HOE DE VERLICHTING HET UITHEEMSE ONTDEKTE

Exoticism in the Enlightenment redactie G. S. Rousseau en Roy Porter 230 blz., geill, Manchester University Press 1990, f 123,20 ISBN 0 7190 2677 6

In 1704 verscheen de Description of Formosa, geschreven door George Psalmanazar. Deze Psalmanazar was een bedrieger. Hij wendde voor dat hij op Formosa (het tegenwoordige Taiwan) was geboren en getogen. Zijn vader had hem, zo verhaalde hij, in de leer gedaan bij een Franse jezuiet die hem Latijn had onderwezen. Op zijn vlucht van het eiland had de jezuiet de jongen meegenomen met het idee hem te bekeren tot het christendom. Op die manier kwam Psalmanazar in Frankrijk terecht.

Maar hij wilde niets weten van papisterij. Het anglicaanse geloof was hem liever. En zo was de jonge 'George' naar eigen zeggen in Londen verzeild geraakt.

Daar werd hij verschillende malen ondervraagd door leden van de Royal Society. Zo werd hij onder meer geconfronteerd met de astronoom Halley. Deze vroeg hem of op Formosa het zonlicht ook recht in de schoorsteen viel. Daarop antwoordde Psalmanazar negatief. Ten onrechte, want Formosa ligt niet zo ver van de evenaar. Maar Psalmanazar voelde dat hij het verkeerde antwoord had gegeven.

Brutaalweg beweerde hij in een adem dat de schoorstenen daarvoor te veel bochten hadden. Met glans en glorie passeerde hij dit toelatingsexamen voor de Britse high society. Hij werd voorgesteld aan de bisschop van London, later aan de aartsbisschop van Canterbury, en werd daarna voor enkele maanden naar Oxford gestuurd waar hij het 'Formosisch' onderwees aan toekomstige zendelingen.

Een vreemde gast, deze Psalmanazar. Maar hij is volkomen op zijn plaats in de de bundel Exoticism in the Enlightenment, een verzameling artikelen over de fascinatie voor het uitheemse tijdens de Verlichting. Robert Adams Day heeft het bedrog van Psalmanazar geanalyseerd en hij maakt duidelijk waarom deze kon rekenen op de goedgelovigheid van de Britse geestesaristocratie. Dat had alles te maken met wat Adams Day het antropologisch paradigma noemt. Daarmee bedoelt hij het intellectuele raamwerk waarbinnen de beeldvorming in het Westen van andere, verre en vreemde culturen tot stond kwam.

MORELE IMPLICATIES

In het begin van de achttiende eeuw werd die beeldvorming meer bepaald door de morele implicaties van een verhaal dan door de objectieve waarheid; men had meer aandacht voor hoofdzaken dan voor details. De antropologie was nog geheel gebaseerd op de Pentateuch, de vijf boeken van Mozes die het eerste deel van het Oude Testament vormen.

Psalmanazar heeft in zijn Description of Formosa veel curieuze en kleurrijke bijzonderheden beschreven, maar die waren evenmin te controleren als zijn vertaling van het onze vader en de tien geboden in het 'Formosisch'. En zijn speculaties over welke volkeren na Babel of Zondvloed naar Burma of Japan waren getrokken, pasten geheel in het antropologisch paradigma van zijn tijd. Overeenkomsten van Psalmanazars verslag met reeds bekende culturen waren daarom even weinig opmerkelijk als zijn fantastische details kwestieus waren.

Onder invloed van de Verlichting voltrok zich evenwel rond 1750 een wisseling van paradigma, zo wordt in verscheidene bijdragen aan Exoticism in the Enlightenment beklemtoond. De triomf van de empirische observatie over het geloof gaf het wetenschappelijk feit een nieuwe status. Common sense en scepticisme verdreven inconsistentie en vaagheid. Psalmanazar zou zich binnen dit nieuwe paradigma niet hebben kunnen handhaven. Waarschijnlijk was hij door Verlichtingsdenkers eerder uitgelachen.

Een van de redenen waarom Psalmanazar in kerkelijke kring een gewillig geloof ontmoette, was dat seksualiteit in het door hem geschetste Formosa haast geen rol speelde. Dat was geheel anders op het andere uitheemse land dat in het brandpunt van de belangstelling kwam: Tahiti. Volgens de verhalen logenstrafte dat paradijselijk eiland de universaliteit van de erfzonde. De natuur was er genadig, arbeid scheen er onbekend, en de liefde was er eindeloos.

In zijn bijdrage over Tahiti beschrijft de bekende Engelse historicus Roy Porter het exotische dan ook vooral als het erotische. Ook hier is een paradigmawisseling zichtbaar: de Verlichting wilde seksualiteit uit het duister bevrijden, putte daarbij moed uit het voorbeeld van de Ouden en vond bevestiging in de 'natuurlijke erotiek' van exotische eilanden. Daaraan hebben niet in de laatste plaats de Franse philosophes hun bijdrage geleverd.

