DE OOGVERBLINDENDE PRETENTIES VAN FERNAND BRAUDEL

Beschaving, economie en kapitalisme (Civilisation materielle, economie et capitalisme XVe-XVIIIe siecle) door Fernand Braudel Contact, f 79,90 (geb), f 59,90 (pb) deel I: De structuur van het dagelijks leven 599 blz., geill., 1988, vert. Roland Fagel en Geurt Rombach (Les structures du quotidien: le possible et l'impossible) ISBN 90 254 66 850

deel II: Spel van de handel 633 blz., geill., 1989, vert. Eef Gratama, Koen van Gulik, Geurt Rombach (Les Jeux de l'echange) ISBN 90 254 66 168

deel III: De tijd van de wereld 654 blz., 1990, vert. Roland Fagel, Eef Gratama, Koen van Gulik (Le temps du monde) ISBN 90 254 68 616

Een kwart eeuw lezen, studeren, verzamelen, nadenken, schrijven. Drie kloeke banden. In het Nederlands 1.884 bladzijden met 5.710 noten en zo'n 400 afbeeldingen. Gewicht: 3,68 kg. De inhoud 5 liter en meer dan 1,1 miljoen woorden. 't Is een hele geschiedenis, deze Beschaving, economie en kapitalisme, het magnum opus van de beroemdste Franse historicus van deze eeuw.

Iedere recensent streeft naar het samenvatten van het hem toevertrouwde werk, maar daar is in dit geval geen denken aan. Valt er dan iets zinnigs van te zeggen? Over de auteur, de in 1985 overleden Fernand Braudel, alles is al door anderen gezegd en geschreven. Ik heb er niets nieuws aan toe te voegen: hij is een groot historicus.

Sommigen houden hem voor de grootste geschiedschrijver van de twintigste eeuw en een enthousiaste enkeling - J. H. Plumb, en dat is niet de eerste de beste - heeft hem al voorgedragen voor de Nobelprijs voor de geschiedenis. Die prijs bestaat weliswaar niet, maar toch. Wie minder hoog grijpt, noemt hem de belangrijkste geschiedkundige van Frankrijk. Interessanter is dat Braudel niet alleen een groot, maar ook een zeer controversieel historicus is over wie de meningen scherp verdeeld zijn. Weinigen zijn in staat tot een genuanceerd oordeel.

Voorzover ik kan nagaan lukte dat alleen de Engelse geschiedkundige John Elliott die inderdaad tot een evenwichtige verdeling van lof en kritiek kwam. Maar in de regel is het toch hetzij pro, hetzij contra, met niks ertussen. Er zijn er zoals Frederic Mauro, Braudels oudste leerling en waarlijk niet de minste, die zich letterlijk verontschuldigen voor het hebben van een eigen idee. En dan maar hopen dat de Meester - ook wel 'le Pere' geheten - nu maar niet boos of gekwetst is.

OPGEBLAZEN LUCHT

Anderen beschouwen hem als een kakadoris van de eerste rang, een ballon opgeblazen lucht. Een opgewonden Jonathan Israel noemde Braudels werk 'mostly superficial and at times awful', het uitbraaksel van een 'essentially unhistorical mind'. H. L. Wesseling, doorgaans het toonbeeld van kritische nuchterheid, huldigde Braudel juist als een door en door historische geest.

Hier prijst men zijn theoretische inzichten, daar klaagt men over bij uitstek a-theoretisch werk. Sommigen verafschuwen zijn wollige, onheldere stijl en zijn onzinnige metaforen (zo oefent rijst 'een genadeloos schrikbewind' uit, en laat Braudel het geld 'stamelend zijn eerste woordjes brabbelen'). Anderen laten zich meeslepen door de ritmiek van zijn beeldend woordenspel. De een noemt hem naprater, de ander vernieuwer. Men hoort van de onverbiddelijke logica, maar ook van de fundamentele tegenstrijdigheden.

