Een sterke hang naar romantisch geanalyseer; Oliver Sacks en zijn neurologie van de ziel

'Hoe kan een zenuwstelsel ervaring toelaten en daardoor worden veranderd, zodat de hersenen in elk individu uniek worden en een soort spiegel van fysieke gebeurtenissen, maar ook van overtuigingen en verlangens? Zodat ik niet eenvoudig Oliver Sacks ben, het individu met de computer in zijn hoofd, maar dat wat ik in mijn hoofd heb eigenlijk 'ik' is.' Oliver Sacks, schrijver van een vijftal boeken - waaronder het nu verfilmde Awakenings - en hoogleraar neurologie in New York. 'Misschien kunnen we nu wat Freud niet kon.'

Na langdurig, zwijgend oog in oog te hebben gezeten met kip 4.304 wist hij het zeker. Onderzoeker zou hij nooit kunnen worden. ''De schichtige, maar intens zachte blik van een kip raakt diepe emoties.

Ik moest haar slachten. Na een poosje hebben we daar samen toch maar van afgezien.''

Het was in 1962 aan de Universiteit van California in Los Angeles en Oliver Sacks (57) weet haar nummer nu nog. Hij had de professor, bij wie hij zich specialiseerde in de neurologie verteld een mogelijke ontdekking op het gebied van reflexen te hebben gedaan. De hooggeleerde beval hem aan zijn idee experimenteel bevestigd te krijgen op de kip. ''Ik heb haar teruggebracht en de professor gezegd dat de hypothese waarschijnlijk toch niet deugde.''

Oliver Sacks (57) is nu zelf hoogleraar in de neurologie, aan het Albert Einstein College of Medicine in New York City, en praktizeert in een aantal ziekenhuizen. Hij is bekend van vijf boeken, die het bijzondere van zijn vakgebied voor de leek redelijk toegankelijk maken.

Zijn eerste boek, Migraine (1970), kreeg betrekkelijk weinig aandacht, maar wordt nu als een standaardwerk gezien. 'Ontwaken in verbijstering' (Awakenings, 1973) is, tot het werd verfilmd, voor een groot niet-Angelsaksisch publiek lang onopgemerkt gebleven, al wijdde Harold Pinter er een toneelstuk aan en werd het boek gebruikt voor televisie-documentaires en radio-hoorspelen. Het gaat over een aantal patienten, dat getroffen door het virus van de slaapziekte (encephalitis lethargica) sinds de Eerste Wereldoorlog in quasi comateuze toestand verkeerde en in 1969 door Sacks werd bijgebracht met hoge doses L-Dopa, dat aan Parkinson-patienten wordt gegeven. Een aantal weken waren ze terug uit 'Alaska', zoals Pinter schreef, om er daarna voorgoed weer heen te gaan; het medicijn was uitgewerkt.

'Een been om op te staan' (A leg to stand on, 1984) draait om de dokter zelf, die na een ongeval met zijn linkerbeen in Noorwegen een neurologische patient wordt. Vooral artsen hebben er moeite mee dat Sacks zich daarin zo centraal stelt, precies het punt waar Sacks zelf ook nog altijd mee tobt. 'De man die zijn vrouw voor een hoed hield'

(The man who mistook his wife for a hat) verscheen in 1985. De dagen van de neuroloog zijn sinds het verschijnen van dat boek nooit meer als weleer geweest. In wat de auteur zelf 'the Hat' noemt wordt een doos van Pandora geopend, met rampspoed en gebrek die de mens kunnen treffen, maar waarvan alleen de neuroloog het fijne weet. Een ziende is blind, een alcoholist herinnert zich sinds 1945 niets meer, een 'Touretter' met razende aanvallen, een vrouw die ooit droomde van Ierse kinderliedjes en sedertdien vruchteloos zoekt naar de knop van de kwellende radio. Het is een fascinerende optocht van mensen bij wie onder het schedeldak iets gruwelijk mis is zonder dat zij 'gek' zijn.

