Arena Vision 1650 lux zorgt bij PSV voor een theatersfeer; Magie van voetbal bij kunstlicht

ROTTERDAM, 6 april - De topper in de Nederlandse voetbalcompetitie tussen PSV en Ajax wordt morgen bij daglicht gespeeld. Dat is op zich spijtig want qua sfeer en beleving gaat er natuurlijk niets boven een avondwedstrijd. Als de omstandigheden er ten minste voor geschapen zijn; een grasmat als een door spots fel beschenen toneel, een bal rollend als een witte parel en spelers als artiesten verkleed in mooie heldere tenues. Volgens Pim Bekkering, ex-profdoelman van PSV en nu product-manager bij Philips Lighting, moet een lichtwedstrijd “een show vol glamour en glitter” zijn.

PSV, 'de club van het licht', voldoet sinds jaar en dag aan de eisen.

Maar als de ontdekker van de magie van het kunstlicht moet Real Madrid, de 'koninklijke' uit Spanje, worden beschouwd. Al vroeg in de jaren vijftig verschenen de Madrileense voetballers bij nacht in hun schitterende Santiago Bernabeustadion en droegen daarbij maagdelijk witte kledij. Dat maakte veel indruk. En eigenlijk nog steeds. “Als je in het wit speelt lijkt het net of je met meer spelers bent dan de tegenstander. En 's avonds heb je dat idee nog sterker. Je staat als het ware al met 1-0 voor”, aldus Feyenoord-aanvoerder John Metgod, ex-speler van Real Madrid.

Voor Metgod was het 's avonds voetballen bij Real elke keer weer een belevenis. “Als we daar voor de wedstrijd met z'n allen op een rij bij de middenstip stonden gaf me dat een enorme kick. En dan had je nog geen bal geschopt.” Cor van der Hart, 44-voudig international, speelde al in de beginperiode van het licht regelmatig met Fortuna'54 oefenwedstrijden in het Bernabeustadion tegen het grote Real met vedetten als Di Stefano, Puskas, Gento en Santamaria. Hij herinnert zich die gelegenheden als “zalige avonden”. “Altijd een volle bak, lekker weer en een goed veld dat een beetje nat van de dauw was.

Daardoor rolde die bal lekker.” Nog veel eerder dan Real Madrid had het VUC uit Den Haag de beschikking over kunstlicht, als eerste club op het Europese vasteland - in het Engelse Sheffield werd al in 1878 een lichtwedstrijd gespeeld. In 1930 werden aan de Haagse Schenkkade de vier lichtmasten - eerst van hout, na de oorlog van ijzer - geplaatst. Dat was toen uiteraard een levensgrote attactie. De populaire krant 'Sport in Beeld' schreef bijvoorbeeld over “de verlichtingstorens waarin Philips een zee van licht toverde welke glans het mogelijk maakt ook des avonds wedstrijden te houden”. Het ineens razend populaire VUC kreeg bijna wekelijks bezoek van ploegen uit binnen- en buitenland.

Ook de centrale trainingen van het Nederlands elftal werden op het veld in Den Haag gehouden en de kantine van VUC werd omgedoopt tot 'wondertent' omdat Karel Lotsy er zijn befaamde donderspeeches hield.

Oranje verhuisde in 1951 naar het Olympisch Stadion in Amsterdam dat ook al sinds '34 de beschikking over lichtmasten heeft. Steeds meer grote stadions in Europa kregen in de jaren vijftig licht, maar toch bleef het spelen onder de lampen nog lange tijd een bijzonderheid en werd er met name door de doellieden geexperimenteerd met de kleding.

Eddy Pieters Graafland (47 interlands) was een van de eerste keepers in Nederland die niet in donker tenue in het doel stond. Hij had namelijk in boeken gelezen dat een helder getint tenue de tegenstanders bij lichtwedstrijden zou beinvloeden. “De aanvallers zouden geneigd zijn meer op de keeper te richten. Ik weet niet of dat werkelijk zo was, maar ik probeerde alles uit.” PG speelde 's avonds vaak in het groen. Hij zag ooit zijn Oostenrijkse collega Zeman een mooie trui dragen en op zijn verzoek breidden zijn echtgenote en schoonmoeder gezamelijk het kledingstuk na.

Met name voor keepers is het lastig als ze tijdens de wedstrijd door lampen worden verblind. Ze kijken dan, onbedoeld, in het licht en zijn voor even de bal kwijt. Oranje-doelman Hans van Breukelen zegt daar vooral problemen mee te hebben in stadions waar de lampen in het dak van de tribune zijn gemonteerd zoals in het al genoemde Bernabeu van Real Madrid of Parc des Princes in Parijs. “Op zo'n moment is het belangrijk rustig te blijven. Door je routine weet je meestal toch wel precies waar die bal terechtkomt.” Ook Pieters Graafland kon goed met het kunstlicht leven. “Als je bij een wedstrijd overdag recht in de zon kijkt zie je ook niets meer.” Opmerkelijk genoeg heeft 'lichtexpert' Pim Bekkering het als keeper altijd “verschrikkelijk”

gevonden onder de lampen. “Ik kan me de eerste wedstrijd met licht in het PSV-stadion nog herinneren, tegen Anderlecht in 1958. Ik was blij dat het eindsignaal klonk. Ik had maar steeds de angst dat die bal in zo'n lichtbundel zou verdwijnen en ik 'm niet meer kon zien”, vertelt Bekkering. “Maar”, zegt hij, “ik kan me goed voorstellen dat spelers het heerlijk vinden om bij kunstlicht te spelen. Het is en blijft boeiend.”