Zijn bewonderaars staan paf bij zijn vermogen tot het verweven van een enorme feitenkennis tot een kleurrijk patroon waarin de hele geschiedenis is verwerkt. De verguizers vinden Braudels historisch panorama niets anders dan de getruukte selectie uit vaak achterhaalde geschriften en verouderde bronnen die hij met onvoldoende kritische zin heeft verwerkt. Zijn historische visie stemt al te dikwijls niet overeen met de feiten. Maar wie zich daaraan stoort, zeggen de bewonderaars weer, is een kniesoor: als de feiten niet kloppen met Braudels verhaal is dat jammer voor de feiten. 't Zijn de vervelendste historici die zich tevreden stellen met het feit. En Braudel is alles behalve vervelend. Of niet soms?

Laat ons zien. Begin bij het simpelste begin: een feit. Iedere Nederlander weet dat Willem Beukelsz uit Biervliet in dertienhonderdzoveel het haringkaken heeft uitgevonden. Ook Fernand Braudel weet het. Hij heeft het zelf gelezen in een Frans boek uit 1780. Een betere bevestiging is toch niet denkbaar?

Helaas. Sindsdien hebben gortdroge geleerden in de maritieme geschiedenis zich er het hoofd over gebroken wat de techniek van het haringkaken nu precies was en hoe, wanneer, waar en waarom deze ingang heeft gevonden. Daarmee verdween tussen de bedrijven door een mooi verhaal in de mist der historie. Want het bleek net zo min als bij de boekdrukkunst te gaan om een incidentele ontdekking die je eenvoudig op de naam van een enkel slim en ondernemend individu kunt schrijven.

Technische vernieuwing is veeleer een maatschappelijk bepaalde ontwikkeling en zo was het ook met het haringkaken. Is het kinderachtig Braudel te verwijten dat hem deze discussie is ontgaan?

Mogelijk.

BEDRIJFSTAK

Maar laat me het geval wat ruimer bekijken. De kritiek snijdt namelijk al wat meer hout als men ziet dat Braudel de hele haringvisserij tussen de veertiende en negentiende eeuw afdoet in welgeteld negen zinnen. Dat is wel heel weinig, gezien het grote economische, politieke en culturele belang van deze bedrijfstak, zeker in vergelijking tot de betrekkelijke uitvoerigheid - bijna vijf bladzijden - waarmee de kabeljauwvisserij uit de doeken wordt gedaan.

Maar ja, terwijl de Fransen menig kabeljauwtje verschalkten, hebben ze de fijne kneepjes van de haringvangst nooit in de vingers kunnen krijgen. En Fernand Braudel is per slot van rekening Fransman. Is het kinderachtig zoiets te noteren? Mogelijk.

Laat me daarom het geval wat ruimer bekijken. Haringvangst en kabeljauwvisserij ressorteren tenslotte onder Braudels bespreking van de etenswaar die de zeeen de mensheid verschaften. Die visserij was in dat opzicht natuurlijk van groot belang. Maar zou het misschien toch niet dienstig zijn geweest daarbij onderscheid te maken tussen kust- en diepzeevisserij? Braudel ging daaraan geheel voorbij, mogelijk omdat het hem niet te doen was om de visvangst maar het eten van vis.

Vreemd. Maar laat me de zaak wat ruimer bekijken. Nog vreemder is namelijk dat Braudel ook de zoetwatervis meteen maar tot het zeebanket rekent. En wat hij daarover te zeggen heeft, maakt zijn lezer al met al niet veel wijzer. 'Hoe verder van de kust, des te sterker de noodzaak om ook zoetwatervis aan de haak te slaan,' stelt hij vast. Met andere woorden: voor het dagelijkse dieet binnen de pre-industriele samenleving was zoetwatervis ongetwijfeld van groter belang dan zeevis, omdat de meeste mensen nu eenmaal niet aan de kust woonden.

