Het onvermogen van een lage lonen-land

DEN HAAG, 6 APRIL. Een oude bekende uit het sociaal-economische repertoire is terug. De loon-prijsspiraal, de schrik van de jaren zestig en zeventig, is weer gesignaleerd. Prof. drs. G. Zalm, directeur van het Centraal Planbureau, waarschuwde deze week voor het gevaar dat inflatie en loonstijgingen elkaar achterna zitten en steeds verder opjagen.

Dat is, zei Zalm, nadelig voor de schepping van nieuwe banen. In de jaren tachtig maakte Nederland internationaal indruk door via vrijwillige loonmatiging de arbeidskosten laag te houden waardoor de bedrijfsrendementen verbeterden en een groot aantal nieuwe banen werd geschapen. Als de reele arbeidskosten (de arbeidskosten verminderd met de inflatie) stijgen, zoals sinds kort weer het geval is, zal die banenmachine gaan haperen.

De reactie van de sociaal-economische partners was snel en voorspelbaar. De vakbeweging verklaarde zich bezorgd over de stagnerende vermindering van de werkloosheid; de werkgevers hamerden op de noodzaak tot voortgezette loonmatiging.

Nu is de loonstijging in Nederland nog altijd behoorlijk gematigd. In Groot-Brittannie en Duitsland stijgen de lonen forser - ondanks respectievelijk de Britse recessie en de toevloed van arbeidskrachten door de Duitse eenwording. Nederland blijft relatief een lage lonen-land in noord-west-Europa.

Vorige maand werd uit onverwachte hoek een kritische kanttekening bij dit aspect van de Nederlandse loonmatiging geplaatst. Deskundigen bij het Internationale Monetaire Fonds (IMF) waren van mening dat Nederland binnenlandse aanpassingen voor zich uit schuift. Het zou via een verbetering van zijn concurrentiepositie - door loonmatiging - de economische groei trachten te genereren die nodig is om het omvangrijke bouwwerk van sociale voorzieningen te financieren.

Daardoor kan Nederland zich de laagste graad van arbeidsparticipatie van alle Westerse industrielanden veroorloven.

Anders gezegd: werkende Nederlanders ontvangen een matige beloning zodat hun produkten over de grens afgezet kunnen worden en de economie de last kan dragen van een omvangrijke groep niet-werkenden.

De oplossing was onorthodox: Nederland moet de binnenlandse structurele problemen van gebrekkige arbeidsparticipatie veel krachtiger aanpakken en de 'vrijwillige' loonmatiging loslaten. Die loonmatiging is alleen maar nodig om het politieke stokpaardje van de koppeling te kunnen blijven berijden. Dit standpunt was overigens niet opgenomen in het officiele, geheime rapport dat het IMF jaarlijks over de Nederlandse economie opstelt. Het waren gedachten die leefden bij de staf van het Fonds.

De kritiek was ingegeven door de starheid van de Nederlandse arbeidsverhoudingen en het grote, voortdurend stijgende overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Dit laatste betekent dat Nederland in zijn economische verkeer met het buitenland meer spaart dan het uitgeeft.

In het Nederlandse sociaal-economische bestel ligt met loslating van de loonmatiging de inflatie op de loer. Daarom zal tegelijkertijd de arbeidsmarkt flexibeler moeten worden.

Dat kan door CAO's niet langer verbindend te verklaren voor een hele bedrijfstak, de koppeling los te laten en door de zogenoemde wig te verminderen. Dat is de kloof die op het loonstrookje bestaat tussen het bruto en het netto loon. De sociale premies die werkgevers en werknemers betalen, houden de reele loonkosten in Nederland hoog. Maar verlaging van deze collectieve lastendruk is slechts mogelijk als de overdrachtsuitgaven verminderen en de arbeidsparticipatie omhoog gaat.

En dat is juist het grote Nederlandse onvermogen. Aanpak van die structurele problemen kon in de jaren tachtig mede dank zij de vrijwillige loonmatiging voortdurend vooruit geschoven worden. Met de afzwakking van de economie na acht jaar groei begint aan die grote afschuifpartij een einde te komen.