In 1989 verscheen 'Stemmen zien' (Seeing voices) over de gebarentaal van doven. Minder spectaculair dan Awakenings, afstandelijker dan 'the Leg' en niet zo caleidoscopisch als 'the Hat', maar het geeft een duidelijke inslag aan naar een meer filosofische benadering van ziekte en kwaal.

ONTSLAG

De film Awakenings waarin Robin Williams en Robert de Niro de hoofdrollen spelen, ging in januari in premiere en trekt in de hele wereld volle zalen. De post brengt hem nu gemiddeld een ere-doctoraat in de week. Er liggen alleen al ruim vijfhonderd verzoeken om voorwoorden in boeken te schrijven.

Tot ieders verbijstering kreeg Oliver Sacks tegelijk met het zoveelste ere-doctoraat zijn ontslagbrief van het Bronx Psychiatric Center, waar hij sinds 1966 werkte. Niet om het een of ander, maar wegens een kille bezuinigingsronde van de staat New York. Naast Sacks gingen er nog 1.200 artsen, zusters en therapeuten werkzaam in de psychiatrie de straat op onder het motto dat deze vorm van zorg moet worden 'gedeinstitutionaliseerd'.

In de New York Times van 13 februari vlamde een aangrijpend, bijna poetisch protest van Sacks. ''In grote, bedrijvige, onverschillige steden zoals New York bestaat voor dit experiment geen schijn van succes. Zo'n 25.000 debielen, autisten, epileptici, Aids-patienten en dementen kunnen geen ogenblik zonder hulp, nog eens 25.000 zijn misschien een poosje in staat zich te behelpen, maar keren dan terug in hun wanen. Er leven hier 80.000 wanhopig zieken en ellendigen op straat, niet alleen dakloos en bedreigd of juist een gevaar voor anderen, maar vaak gevangen in de nachtmerrie van hun eigen psychosen.''

Wie ze aanschouwt stelt vast dat de staatsziekenhuizen smerig zijn en onderbezet, Derde-wereldmagazijnen voor zieken. ''Maar we moeten ze restaureren, we mogen ze niet verder laten verworden tot schaduwen van zich zelf'', schrijft Sacks.

Hij is geen onderzoeker van formaat - hij heeft weinig gepubliceerd in de neurologische literatuur - en evenmin een arts die zo'n specifieke aantrekkingskracht zou hebben voor bijzondere gevallen als zijn boeken wellicht doen vermoeden. ''Je ziet'', zoals een Nederlandse neuroloog zegt, ''in de praktijk vijfhonderd hernia's en nog eens vijfhonderd beroerten op een rij. En een op de duizend is een bijzonder geval. En dat beschrijft ie met een groot literair gevoel. Hij is immens belezen.''

In de film Awakenings, zegt Sacks, zou hij zelf de kerstman spelen, een rol waarvoor hij zich nauwelijks hoeft te vermommen. Als een reus op lemen voeten - maat 48 - sjokt de vrijgezel rond zijn kantoor door Greenwich Village waar vanaf de Hudson River een gure voorjaarswind waait. Een open hemd waarover donkerrode bretels strak gespannen staan. Altijd een losse, ergonomisch verantwoorde rugleuning onder de arm om zich in een Japans restaurant gerieflijk te kunnen installeren.

In zijn voortdurende, bij voorbaat verloren strijd tegen overgewicht heeft hij zich veroordeeld tot het nuttigen van enkel vis. Maar al pratend dwalen de 'hashi' tussen duim en middelvinger de hele tafel over.

DRIE P'S

Oliver Sacks, zoon van twee Londense artsen - zijn vader overleed afgelopen zomer op 94-jarige leeftijd, maar bezocht zijn patienten kort daarvoor nog dagelijks - ging in 1951 medicijnen studeren aan de universiteit van Oxford. De faculteit stond bekend als die van de drie P's: 'philosophy, physiology and psychology'. Zijn broer was een jaar daarvoor als arts vertrokken naar Australie. Beide grootvaders waren rabbi in Litouwen. Hij zelf praktizeert de joodse godsdienst niet: ''Ik ben een ouwe, dikke atheist.''

