het hoofd hebben gebroken. Volgens Jurgens c.s. heeft de sociaal-democratie haar tijd uitgediend, maar er is nog niemand opgestaan om erop te wijzen dat de PvdA de parlementaire idealen die zij in het rapport Het Nederlandse parlementaire stelsel van 1965 heeft omschreven nog op geen stukken na heeft verwezenlijkt. In dat rapport, dat onder meer een Bildungsprogramma voor de oningewijde staatsburger formuleerde, werd het belang van een staatsburgerlijke vorming onderstreept. Hoeveel staatkundige informatie via de media ook tot ieders beschikking zou staan, de democratie zou er weinig mee gediend zijn “indien bij de staatsburgers de belangstelling en de kennis ontbreekt om deze te verwerken. Een goede staatsburgerlijke vorming is daarom voor het levend houden van het democratrisch besef onder de kiezers een belangrijk element”. Aldus het rapport van de commissie Parlementaire Democratie van de PvdA (onder leiding van mr J.A.W. Burger) waarin nog veel meer zinvolle pedagogische aanbevelingen voorkwamen. De PvdA zou de illusie kunnen hebben dat ze genoeg gedaan heeft aan de staatkundige vorming van haar leden, maar dat geldt dan niet voor de duizenden Turken, Marokkanen, Grieken en Italianen en al die andere nieuwe Nederlanders van de eerste of tweede generatie die nog in het geheel niet vertrouwd zijn (gemaakt) met de staatkundige tradities in Nederland. Hoe kan een partij die nog een zendingsterrein zo groot als een woestijn voor zich ziet liggen al aan opheffing denken?

PTT NV koesterde niettemin de nieuw verworven status. De ambtelijke top werd vervangen door een nieuw bestuur, dat zijn sporen in het particuliere bedrijfsleven had verdiend. Wim Dik, eerder directievoorzitter van de Nederlandse Unilever-bedrijven, werd voorzitter. Ben Verwaayen, afkomstig van ITT/Alcatel, kreeg de leiding bij Telecom. Ad Scheepbouwer, baas van Post, kwam van het havenconcern Pakhoed. De twee andere bestuurszetels worden ingenomen door Co van Haeften, voorheen eerste man bij IBM Nederland, en Griffioen, vertrokken bij Ultracentrifuge Nederland.