Het Museumplein

Ik wil, voor het te laat is, nog een stukje over de Amsterdamse pleinen schrijven. Over anderhalve maand is het al bijna juni, dan wordt het zomer, de stad raakt verstopt met bussen en toeristen zodat er van de pleinen niets meer te zien is. Daarom nu voor het laatst; ik vergeet de mogelijke lezers met pleinhaat en steegliefde die zich wel gekwetst zullen voelen.

Het Museumplein is vanouds het zorgenplein. Zag men een strenge winter aankomen, dan werd het geinundeerd zodat de schaatsliefhebbers daar terecht konden als de bevroren grachten verstopt raakten. Meermalen heeft het gediend om ruimte te verlenen aan volksmassa's waarvoor de Dam te klein was. Nog dagelijks geeft het lucht aan de frustraties van automobilisten die nergens anders in de stad kans zien de 100-kilometerbarriere te doorbreken. Het is een van de weinige plaatsen in de stad waar de mensen rustig in het gras kunnen liggen, of op een bank zitten om naar de liggenden te kijken. Wil ons gemeentebestuur met alle geweld weer iets ludieks, dan kan het Museumplein dat aan zonder dat het er, voor de tijd dat het duurt, aan ten gronde zal gaan.

Het Museumplein in strikte zin, dat zich uitstrekt van de Van Baerle tot de Honthorststraat, heeft bovendien die prachtige reserveruimte met laag geboomte tussen de Honthorst en Hobbemastraat, een uitloper die aan de openbare ruimte doet denken waar de Champs Elysees overgaat in de Place de la Concorde (waarmee in niet wil zeggen dat de Museumstraat 'onze Champs Elysees' is). Ik bedoel dit: het geheel van het Museumplein in zijn tegenwoordige staat is een stadsplein met een ongehoord incasseringsvermogen en als zodanig van grote betekenis voor de collectieve geestelijke gezondheid; en het is ook mooi.

Waarom is het dan ook ons zorgenplein? Omdat er telkens weer 'stemmen opgaan' die vertellen dat er iets definitief aan verbouwd moet worden zodat de ruimte beter gebruikt zal worden. Wat beter? Niet het plein is onze zorg, maar die opgaande stemmen zijn het. Die dringen aan, ze willen iets dat, in aanmerking het goede wat eraan zal worden opgeofferd, altijd neerkomt op geknutsel, gefrutsel en gefrunnik.

Natuurlijk! Er kan worden verbeterd. Het Stedelijk Museum moet aan de Van Baerlestraat zijn nieuwe vleugel krijgen; er staat een sokkeltje dat al een paar jaar beeldloos is; aan de kant van de Gabriel Metsu is nog ruimte voor sculptuur van internationale opzienbarendheid; de volstrekte prioriteit van de mens op de gazons kan duidelijker worden gesteld en gehandhaafd. Maar dat alles bij elkaar tast het plein niet aan; het accentueert juist de zuivere pleinheid door de grenzen scherper te trekken en de ruimtelievende burger datgene te geven waarop hij recht heeft, zoals de oliebollenminnaar in Amsterdam al vorstelijk wordt bediend.

Op het ogenblik is dit plein het enige waar je uit het Concertgebouw het Rijksmuseum kunt zien. Dit is niet zomaar voor de grap gezegd. We hebben hier te maken met twee gebouwen die vijf tot tien minuten lopen van elkaar met het plein tot een symbiose van internationale faam zijn gegroeid. Daar is dan nog het Van Gogh Museum bijgekomen. Het enige gebrek van dit gebouw is dat het met zijn voorgevel de verkeerde kant op staat maar voor de rest heb ik er niets op aan te merken. Wel is het in deze achterstevoren toestand een waarschuwing: dat degenen die het er zo hebben neergezet, het Museumplein als stedelijke ruimte hebben miskend. Laat ons dat dus niet nog eens overkomen! Het beste voor een stad is het, als datgene wat op een relatief beperkt oppervlak kosmopolitisch is, opzienbarend, bewondering afdwingend, ook in een oogopslag valt te overzien. Dat is een kwestie van stadsregie.

Een stadsbestuur hoort niet alleen binnenhuisarchitect te zijn, maar ook regisseur van een groot spektakel in steen, ruimte en beweging.

Dan pas wordt het goed onthouden. Zo is het wanneer je het Centraal Station uit komt, zo is het op de Dam, zo hoort het ook op het Museumplein te zijn.

Ik word er schor van. Ik wil zeggen dat het voor stad en land het beste is als de eigenlijke ruimte van het Museumplein ongerept wordt gelaten en daarbij goed beheerd. Er zijn veel plannen om 'er iets anders van te maken'. Ieder plan afzonderlijk is in meerdere of mindere mate zorgwekkend, maar bij elkaar zijn ze weer een beetje geruststellend, want hoe meer plannen er zijn, des te geringer de kans dat er een wordt uitgevoerd.