Diderot misschien nog het meest. In zijn Supplement au Voyage de Bougainville (die Tahiti had aangedaan) verzon Diderot een confontatie tussen een priester en diens gastheer op Tahiti. In het kader van de Tahitiaanse gastvrijheid, krijgt de priester vrouw en dochters aangeboden om de nacht plezierig te kunnen passeren. De priester kan deze gulle gastvrijheid fatsoenshalve niet weigeren. Evenmin kan hij op het aanbod ingaan omdat hij zijn geloften gestand moet doen. Dit dilemma is voor zijn gastheer onbegrijpelijk. Uiteindelijk gaat de priester toch door de knieen, elke avond weer, en niet om te bidden.

Diderots boodschap is duidelijk: erotiek is natuurlijk en vrije liefde leidt tot sociale harmonie.

PLEZIER

Porter behandelt in zijn bijdrage overigens vooral de reacties van de ontdekkers van Tahiti zelf en niet zozeer de nabeschouwingen van de armchair anthropologists. Kapitein Wallis was de eerste die landde op het eiland. Zijn matrozen ontdekten al gauw dat zij met een klein geschenk de meisjes en zichzelf een groot plezier konden doen.

Eenvoudige spijkers speelden hierbij een hoofdrol, want op Tahiti was ijzer een schaars goed. De scheepstimmerman hield zijn voorraad achter slot en grendel, maar al spoedig begon het schip uiteen te vallen omdat de matrozen overal spijkers uittrokken.

Cook, die wat later Tahiti aandeed, was zich welbewust van het energieke seksuele verkeer tussen bemanning en bevolking. Maar dat waren slechts oppervlakteverschijnselen, meende hij. In zijn ogen verschilden Europeanen en Tahitianen minder dan menigeen dacht. Het overgrote deel van de Tahitianen leidde volgens Cook een respectabel leven, ook in seksueel opzicht.

Bougainville beweerde dat de Tahitianen alles in gemeenschappelijk eigendom hadden, vrouwen en dochters inbegrepen. Diderot maakte van die bewering een boutade met een boodschap. Cook ging daar tegenin.

Het paste ennvoudigweg niet in zijn manier van denken te veronderstellen dat de Tahitianen enige vooruitgang, hoe weinig ook, hadden kunnen bewerkstelligen zonder inspanning en eigendom.

Het voorbeeld van Cook verduidelijkt een van de dieper liggende denkbeelden van de Verlichting: het geloof in een algemeen geldend mensbeeld, een archetype, waarvan men de verschillende varianten kon aantreffen in de verscheidenheid van volkeren. Daarnaast was er de typische nieuwsgierigheid van de Verlichting die de aanzet was tot de minutieus-descriptieve benaderingen van het exotische.

Dit wordt ook beklemtoond door Suzanne Rodin Pucci in haar geleerde bijdrage waarin zij de orientaalse harem in de achttiende-eeuwse fictie aan een tekstanalyse onderwerpt. Aan de hand van de literaire beeldvorming van de harem weet zij het contrast te schetsen tussen de relatief gedistantieerde belangstelling van de Verlichting voor exotische culturen en de idealisering van het volkseigene tijdens de Romantiek.

JEZUIETEN

Natuurlijk ontbreekt een bijdrage over de rol van de jezuieten in de ontdekking van het exotische niet in Exoticism in the Enlightenment.

Jezuieten vond men overal. Volgens Voltaire was er zelfs een jezuietencollege op de planeet Sirius. Basil Guy maakt in de bundel duidelijk dat de jezuieten aanvankelijk een beeld schiepen van China dat in de eerste plaats hun christelijke normen weinig geweld aandeed.

Prostitutie, concubinaat en allerlei andere vleselijke en vreselijke zonden pasten daarin niet. Pas rond 1750 zien we met de paradigmawisseling ook hier weer een toegenomen aandacht voor het feitelijke.

Exoticism in the Enlightenment is een bundel met zeer wijd uiteenlopende bijdragen. Door de verscheidenheid ontbreekt soms elke vorm van samenhang. De inleiding van Rousseau en Porter schiet door zijn beknoptheid wat dat betreft ook enigszins te kort. De omslag of paradigmawisseling in het Westerse denken van rond 1750, die in enkele bijdragen wordt geconstateerd, komt niet aan bod. Evenmin wordt er een poging ondernomen de relatie te schetsen tussen exoticisme en primitivisme, of die tussen de natuurstaat in de ruimte (in verre oorden) en de natuurstaat in de tijd (in het vroegste Europa). Voor de prijs van dit boek had men daaraan zelfs wel een aparte bijdrage kunnen wijden.

    • Marinus de Baar