Maar de chroniqueur van de structuur van het dagelijks leven weet het in dit verband niet verder te brengen dan de volgende, onsamenhangende opsomming: in China floreerden de zoetwatervisserij en de viskwekerij; in Rusland haalde men kaviaar uit de rivieren (een soort kikkerdril blijkbaar); de Loire was rijk aan zalm en karper; de Rijn aan baars; in Bohemen vond men kunstmatige meren. En: 'In Duitsland ten slotte at men veel karpers.'

Trappelde ooit iemand van ongeduld om eindelijk eens te vernemen of de Duitser nu al dan niet veel karpers naar binnen schrokte? Wat noem je trouwens veel karpers? En hoe zat het nou toch precies met de snoek en de brasem? Is het kinderachtig nu ook te vragen naar de gesteldheid van de visconsumptie van de Spanjaard of - pakweg - de Tibetaan?

Maar laat me het geval toch eens wat ruimer bezien. In zijn brede beschouwing van het eten en drinken maakt Braudel onderscheid tussen luxueuze en alledaagse etenswaren. Vreemd genoeg rekent hij de vis, naast zout, zuivelprodukten, eieren, olien en vetten zonder omhaal tot de alledaagse etenswaren. Dat was zeker niet steeds het geval, getuige bij voorbeeld de door hemzelf aangestipte elitaire consumptie van peperdure eendeeieren in China. Het is bovendien dubieus of de armen ook werkelijk dagelijks konden smullen van vis, zuivelprodukten, vetten en olien. Maar laat me de zaak niet te nauw bekijken. Het gaat Braudel tenslotte om iets anders.

ONGELIJKHEID

Een van de hoofdthema's van Beschaving, economie en kapitalisme is immers de grote en voortdurende maatschappelijke ongelijkheid tussen arm en rijk, tussen machthebbers en machtelozen. En hij laat zien dat deze ongelijkheid ook en vooral tot uiting kwam in het materiele bestaan, niet in de laatste plaats bij het verbruik van voedsel en drank. De mensheid is volgens Braudel verdeeld in twee kampen: de meerderheid van magere hanzen en de minderheid van rijke smulpapen.

'Het contrast tussen de twee zijden van de tafel is bijzonder scherp en springt direct in het oog.' Het is een voorstelling van zaken die men van kanttekeningen en vraagtekens kan voorzien. Wie heeft nooit gehoord van de sobere rijke of de enorme zwelg- en smulpartijen bij arme volkeren, groepen en klassen? Maar dat zijn misschien de uitzonderingen die de regel bevestigen.

De zaak moet dus nog maar eens ruimer bekeken worden. Het gaat er tenslotte om overeenkomstig Braudels bedoelingen de vijftiende tot en met de achttiende eeuw in structureel perspectief te plaatsen. Neem daarom de onthullende geschiedenis van het vleesverbruik. Volgens Braudel was de mensheid na de Oude Steentijd door de opkomst van de jacht op groot wild vervallen tot een carnivore levenswijze (wie de mens tot de omnivoren rekent, heeft blijkbaar ongelijk). Maar sedertdien had de meerderheid van de mensheid blijkbaar zijn eetgedrag herzien: in de zestiende eeuw waren de Europenanen een vleesetende minderheid. Nu eens geen verschil tussen rijk en arm, want tijdens de middeleeuwen verslonden letterlijk Jan en Alleman ongelofelijk grote bergen gebraden, geroosterd, gestoofd, gekruid en gemarineerd vlees.

'Er is een geschiedenis van meer dan duizend jaar slagersleven in de buik van dit werelddeel,' heet het heel beeldend. Daarentegen bewoonde toen een 'onafzienbare menigte broodeters, papeters, worteleters en knoleters' de rest van de wereld.

Dus was ongelijkheid toch troef en Europa blijkt de boef. Dat werd nog versterkt toen ten slotte ook het Europese vleesverbruik verminderde.

Dat gebeurde niet toevallig na 1550 toen het Europese kapitalisme victorie begon te kraaien. De Europese armen moesten het nu wel degelijk met minder doen en ook regionaal traden allerlei verschillen op.