In 1960 vertrok de jonge arts op zijn 27-ste verjaardag naar Canada voor vakantie. ''Dat wil zeggen: ik wist niet dat ik niet zou terugkomen, maar eigenlijk ook wel. Iedereen koestert geheimen, ook voor zich zelf.'' Enige tijd later stuurde hij zijn ouders een beknopt telegram: 'Staying'.

De expeditie, zegt hij nu, was ingegeven door een drang tot onthechting van vaderland, geneeskunde en familie. ''Ergens bijhoren heeft me altijd tegengestaan. Misschien is dat de reden dat ik ook na dertig jaar nog geen Amerikaan, maar een 'resident alien' ben. Ik werk nog steeds met een werkvergunning, een 'green card'.'' Zijn spraak is onveranderd van een niet-versneden Oxfords. Op dat punt heeft hij de New-Yorkers geen zweem van een concessie gedaan.

Toen de Canadese zomer van 1960 op zijn einde liep kocht hij een motorfiets - een oude BMW - en trok naar Californie. Alles legde hij vast in Journals. Ook toen hij assistent-neuroloog was schreef hij veel, meer dan tien boeken. In 1963 was hij klaar met een werk over een wild bewegende vrouw. ''Een collega was er door geboeid en leende het manuscript om het thuis door te nemen. Zes weken later pleegde hij zelfmoord. Ik heb het de weduwe daarna nooit meer terug durven vragen.''

Sinds zijn vijftiende wist hij dat hij schrijver zou worden. ''Het was toen alleen iets onbestemds, een gevoel van kracht zonder doel, als van een schrijvertje dat niets te schrijven had.''

In zijn Californische tijd leidde hij een ruig bestaan. Hij had in de bergen een primitief huis betrokken zonder stromend water. Het was alleen bereikbaar met een jeep. ''Een periode waarin ik m'n grenzen verkende met marihuana en handenvol tabletten amfetamine en aan een stuk door de trap op en af stormde. Californie was een plezierige maar gevaarlijke droom.''

Het ziekenhuis ontsloeg hem nadat hij een patiente had gekidnapt. De vrouw had een hersentumor en stond aan het eind van haar leven. ''Ik vroeg haar wat ze nog wilde. Ze zei dat ze de bossen nog een keer wilde zien. 's Ochtends om vijf uur heb ik haar achter op de motor gezet, vastgebonden en zijn we door de bergen gaan rijden. Toen we terugkwamen was ik ontslagen. Ik heb het geval beschreven en als 'case history' opgestuurd naar een degelijk neurologisch tijdschrift. Ze plaatsten het onmiddellijk. Door die publikatie was ik weer geaccepteerd.''

Met geestverruimende middelen zocht hij naar 'de deur in de muur'. ''In een weekend las ik On Megrim, een oud woord voor migraine, van Edward Liveing uit 1873. Zevenhonderd pagina's achtereen, zonder een centimeter te bewegen, verstijfd. Stoned of niet, dit was een masterpiece. Wie zou de Liveing van de jaren zestig zijn, vroeg ik me sprakeloos af. You, bloody fool, you are! De deur was open, ik hoefde geen drugs meer en ik ben aan Migraine begonnen, m'n eerste boek.''

Toen hij klaar was met zijn opleiding kon hij uit een paar mogelijkheden kiezen. Het werd New York, wegens de naam van het instituut: ''Albert Einstein, daar kon niks verkeerd mee zijn.''

GRIJZE KLOMP

In de auto - een Bordeaux-rode Mercedes, die als een krappe jas om hen heen zit - mompelt hij wat lacherig over zijn keuze voor neurologie.

''Wat had ik dan moeten doen? Iets met nieren of zo? Nee, de grijze klomp in je hoofd, die is interessant.'' Een van de betere gedeelten van de Bronx trekt voorbij. ''Psychiatrie zou ik ook mooi hebben gevonden.''

