Opinie

    • Youp van ’t Hek

Ziekte

Als je vanuit Amsterdam richting Utrecht rijdt, kom je er langs. Je ziet hem liggen aan je linkerhand en elke keer rilt er een glimlach over mijn rug. Ik bedoel de golfbaan voor fondspatienten. Vanuit twee etages badhokjes staan waakvlamtypjes in de schaduw van hun eigen kantoor te oefenen. Kabine 7, eerste etage. Amstelborgh heet de inrichting en het klinkt ook uiterst psychiatrisch.

Je verwacht een slagboom en een portier. Misschien zit achter de oefenende ziel in zijn kluisje de deur op slot. Wie weet is het wel een gesticht en weet de patient het niet. Als je echt goed kan golfen, raak je de file. En de file wordt nooit geraakt. Vanuit de hokjes slaan de domsten. Er liggen nog wat holes omheen.

In de uitlaatgassen zie je keurige middenklassers met een tas vol clubs sjouwen, dertigers die nog niet uitgehockeyd zijn. Het is het enige stukje snelweg waar ik blij ben met vertraging. Ik kijk naar de golfende middenstand en hou met moeite mijn ogen droog. Met de ruitewissers op de af en toestand bijt ik mezelf op de onderlip.

Auto's achter mij toeteren omdat ik vergeet op te trekken en ik zit pauwetrots in mijn auto te kijken naar de treurigheid in de verte. Je zal er toch staan, op 1 hoog. Ooit ben je geboren en ooit ga je dood.

De tijd tussen die twee data moet je volmaken en je mag blij zijn dat je geen Koerd bent die met zijn rug tegen de Turkse grens staat. Maar golfend op de vluchtstrook van de A2 is toch echt het andere uiterste.

Het is een ziekte. Mijn buurman heeft een roestig studentenvehikel met de spatlappen op de kasseien, maar laatst betrapte ik zijn kofferbak op een golfsetje.

Mijn kapper golft, mijn groenteman doet het en ik ken een paar mensen die nog niet tot de 18 kunnen tellen en ook rondhuppelen op Zeewolde.

Kenners zeggen dat het daar nog treuriger is en de term 'bijstandsgolfen' viel al.

Woensdagavond zat ik met een voorstelling in mijn benen aan een tafeltje in het restaurant van een provincieschouwburg en babbelde wat na met veel te vage kennissen, Drentse yups. Er zaten vrouwen bij en het ging dus al vrij spoedig over kinderen. Een van de dames deed de uitspraak: “Als ik niet zou golfen, zou ik er nog eentje nemen”. Ik dacht dat ze nog een drankje bedoelde, maar ze bedoelde: nog een kind.

Na deze welvaartsvaste tekst heb ik diezelfde nacht nog geprobeerd om me op Amstelborgh te verhangen, maar de dienstdoende psychiater zei me dat er een wachtlijst was.

Toen ik de volgende ochtend op het postkantoor mijn postbus opende, kreeg ik een golfballetje in mijn gezicht. “Sorry”, zei de postbode die in mijn vakje stond te oefenen. “Ieder zijn hobby”, sprak ik begrijpend. “Nee hoor, gewoon impotent”, fluisterde hij zacht.

    • Youp van ’t Hek