Tegen het eind van de achttiende eeuw waren de Engelsen overgebleven als de vleeseters bij uitstek. De dikbuikige John Bull is bij uitstek de verpersoonlijking van de kapitalistische triomf en de Fransman Braudel heeft het daar niet zo op. Maar zou de Engelse mijnwerker of textielarbeider uit de achttiende en negentiende eeuw heus in staat zijn geweest elke dag zijn tanden te zetten in een stuk sappig roast beef? En: snijdt het eigenlijk wel hout op zo'n manier onderscheid te maken tussen luxueus en alledaags voedsel, tussen het enerzijds eten van vlees en anderzijds van vis, olien, vetten en zuivelprodukten?

Braudels bespreking van de eet- en drinkgewoonten sluit voor het overige naadloos aan bij een ander hoofdthema van zijn beschouwingen, te weten het langzame tempo van de beslissende historische verandering. Neem bij voorbeeld de culinaire verfijning die volgens zijn zeggen het kind is van weelde en overvloed. Braudel erkent dat voor de vijftiende en zestiende eeuw alleen China aanspraak maakte op een ontwikkelde eetcultuur. Maar gesterkt door zijn idee dat velen een te hoge dunk hebben van de Chinese keuken, behandelt hij de ontwikkeling van het tafelgerei (van vork tot servet) en de opkomst van het welgemanierd tafe-len alsof het een puur Westeuropees verschijnsel van na de middeleeuwen betrof. Zo blijft het Oostaziatische gebruik van eetstokjes of de Oosterse theeceremonie dus onbesproken.

Al met al begon in de ogen van Braudel de beschaving pas toen de Franse keuken tijdens de zestiende eeuw kwam opzetten. Heb ik al opgemerkt dat Braudel Fransman was? Wie hem er op zijn opsomming van alle Franse lekkernijen op na leest, loopt inderdaad het water in de mond. Mij zelfs eruit. Daar kan geen Hollandse hutspot met haring of Schotse haggis tegen op. Voor Braudel is het duidelijk: de opmars van Europa is - in de smulpaperij althans - onder leiding der Fransen begonnen. Wij moeten hen er stellig dankbaar voor zijn.

TARWE Het voorgaande geeft een indruk van Braudels behandelding van het eten en drinken als onderdeel van het materiele bestaan. Ik wil er nog aan toevoegen dat hij op dezelfde wijze en even uitvoerig aandacht schenkt aan het verbruik van broodgranen, rijst en mais. Vreemd genoeg krijgt tarwe - destijds niet het belangrijkste consumptiegraan - bij Braudel aanzienlijk meer ruimte dan rogge, gerst, haver of gierst.

Maar laat me de zaak ruimer bezien. Het gaat tenslotte om de integrale opzet van Braudels boek over het hele materiele bestaan en dat beperkt zich natuurlijk niet enkel tot eten en drinken. Het gaat ook om kleding en huisvesting. En ook hier is het al 'duurzaamheid of hooguit trage ontwikkeling' wat de klok slaat en dat toont ons 'de hardnekkigheid van culturen om te bewaren, in stand te houden en te herhalen'.

Andermaal komt bij Braudel Europa na de vijftiende eeuw als een geval apart in beeld: 'Alleen het Westen staat ononderbroken in het teken van verandering, en dat is het voorrecht van heersers'. Overdaad en luxe namen ook op dit gebied in Europa ongeremder hun vrije loop dan elders en dat was een nieuwe gelegenheid om arm en rijk tegen elkaar af te zetten.

Het zou niet moeilijk zijn de eenzijdige onjuistheid van deze voorstelling van zaken aan het licht te brengen. Overdaad en luxe, ongelijkheid en onderdrukking waren geen monopolie van de Europese samenleving. Het is daarnaast op zijn minst discutabel dat Europa tussen de vijftiende en achttiende eeuw op weg was naar de wereldhegemonie. Men kan met recht beweren dat het continent zich toen nog steeds aan de rand van de wereldgeschiedenis bevond en dat zijn toekomstige plaats in het centrum nog allerminst vaststond.