Hij zegt af en toe een 'Tourette-neiging' te moeten onderdrukken, zoals tijdens het auto-rijden zijn ogen te sluiten terwijl hij over een kruispunt raast. Dat heeft hij vaker. In de lift steekt hij z'n hand tussen de sluitende deuren, om haar weer op tijd terug te trekken. Op straat kan hij de aanvechting even niet weerstaan zijn voet voor het wiel van een optrekkende taxi te steken en schielijk in te trekken.

In het Beth Abraham Hospital wordt hij met ontzag begroet. Op de achterkant van zijn zwarte gewatteerde jack staat 'Awakenings' in groen satijn geborduurd. Hier gebeurde het allemaal. Op de gang zegt Gabriel Goldberg, een bejaarde ziekenverzorger met een reusachtig hoorapparaat dat er niets aan gefantaseerd is. Hij heeft het allemaal meegemaakt.

Op zijn spreekkamer verliest Sacks zich in de geschiedenis van de groep patienten met encephalitis lethargica, die in 1969 voor korte tijd ontdooiden. Er leeft er geen een meer. Hij reisde met Robert de Niro naar Londen om de laatste veteranen van de epidemie te zien.

''Hij heeft Leonard meer dan accuraat gespeeld'', mijmert Sacks en stelt dan verwonderd vast dat er helemaal geen patienten zijn.

''Misschien kan ik beter even zeggen dat ik er ben.'' Als hij voor de 91-jarige Mary Lopez zit wordt de reus week. Ze is linkszijdig verlamd. Hij vraagt Mary haar naam te schrijven. De hand glijdt zigzaggend weg van het papier. ''Wijs je linkeroor eens aan.''

Mary schatert; de dokter kan soms zo gek doen. ''Ik heb helemaal geen linkeroor.'' Sacks praat zacht, lacht haar toe. Het gesprek krijgt iets teders. In deze verstilde spreekkamer wekt hij 'the Hat' langzaam tot leven.

DUALISME

Thuis op City Island. Het is een typisch landelijk houten huis met een veranda, een garage-pad en horren voor het glas. Het straatje loopt af naar de rivier, waarin hij als het even kan gaat zwemmen. De muren zijn gestukadoord met boeken. Overal staat apparatuur die hem moet assisteren zich in beweging te houden. Een soort keukenstoel met losse handvatten en hangende gewichten voor het televisie kijken. Een hometrainer onder het stof. Onder de vleugel staat een soort olifantspostement. Het blijkt een huis-trampoline te zijn, waarop hij onder de huidige omstandigheden geen plaats meer durft te nemen. ''Ik weet zeker dat ik er dwars doorheen ga.''

Er vallen langdurige stilten. Soms loopt hij naar een kast. ''Mijn leven bevindt zich tussen biologie en biografie van mijn patienten. Ik wil weten waar die elkaar raken, waar ze elkaar ontmoeten. Als neuroloog praat ik met mensen over hun wereldbeeld, ervaringen, herinneringen, gevoelens, ik moet me in hun wereld kunnen invoelen.

Aan de andere kant moet ik uitvinden wat er aan de hand is in hun zenuwstelsel, moet ik ziekteprocessen zien te lokaliseren, ontregelingen in de fysiologie.''

Jaren geleden hing hij nog een soort dualisme aan, ervan uitgaand dat we biologisch erg op elkaar lijken, maar biografisch, historisch gezien allemaal uniek zijn. ''Ik heb het nu over een tijd waarin er nog niet zo'n geavanceerde biologie bestond of zelfs maar een theorie over neurobiologie die kon worden gepaard aan de enigheid die karakteristiek is voor individuen. In die tijd was ik ook nogal gehersenspoeld door het modieuze idee dat de hersenen konden worden geevenaard door kunstmatige intelligentie. Ik zou nu, satirisch, wel durven zeggen, ja, ik heb een computer. Maar ik ben er geen: ik ben ik.''