De befaamde oud-aanvaller Faas Wilkes heeft 25 jaar na beeindiging van zijn carriere nog steeds het idee dat hij vroeger bij kunstlicht nog beter uit de voeten kon dan overdag. De topscorer aller tijden van het Nederlands elftal (35 doelpunten in 38 interlands) oefende in zijn periode bij het Spaanse Valencia regelmatig in de avonduren tegen Zuidamerikaanse topteams. “Spelen bij kunstlicht was toendertijd nieuw voor je”, herinnert Wilkes zich. “Het had iets bijzonder, pikdonker buiten en dan dat verlichte veld. Door die sfeer beleefde je zo'n avondwedstrijd optimaal. Dat zorgde elke keer weer voor een geweldige inzet.”

Faas Wilkes speelde nooit een interland bij kunstlicht. Het Nederlands elftal acteerde in die tijd alleen op zondagmiddagen. Pas eind jaren zestig werd het voor Oranje normaal om ook regelmatig in de avonduren te spelen. Wedstrijden voor de Europa Cup werden toen wel al lang, indien er een installatie voorradig was, onder kunstlicht gespeeld.

Wat de nationale competitie betreft speelden een paar clubs, zoals uiteraard PSV, al in de jaren zeventig regelmatig in de avonduren. Dat gold ook voor de KNVB-bekerfinales. Sinds tien jaar is het volledig ingeburgerd dat een flink aantal verenigingen, voornamelijk uit commercieel oogpunt, zijn wedstrijden in eigen stadion alleen nog maar onder kunstlicht afwerkt.

Dit seizoen speelt meer dan de helft van de clubs in het betaalde voetbal, 23 van de 38, zijn thuiswedstrijden op vrijdag- of zaterdagavond. De huidige generatie voetballers is ook niets anders gewend dan afwisselend overdag en 's avonds te spelen. Ze zegt ook geen voorkeur te hebben voor een tijdstip en nauwelijks verschil te merken. Sommige spelers hebben wel het idee dat het spel bij kunstlicht sneller gaat dan bij daglicht. Expert Pim Bekkering vindt dat een logische constatering. “Doordat je maar een beperkt zicht hebt raak je je gevoel voor ruimte kwijt. En dan lijkt zo'n bal sneller op een bepaald punt te komen.”

De spelers van nu worden nog nauwelijks gehinderd door slecht licht in bepaalde stadions. Dat was in de beginperiode van het kunstlicht vaak anders. Cor van der Hart herinnert zich bij de ingebruikneming van de installatie in Veendam aan de Lange Leegte te zijn geweest. “Het licht was verschrikkelijk, straatlantaarns.” Sjaak Swart zegt dat het het grote Ajax destijds niet uitmaakte of het overdag of 's avonds moest spelen. “Maar we hadden het in lichtwedstrijden wel altijd moeilijk in Maastricht en Nijmegen. Het licht in die stadions was niet al te best en daar ondervond je als de ploeg met de betere techniek hinder van. Dan dacht je dat je de bal aan de voet had, maar in werkelijkheid lag 'ie nog een meter voor je.”

Tegenwoordig heeft de KNVB minimumeisen aan het licht in de stadions van de profclubs gesteld. Om tot een goede tv-registratie te komen is volgens 'Hilversum' een waarde van 500 lux nodig, maar 'Zeist'

accepteert 250 lux. Aan clubs die daar net onder zitten - RBC, RKC en vooral Emmen - is voorlopig dispensatie verleend.

Uiteraard geldt de lichtinstallatie in het PSV-stadion als visitekaartje voor Philips. De eerste masten in Eindhoven hadden een lichtwaarde van 300 lux. Bekkering: “Dat was toen het beste van het beste, maar nu is dat trainingsniveau.” Inmiddels worden er al lang geen gloeilampen meer in de lichtbakken gebruikt, maar metal-halidelampen. Sinds drie jaar werkt PSV met de nieuwste uitvinding, Arena Vision genaamd, met een lichtwaarde van 1650 lux.

Ter vergelijking: De Kuip, sinds 1957 uitgerust met masten, beschikt over licht van ongeveer 1600 lux, het Olympisch Stadion heeft lampen van 1000 lux. De sterkte van de lampen in de twee grootste stadions van Nederland zal inmiddels wel wat zijn afgenomen door vervuiling en slijtage.

Een voordeel van Arena Vision is het 'levensechte licht' waardoor de weergave op televisie natuurgetrouwe beelden te zien geven. Verder is er sprake van minder 'strooilicht'. De verlichting bij PSV zorgt nu volgens Bekkering voor “een theatersfeer”. Er valt minder licht op de tribunes en verdere omgeving en meer op het speelveld zelf, zoals in de schouwburg of het theater. “Ik heb de spelers van PSV om hun mening gevraagd en die zeiden het verschil met vroeger nauwelijks te merken. Nee, de grootste profiteurs van de vernieuwing zijn eigenlijk de mensen die in de buurt van het stadion wonen. Die kunnen nu weer gewoon leven zonder tijdens de wedstrijd te worden gestoord door het licht, kinderen hebben in hun slaapkamertjes geen last meer van PSV, gelukkig maar.”