MATERIELE BESCHAVING Intussen blijft het moeilijk precies te zeggen wat nu allemaal wel en wat niet tot het materiele bestaan te rekenen valt. Dat is ten dele een kwestie van definitie. Ik merk op dat de vertalers hier van 'beschaving' spreken waar de Franse versie het over 'civilisation materielle' heeft. Ik durf niet te zeggen of dit al dan niet juist is.

Er zijn in elk geval vele tientallen beschavingsdefinities in omloop en ik zou niet weten wat de beste of juiste is.

Voor Braudel draait het - heel vanzelfsprekend eigenlijk - in de eerste plaats om mensen en vervolgens om de 'dingen' waarvan zij in het dagelijks leven gebruik maken. Het gaat hem uitdrukkelijk om de studie van voedingsmiddelen, huisvesting, kleding, luxe, gereedschap, betaalmiddelen, de inrichting van dorp of stad.

Hoewel ik me tevergeefs afvraag welk soort brein nu toch 'luxe' of 'de ruimtelijke inrichting van het wonen' onbekommerd tot 'de dingen en voorwerpen' rekent, heeft deze opsomming in elk geval tot voordeel dat duidelijk is waarover het niet gaat. Het gaat niet over politiek, niet over houding, gedrag of mentaliteit, niet over religie of ideologie, niet over volkscultuur (laat staan Cultuur), niet over diefstal, moord en brand, niet over feesten en rouwen, niet over heksenvervolging, oorlogen, rechtspraak, vechten, vrijen en nog een hele boel meer dat zo boeiend gestalte geeft aan het menselijke bedrijf van leven en sterven.

Niets pleit tegen deze beperking, alles er voor. Het geeft Braudel in elk geval de gelegenheid zijn stokpaard van continuiteit en trage maatschappelijke verandering te berijden. Steeds opnieuw probeert hij te laten zien dat ongeacht de enorme en schokkende wisselvalligheid van het bestaan op de korte termijn, de historische ontwikkeling op langere termijn nauwelijks beweging vertoonde.

De juistheid van deze voorstelling van zaken lijkt vaak nauwelijks te betwisten. Maar soms toch wel. Zo is de kolossale, rampzalige en plotselinge sterfte onder de Indiaanse bevolking in Latijns-Amerika onmiddellijk na de komst van de Europeanen in de zestiende eeuw - door Braudel met verve beschreven - toch niet af te doen als een incident van de korte termijn zonder veel verdere historische betekenis. Lag de massale import van negerslaven uit Afrika niet in het verlengde daarvan? Wat betekende dit niet tot op de dag van vandaag voor de loop van de wereldgeschiedenis? De vraag is eenvoudig, het antwoord niet.

Trouwens, wie van de traagheid of de snelheid van de geschiedenis spreekt, hoort te zeggen met welke maatstaf de beweging gemeten is.

Braudel laat dat in het vage. In de plaats daarvan hanteert hij in Beschaving, economie en kapitalisme, evenals in zijn vroeger werk, onderling verschillende begrippen van tijd. Het komt erop neer dat er langzame en snelle of snellere tijden zijn. Ik heb nooit begrepen wat hij daarmee precies bedoelde - ook nu niet. Ik vermoed dat het een nodeloos ingewikkelde manier is om te zeggen dat de geschiedenis bestaat uit ontwikkelingen die langer of korter duren, meer of minder tijd in beslag nemen. Maar dat verschil kan men toch alleen maar constateren aan de hand van een ondubbelzinnig gefixeerd tijdsbegrip.

Het is immers niet de duur van een zeker historisch gebeuren die de lengte van de tijd bepaalt, maar de hoeveelheid tijd die de duur van dat historische gebeuren aangeeft.

PRETENTIES

Zo is het ogenblik gekomen het geval voor de laatste maal in ruimer verband te bekijken door ten slotte in te gaan op Braudels wijze van geschiedbeoefening. Zijn pretenties dienaangaande zijn niet gering.