''Dat zie ik niet als dualisme. Het gaat ervan uit dat een aantal elementaire processen van het zenuwstelsel misschien door een computerprogramma ontrafelbaar en na te bootsen zijn, maar meer persoonlijke processen niet.''

Gewoonlijk gaan aan Sacks' boeken artikelen vooraf. 'The Hat' kende eerst een soort essayistische versie in de London Review of Books in mei 1983. Voor Awakenings stond een stuk over de wonderbaarlijke gebeurtenissen in The Listener van oktober 1972. In de New York Review of Books verscheen vorig jaar november een nieuw artikel van Sacks: 'Neurology and the Soul.'

''Dat is geen nieuwe gedachte, maar het zou een boek kunnen worden. Al in 'the Leg' sta ik een neurologie van de ziel voor. Die van het zelf, van het zijn, van het worden. In 'the Hat' beschrijf ik het geval van de oude dames met hallucinerende herinnerinngen aan muziek in hun jeugd. Daarin ga ik uit van de veronderstelling dat in het hoogste niveau van de hersenen, het niveau van taal, wordt gedacht in scenes, in filmbeelden.

''Ik vraag me af of we geen behoefte hebben aan een persoonsgebonden, Proustiaanse fysiologie. De meest gedetailleerde studie van wat het is om mens te zijn en over een leven te beschikken is toch door Proust gedaan. Eigenlijk heb ik het al veel eerder verwoord. In Awakenings merk ik op dat L-Dopa soms een storm van vroege herinneringen opwekt, die niet de droge kenmerken van feiten hebben, maar verzwakte reconstructies zijn, segmenten uit het leven die opnieuw worden doorgemaakt. Ik word al jaren bewogen door de bestaande kloof tussen neurofysiologie en het gevoel van een persoon, van een rijk historisch, innerlijk leven. Dat onderwerp is nu in 1991 waarschijnlijk veel beter bespreekbaar dan het ooit eerder is geweest.

De wetenschappelijke disciplines die zich ermee bezighouden zijn op een punt gekomen waar de theorievorming over het zenuwstelsel nu de complexiteit, de dichtheid en de rijkdom van onze geestelijke stemmingen gaat aansnijden. Dat was dertig, veertig jaar geleden, toen ik studeerde, niet het geval. Toen hield de fysiologie zich bezig met elementaire dingen als reflexen. Er werden hersenhelften van kikkers en honden verwijderd om te zien welke onvoorspelbare reacties dat gaf.

De fysiologie beperkte zich tot de bestudering van mechanismen op een tamelijk laag niveau.''

CARTESIAANSE TREKPOPPEN

''Toen de stichter van de moderne neurofysiologie, Charles Sherrington, eind vorige eeuw begon, een genie dat ik op zijn laboratorium in Oxford heb zien werken toen-ie ver in de negentig was, ging hij uit van een duidelijk dualistisch standpunt. Hij zag zijn 'onthersende' honden als Cartesiaanse trekpoppen, beroofd van hun geest. Hij meende dat de fysiologie, althans de reflexfysiologie die hij wilde bestuderen, bevrijd moest worden van beinvloeding door de wil of de geest. Hij vroeg zich af of die niet op de een of andere manier de fysiologie te boven gingen en mogelijk een afzonderlijke natuur vormden. Descartes, de vader van het dualisme, had natuurlijk opvattingen over lichaam en geest die teruggingen tot voor Plato. Het lichaam als een gesublimeerde fabriek en de geest als een twinkelend iets, zonder echte verbinding. Ze waren op een eigenaardige manier tot elkaars nabijheid veroordeeld. In onze eeuw is dat wel de theorie van het spook in de machine genoemd.

