'De Koerden die achterbleven zijn niet meer in leven'

ULUDERE (Turkije), 6 april - In de meer dan 2.000 meter hoge, met sneeuw bedekte bergketens op de grens tussen Turkije en Irak speelt zich een grote tragedie af met tienduizenden naamloze figuranten en vrijwel zonder publiek.

Op een berghelling zit een groep van ongeveer duizend Iraakse Koerden.

Ze hebben geen onderdak, behalve hier en daar een stukje plastic of een deken. Duizend mensen op de grond bij vijf graden boven nul en 's nachts een paar graden eronder. Hier en daar branden vuurtjes en worden pannetjes met onbekende inhoud opgewarmd.

Plotseling besluiten de Turkse militairen, die dichtbij de vluchtelingen staan en bezoekende journalisten op afstand houden, dat de hele groep een stuk moet verhuizen: langdurige mitrailleursalvo's in de lucht, gesjor en geduw. De mensen kruipen een stuk verder de berg op, de vuurtjes en de pannen moeten ze achterlaten.

Even later rijden we, vergezeld door een omvangrijk militair escorte, tot op ongeveer een kilometer van de Iraakse grens, tussen sneeuwvelden en vooral tussen nog veel meer vluchtelingen. Zodra wij de auto uitstappen, wordt elk van ons omstuwd door een kleine menigte en verlies ik de anderen uit het oog. Direct dient zich een tolk aan, een week geleden gevlucht uit het Iraakse Zakhao.

We lopen nog verder omhoog. Overal zitten en liggen mensen, besmeurd met modder. Sommigen op een stuk karton, anderen hebben een tentje gemaakt, in het gunstigste geval voorzien van lage muurtjes van keien en modder. Velen hebben helemaal niets en zitten maar wat voor zich uit te staren. Na een paar minuten lopen krijgen we vrij zicht op het landschap in de diepte, links van de weg, en wordt, voor zover de aantallen nog niet duidelijk genoeg waren, de omvang van het vluchtelingenvraagstuk in alle ernst zichtbaar. Tot waar het oog reikt bevinden zich overal langs de steile berghellingen gevluchte Koerden, het zijn er zeker enkele tienduizenden. En zij hebben vrijwel niets, slechts wat zij op hun vlucht konden meenemen.

Als de gesprekken losbranden krijg ik nauwelijks de kans vragen te stellen. Mijn tientallen begeleiders hebben er zelf nog veel meer, en veel belangrijkere. “Is het waar dat Engeland en Frankrijk politiek asiel hebben aangeboden aan alle Koerden?” “Wat heeft de Veiligheidsraad besloten?” “Waarom komt er helemaal geen hulp? We zitten hier al vijf dagen.”

Gelukkig kunnen zij mijn vragen beter beantwoorden. Bijna iedereen hier komt uit de streek Zakhao-Duhok en gemiddeld hebben ze twee dagen gelopen. Gruweldaden van Saddams troepen waren voor iedereen reden om te vertrekken. De Koerden die achterbleven, zo wordt mij verzekerd, zijn nu niet meer in leven.

Alle patienten in de ziekenhuizen van Zakhao en Duhok zouden zijn omgebracht. Ouderen die niet mee konden ook. Zij werden niet gefusilleerd, maar met messen vermoord. Kinderen die tijdens de vlucht niet snel genoeg mee konden en die in handen van de Iraakse strijdkrachten vielen - ook zij zijn afgemaakt, vertelt een vrouw huilend.

Pag. 5:

Gevluchte Koerden in Turkije: 'Al onze kinderen zijn ziek'

Terwijl wij praten en verder lopen in de richting van de besneeuwde bergkam waarover de grens loopt, komen nieuwe groepen voortvluchtigen ons tegemoet. Vrouwen met baby's op hun rug, mannen gebukt onder huisraad, en allemaal uitgeput, met grote holle ogen en vaak te moe om vragen te beantwoorden. Een man van vijftig, of zestig, vertelt waarom het zo lang duurde voordat zij de grens over konden: “De Turkse soldaten lieten maar weinigen van ons door. Ze schoten over onze hoofden heen om ons op een afstand te houden. In de sneeuw moesten we dagen wachten, zonder eten, zonder onderdak. Tientallen van ons zijn daar doodgegaan.”

Turkse soldaten zijn hier, tussen de vluchtelingen, afwezig. Maar op de bergkam zijn zij duidelijk paraat: rijen kleine silhouetten tegen de blauwe lucht. De zon schijnt nu, maar vaak regent het, vooral 's nachts. De tenten, en wat daar voor moet doorgaan, zijn voor het merendeel uit oude dekens opgetrokken en lekken na twee minuten regen.

Als de Koerdische vluchtelingen aan een ding dringend behoefte hebben, is het grote vellen plastic. Mijn tolk zegt dat hij hier al dagen is, maar toch uitgeput doordat hij 's nachts niet kan slapen van de kou.

“Al onze kinderen zijn ziek”, voegt hij eraan toe, en beaamt desgevraagd direct dat ook hier al veel mensen zijn gestorven. Als ik wil mag ik hun lijken zien - maar de tijd is schaars. Het konvooi gaat snel weer terug.

Ook de meeste vluchtelingen hebben het druk: overleven onder deze omstandigheden vergt het uiterste van een mens. Vrouwen schrapen sneeuw bijeen om aan water te komen. Smelten is geen probleem, want brandhout is overal ruim voorradig, al zal er over een week geen boom of struik meer te vinden zijn. Overal in het landschap kringelt blauwe rook omhoog, en 's nachts blijven de vuren zo veel mogelijk branden tegen de kou. Overal wordt gesprokkeld, en links en rechts passeren grote takkebossen met een vaak nauwelijks waarneembare Koerd eronder.

Hier en daar is ook enige vrolijkheid te bespeuren: lachend nemen twee meisjes een paar happen sneeuw als ik langs kom - specialiteit van Baglabarsi, zoals deze uithoek op de kaart heet. Iets verder zijn vrouwen bezig met iets beters: meel dat zij van huis meesjouwden wordt aangelengd met water, tot kleine pannekoeken geslagen en gebraden in hete olie. Smerig, maar het vult. Een man die zo gelukkig is een bord gare rijst te kunnen nuttigen, biedt mij direct een handvol aan; maar anderen vragen of ik iets voor hen te eten heb. Mijn tolk wijst op een huilend meisje van een jaar of tien. Zij is tijdens de overtocht uit Irak haar ouders kwijtgeraakt. Een man vraagt of ik zijn neef in Amsterdam wil vertellen dat de hele familie heelhuids in Turkije is aangekomen.

Er mag veel hulp naar de Koerden onderweg zijn - hier is nog vrijwel niets gearriveerd. Tientallen vrachtauto's met hulpgoederen die door de plaatselijke bevolking bijeen werden gebracht zijn in ieder geval naar de vluchtelingen vertrokken, maar ik sprak niemand die meer dan een klein beetje voedsel had gekregen. En dat waren de gelukkigen, degenen die het gehaald hebben. Volgens de meest recente Turkse gegevens 250.000 vluchtelingen. Vele tienduizenden, honderdduizenden wellicht, bevinden zich aan de andere kant van de bergkam. Voor hen is er helemaal geen hulp.