Een pennestreek is voldoende om alle klassieke overzichtswerken die hetzelfde terrein bestreken als onjuist en ontoereikend van tafel te vegen. Toch blijkt keer op keer dat hij zijn gegevens niet in de laatste plaats uit die gewraakte literatuur put. Met een en dezelfde haal van de pen verdwijnt ook de hele economische wetenschap in de prullenbak. Die staarde zich enkel maar blind op markten, maar de 'economie heeft niet een gezicht, maar vele'. Dat weet Braudel dank zij zijn 'concrete en rechtstreekse waarneming' - quod non - van de economische werkelijkheid in het verleden.

Wat stelt hij daartegenover? Zoals altijd en eeuwig werkt ook hier de zegenrijke drievuldigheid van 'structuur', 'conjunctuur' en 'evenement', en daarom speelt de geschiedenis zich af op drie verdiepingen. Helemaal onderaan verkeer je in de 'ondoorzichtige'

economische zone van de hierboven besproken 'materiele beschaving'. Zij bestaat uit elementaire en alomtegenwoordige activiteiten gevormd door zelfvoorziening en ruilhandel van goederen en diensten binnen een zeer beperkte cirkel. Braudel typeert deze zone achtereenvolgens ook wel als 'informele economie', 'infra-economie' en zelfs als 'niet-economie'. Ze gaat gebukt onder de 'obsessie van de zelfvoorziening'.

Wie er uit wijs wordt, mag het zeggen. Daarnaast - en ook dat is zeer verwarrend - omvat deze zone het verbruik van goederen en diensten.

Het neemt niet weg dat Braudel in het betreffende deel van de trilogie ook uitvoerig aandacht besteedt aan de ontwikkeling van produktietechnieken, steden en stedenvorming, de wereldhandel in edele metalen en de ontplooiing van het geld-, krediet- en bankwezen. Het zijn stuk voor stuk onderwerpen die Braudels elementaire kaders verre te buiten gaan. Is het mogelijk dat hij titel nog jota van de economie en haar kernvraagstuk van de relatieve schaarste begrepen heeft?

Enfin, daarboven verheft zich de 'glasheldere' markteconomie door Braudel in deel II van zijn werk besproken. Haar handelsmerk is de concurrentie en zij is heer en meester over de grote massa van het verkeer van goederen en diensten. Nu is de distributie van goederen en diensten in het geding. Een soort algemene economische geschiedenis, meent Braudel. Maar het is in feite goeddeels handelsgeschiedenis wat te berde komt en er valt weinig of niets uit te leren wat al niet door anderen eerder is gemeld. Ik vind het een saaie, tamelijk traditionele verhandeling, ook al omdat ze nauwelijks prikkelt tot kritiek en tegenspraak en de brave Braudel is niet de beste Braudel.

DUISTERNIS

Anders gesteld is dat met de derde etage van Braudels bouwwerk - ook al een zone van duisternis. Daar huizen de 'actieve lagen' van de samenleving die verbruik en handel naar hun hand zetten, de gevestigde gang van zaken omverwerpen en de hele wereldeconomie ontregelen. Het gaat, kortom, om de produktie van goederen en diensten. Hier zijn langs sinistere netwerken kleine aantallen geprivilegieerde groepen volop doende met berekeningen waarvan de gewone man geen weet heeft.

De aap komt uit de mouw: het is een wereld apart, een bijzondere vorm van kapitalisme die regeert.

Het desbetreffende deel van het werk heet - om voor mij onbegrijpelijke redenen - 'De tijd van de wereld' en ik kan er verder ook heus geen touw aan vastknopen. Zou het, om maar iets te noemen, Braudel echt zijn ontgaan dat het manipuleren van de distributiekanalen - markten dus - voor de industriele revolutie de eenvoudigste en beste weg was om zowel de produktie als het verbruik in de greep te krijgen?

Het strekt Braudel tot eer dat hij zelf vaststelt dat deze driedeling van zijn economische geschiedenis het meest aanvechtbare van zijn werk is. Het zou, geloof ik, hem tot nog meer eer hebben gestrekt indien hij had toegegeven aan zijn aanvankelijke aarzelingen daaromtrent.