''Sherrington zei een eeuw geleden: Descartes, Spinoza of wie ook, het mag allemaal zo zijn, we moeten als experimenteel fysioloog beginnen met simpele processen, reflexen. Klinische neurologen, die zich bezighouden met echte patienten mogen dan veelal de genialiteit van de basale onderzoekers missen, ze hebben toch minder de neiging de oplossing in het mystieke te zoeken. De clinici hebben dagelijks te maken met de 'rijkdom' van het menselijk leven en de gecompliceerdheid van allerlei fenomenen, terwijl de onderzoeker zijn leven wijdt aan het prepareren van stukjes ruggemerg en het determineren van hersengedeelten. Binnen zo'n bestaan is er nauwelijks weerwoord tegen het dualisme, 't is een voedingsbodem voor mystiek. Geesten buiten het lichaam, Poltergeists, spoken, dansende tafels, ontlichaamde, psychische fenomenen, een wereld vol van geesten, engelen, krachten, in die termen zijn heel wat genieen gaan denken.''

SIGNAAL

Een 'neurologie van de ziel' intrigeert Sacks al jaren. Op een artikel in een tijdschrift inviteert hij kritiek, aanvullingen, andere ideeen.

Zo boetseert en vervangt hij, slijpt, polijst. ''Ik lanceer zo'n artikel voorafgaand aan een boek als een soort signaal. Hier ben ik in geinteresseerd, zeg ik eigenlijk. Er is me gevraagd een theorie te geven over de menselijke natuur. Ik heb er vier jaar geleden achttien lezingen aan gewijd aan de universiteiten van New York en Californie.

De uitgever wilde ze publiceren, maar dat vond ik niet goed. Er ontbrak iets aan, er zat geen theoretische vorm in. Ik kon het niet echt bevattelijk maken. Ik kende toen ook nog niet het werk en denken van Gerald Edelman (Neural Darwinism: The Theory of Neural Group Selection en The Remembered Present: A Biological Theory of Consciousness - red.). Wat ik vijf jaar geleden nog niet kon, kan ik nu misschien wel.''

Tot de jaren vijftig was het niet mogelijk te volgen wat een enkele zenuwcel in een levend dier bij voortduring deed en dus kon er ook geen idee worden gekregen van correlaties tussen zenuwcellen, hoe ze in staat waren iets te verbeelden, op te letten en te leren, een idee van de hersenen als iets dat aan een stuk bouwt aan 'mentale modellen'. Een doorbraak schrijft Sacks toe aan Gerald Edelman, die in 1978 kwam met de theorie van het neurale Darwinisme, de neurale groepsselectie. Hij stelde dat niet individuele zenuwcellen, maar groepen van 500 tot 10.000 stuks met elkaar 'overleggen' en zo tot een perceptie komen.

's Middags noemde Sacks Edelman nog lachend 'de nieuwe Darwin' en nu: ''Ach, misschien heb ik een sterke hang naar dramatisch hyperbolisme en excessief romantisch geanalyseer. Dat is trouwens wel aardig gezegd - maar ik denk dat-ie gelijk heeft. Velen van ons hebben toch nogal rondgedoold. In de vorige eeuw hoopte men op een fysiologie van de geest, maar er was geen mogelijkheid. Ook niet toen Freud het wilde.

Ze waren gewoon nog miljoenen mijlen verwijderd van een goed gefundeerde fysiologie. Daarom moest-ie ook wel zeggen: laten we de fysiologie maar even laten schieten, ze is niet in staat ons nu bij te staan. Daarmee was hij nog geen dualist, hij kon gewoon niet wachten tot de biologie zover was. Maar wat zij toen niet konden, kan nu misschien wel.''

Volgens Sacks stelt niet alleen de techniek de wetenschap daartoe in staat, maar ook een beter conceptualistisch denken, waarbij oog is voor het samenspel tussen biologie, psychologie en omgeving. ''Dertig jaar geleden was het nog niet mogelijk na te gaan wat er in een enkele hersencel van een levend dier gebeurt. Door de elektronica kon dat eind jaren zeventig pas. Supercomputers zijn wel belangrijk om ons te vertellen hoe, laten we zeggen, 10.000 zenuwcellen reageren of antwoorden op een gegeven situatie. Vijftien jaar geleden kon je nog slechts bestuderen hoe een groepje van vijf of zes cellen zich gedroegen. In Edelmans lab staat een computer met een model van de visuele zetel. Je ziet dan grote groepen zenuwcellen reageren op basis van 'ervaringen'. Als je dat zo voor je ziet voel je je als mens in God verhuizen.''

Het is hem even genoeg. ''Ach, eigenlijk is het veel gemakkelijker om je terug te trekken op het dualistische denken dan om aan te geven hoe hersenen en geest samen optrekken.''

SENSATIES

In 'Migraine' al stapte Sacks af van het idee dat migraine met een medicijn is op te lossen. Dat het begin en het eind van de geneeskunde het stellen van een diagnose en het geven van een pil is. In scherpe tegenspraak met die aandoenlijke eenvoud was een jonge wiskundige, die zijn wekelijkse migraine-cyclus beschreef. Op woensdag raakte hij nerveus en geirriteerd. Dat werd donderdags erger. Vrijdags was werken onmogelijk. Zaterdags was hij uiterst prikkelbaar en 's zondags leed hij aan verschrikkelijke migraine, die 's middags weer wegtrok. Soms, als de pijn gaat wijken gaat de patient licht zweten, of moet hij erg plassen, alsof de catharsis zich afspeelt op zowel emotioneel als fysiologisch niveau. Deze man voelde zich 's zondagsavonds ook als herboren, rustig en creatief. Dan was hij weer in staat baanbrekend werk te doen. Toen Sacks hem van zijn migraine had genezen, bleek hij hem ook van zijn wiskunde afgeholpen te hebben.

''In 'the Leg' geef ik aan hoe een verwonding van het been en een immobilisatie en een gebrek aan sensaties in dat been me afhielden van het gevoel een been te hebben. Voor die tijd ging ik ervan uit dat een sterke gedachte aan een been genoeg was om zich van het bestaan ervan bewust te zijn. Toen moest ik ineens inzien dat ik me met geen mogelijkheid bewust kon worden van m'n eigen been.

''De filosoof G.W. Leibniz houdt zich bezig met het fenomeen actie. Hij zegt: wat niet actief is, bestaat niet. Bestaan is beweging. Dat besefte ik toen pas goed omdat een been pas echt is als het beweegt.

Als het zijn beweging verliest wordt het een ding. Het is zelfs niet eens een ding, want het is gereduceerd tot iets betekenisloos. Geen vlees, geen leven, geen 'ik'. Je bent pas, als je een perceptie van je zelf hebt. Hoewel ik weet dat een koe in de wei staat, ook als er niemand naar kijkt, is een been er eigenlijk pas als het verslag uitbrengt van zijn bestaan. Dat zie je ook bij Mary Lopez, die haar linkeroor niet kent. Ik denk dat de correlatie tussen het fysieke en psychische, de werkelijkheid van het lichaam en de werkelijkheid van ruimte, in zekere zin het meest fundamentele is dat ik geschreven heb.

''Dat is overigens wel iets dat iemand zich zelf moet bijbrengen. Ik heb een blinde spastische vrouw in de praktijk gehad die wel sensaties in haar handen had, maar ze bestonden voor haar toch niet. Ik denk dat het kwam doordat ze in haar kindertijd niet de kans heeft gekregen met haar handen te verkennen, zoals kinderen doen. En zestig jaar later hebben we haar met een truc haar handen laten gebruiken om op ontdekking uit te gaan. Toen werden ze echt voor haar.''

Hij legt uit dat de vrouw eerst een beetje hongerig werd gemaakt. Daarna kreeg ze een warm, lekker geurend broodje voor zich. Ze begon er naar te tasten. ''Dat was eigenlijk het eerste gemotiveerde gebruik van haar armen en handen. En het broodje was eigenlijk het eerste dat ze zelf als een broodje herkende. Maar het interessante was dat de armen en handen eerst Leibniziaanse instrumenten moesten worden, voordat ze een deel van haar zelf werden, dus organen waar ze zich bewust van werd.