Want ik kan met de beste wil van de wereld niet inzien dat deze aanpak ons beter aan begrip helpt dan de gebruikelijke benadering van het economische verleden. De gebruikelijke manier heeft betrekking op bepaalde sectoren van het huishouden, op variabelen als produktie, consumptie of investeringen of op de institutionele inrichting van het economische leven met zijn daarop aansluitende denkbeelden en maatregelen en de daarmee corresponderende sociale en politieke machtsverhoudingen.

Braudels nieuwe aanpak mag dan oorspronkelijk zijn en qua boeiende beeldvorming waardering verdienen, maar daarmee is ook alles gezegd.

Wie prijs stelt op meer dan beeldende beschrijving en de voorkeur geeft aan nauwkeurig verklarende analyses ten dienste van het inzicht in en het begrip van het maatschappelijke leven vindt er geen baat bij.

Ten slotte twee opmerkingen. Voorzover ik het kan beoordelen hebben de vertalers hun taak met begrip en zorgvuldigheid volbracht. Hun komt lof toe. En dan wil ik erop wijzen dat hun werk tot stand kwam dankzij de financiele steun van de Franse overheid. Ik moet nog zien dat de Nederlandse overheid ooit iets dergelijks zelfs ook maar in overweging zou willen nemen. Maar ja, de beste historici zijn natuurlijk buitenlanders en wie anders zegt, spreekt uit kinnesinne.

FERNAND BRAUDEL

Fernand Paul Braudel (1902-1985) publiceerde tijdens zijn leven twee hoofdwerken: La Meediterranee et le monde mediterraneen a l'epoque de Philippe II (zijn in 1949 verschenen dissertatie van 1200 pagina's die hij in Duitse krijgsgevangenschap uit het hoofd schreef) en het driedelige Civilisation materielle, economie et capitalisme, een geschiedenis van de wereld van de 15de tot de 18de eeuw. Dat project werd in 1979 voltooid en onlangs kwam ook de Nederlandse vertaling gereed. Braudels wereldwijde invloed berust zowel op zijn originele ontleding van de geschiedkundige tijd, als op het succes van de verspreiding van zijn eigen ideeen. Voortbouwend op het gedachtengoed van zijn leermeester Lucien Febvre (die samen met Marc Bloch in 1929 het historische tijdschrift Annales d'histoire economique et sociale oprichtte) ordende Braudel de geschiedenis in drie soorten tijd: de nauwelijk veranderende geografische tijd, de golfslag van de sociaal-economische tijd, en de snel vergankelijke individuele tijd; later sprak hij van 'struktuur', 'conjunctuur' en 'evenement', en van 'longue duree', 'moyenne duree' en 'courte duree'. In feite was hij door middel van dit drieslagstelsel op zoek naar 'de diepste niveaus'

van de geschiedenis ('Weg met al die hinderlijke gebeurtenissen,' riep hij ooit over de traditionele politieke geschiedenis).

Braudel maakte na de oorlog school als virtuele alleenheerser over Annales (hij was redacteur van 1945 tot 1969), als hoogleraar aan het College de France (van 1949 tot 1972), als ongekroonde keizer van de invloedrijke VIe Section van de Ecole Pratique des Hautes Etudes (van 1956 tot 1970), als directeur van het Centre de Recherches Historiques en als oprichter van het Maison des Sciences de l'Homme. Nadat zijn Mediterrannee in 1972 in het Engels werd vertaald, was de opmars van de Braudelliaanse geschiedopvatting onstuitbaar. In de VS werd zelfs een officieel 'Fernand Braudel Center for the study of economies, historical systems and civilisations' opgericht. Hoewel de wereldwijde exegese van Braudels (niet altijd even duidelijk) bewoordingen sinds zijn overlijden gestaag afneemt, is duidelijk dat de geschiedschrijving na hem nooit meer hetzelfde zal zijn.