''Dat is dus het verschil tussen het Cartesiaanse lichaam, dat niets is en het Leibniziaanse lichaam dat tegelijk het instrument en de belichaming van de geest is. Wat ik daarbij haast vergeet te zeggen is dat een zich perfect voelend lichaam normaal gesproken geen aandacht voor zichzelf heeft. Je kunt al mijmerend zonder probleem in een heel vervelende houding zitten. Als je zwemt, danst of loopt is het gewoon de trouwe slaaf van de wil. Filosofen blinken als regel niet uit in aandacht voor het lichaam. Behalve Nietzsche, die is zich er uitermate van bewust. Waarom was hij dat? Misschien omdat-ie aan migraine leed.

Of omdat-ie later neurosyfilis kreeg. Hij schreef prachtige dingen over ziekten en lijden en welke invloed die hadden op het denken van een filosoof. Hij zegt ook dat lijden ons niet beter maakt, maar dieper. Ik zie dat ook bij mijn patienten, die soms in gedachten gedwongen worden. Vaak geen intellectuele mensen, maar diep doordacht omdat ze met dingen zijn geconfronteerd waar anderen nooit aan denken.

Een wiskundeleraar bijvoorbeeld die door z'n Parkinson naar de kunst werd gedreven, verbazingwekkende schilderkunst. Hij is alleen maar bezig met ruimte, tijd en beweging en posities en stabiliteit in heel verschillende termen. Hij leeft in een Galileiaans universum.

''De toestand van het onbewust zijn van je lichaam, die volmaakte eenheid met je geest, wordt gespleten door ziekte, door 'breuk', door 'decompositie en deconstructie', pas dan krijg je een beeld van het volmaakte bouwwerk waarin het lichaam de gezondheid verzwijgt.

Misschien heeft iedereen wat van die gepaste narigheid nodig om daaraan te worden herinnerd.''

BERGBEKLIMMEN

Of hij er met 'de nieuwe Darwin' - Edelman - uitkomt, betwijfelt hij ineens. Einstein beschreef theorievorming als bergbeklimmen. Het is niet zo dat oude ideeen opzij worden gezet en vergeten. Terwijl de tocht naar boven voert, wordt het punt van vertrek alleen steeds kleiner, terwijl de top van de berg per stap helderder in zicht komt.

''Misschien hebben we toch nog honderd jaar nodig om een theorie over ons bewustzijn te bouwen. Maar er glinstert iets.'' En vrolijk relativerend: ''We kunnen in elk geval nooit een theorie formuleren die zo gecompliceerd is als de werkelijkheid, zeker niet als het om de werkelijkheid van onszelf gaat. In dit geval komt daar nog een onoverkomelijk probleem bij: de wet dat de theoreticus altijd gecompliceerder dient te zijn dan zijn theorie.

''Hoe kan een zenuwstelsel ervaring toelaten en daardoor worden veranderd, zodat de hersenen uniek worden in elk individu en een soort spiegel worden van fysieke gebeurtenissen, maar ook van overtuigingen en verlangens? Zodat ik niet eenvoudig Oliver Sacks ben, het individu met de computer in zijn hoofd, maar dat wat ik in mijn hoofd heb eigenlijk 'ik' is.

''Nieren bijvoorbeeld zijn niet mij. Je zou ze van me kunnen krijgen, ze zijn uitwisselbaar. De hersenen niet. Misschien nog wel iemands motoriek, maar hoger in de cerebrale hierarchie niet, waar de beelden van de wereld worden gemaakt en de meningen, uniek voor iedereen.

''Daarom zeg ik: je zou met apparatuur misschien wel kunnen laten zien dat iemand daarboven kwaad wordt of bang, maar je kunt nooit zeggen: let op, zo gaat ie dat schilderij maken.''