Verbittering in goudglans; 40.000 foto's van Noordamerikaanse Indianen

De dood van iedere oude Indiaanse man en iedere oude Indiaanse vrouw betekent het einde van een traditie of ceremonie, schreef Edward Sheriff Curtis in 1907. Het fotograferen van de tot verdwijnen gedoemde traditionele Indiaanse samenleving werd zijn levenswerk. Tijdens expedities naar zo'n tachtig stammen in Noord-Amerika maakte hij 40.000 opnames. Honderd foto's worden nu tentoongesteld in het Provinciaal Museum in Hasselt.

Tentoonstelling in het Provinciaal Museum, Zuivelmarkt 33, Hasselt, Belgie. T-m 5 mei. Di. t-m za. 10-12 en 13-17 uur, zo. 14-17 uur. 1 mei gesloten. Monografie Edward Sheriff Curtis. Uitg, U. Bar Verlag, 91 blz. (f)Prijs (f) 45,-.

In New York zag ik voor het eerst fotogravures uit het legendarische werk The North American Indian van Edward S. Curtis. In het hart van Greenwich Village, in Bleeker Street, hingen drie portretten in de etalage van een antiquair. Ze waren in kamerschermen gemonteerd. Zo raakte de antiquair zijn voorraad Curtis-foto's kwijt. De houten schermen vonden gretig aftrek. De opnamen waren afgebeeld op het glanzend papier van een trend-signalerend tijdschrift. Dat is een wrang lot voor het monumentale werk waarvan de maker hoopte dat het in de toekomst steeds waardevoller zou worden. Als getuigenis, niet in geld.

De fotograaf Edward Sheriff Curtis (1868-1952) werkte dertig jaar onafgebroken aan de voorbereiding en uitgave van 'The North American Indian, being a series of volumes picturing and describing the Indians of the United States, the Dominion of Canada and Alaska.' Hij was er van overtuigd dat er op korte termijn een einde zou komen aan de traditionele Indiaanse samenlevingsvorm in stamverband.

De toekomst zag er inderdaad somber uit. Na 1890, het jaar van Wounded Knee, was het verzet van de Indianen gebroken. De stammen waren uit hun oorspronkelijke woongebieden verdreven en hun heilige plaatsen werden onteerd. Hun samenleving desintegreerde snel onder de zware druk van de blanke nieuwkomers. Het enige alternatief voor assimilatie, de gedwongen duik in de 'American melting pot', was het barre isolement van de reservaten.

Curtis werd tijdens zijn werkzaamheden door dit proces ingehaald. Het Commanche-opperhoofd wiens portret is opgenomen in het laatste deel van The North American Indian, poseerde in overhemd en stropdas.

Curtis had het bij het juiste eind toen hij in het voorwoord van het eerste deel schreef dat “de dood van iedere oude man en iedere oude vrouw, het einde betekent van een of andere traditie, een of andere ceremonie waarvan niemand meer weet heeft.”

Tot 1927, het jaar van zijn laatste veldexpeditie, bezocht Curtis meer dan tachtig stammen ten oosten van de Mississippi. Tijdens deze tochten maakte hij zo'n 40.000 opnamen op glasnegatief, waarvan er uiteindelijk 1500 in de boekdelen terechtkwamen. Daarnaast werden 722 foto's opgenomen in losbladige portfolio's, waarvan er bij elk boekdeel een verscheen. Meestal telde zo'n portfolio 36 fotogravures op groot formaat. Naast zijn fotografische werkzaamheden, verzamelde hij gegevens voor de tekst van het werk. Tekst en beeld zijn complementair.

BEHUIZING

De ruim honderd werken, tentoongesteld in Hasselt, zijn voornamelijk afkomstig uit de portfolio's. Opnamen van behuizing, voedselbereiding, landschappen, portretten en religieuze onderwerpen; alle geven ze zicht op een verloren wereld. Het is onmogelijk om, kijkend naar het werk van Curtis, een geruststellende gedachte te formuleren. Curtis zelf schreef dat hij een zo objectief mogelijk beeld wilde schetsen.

Hij was zijn taak niet om over de geschiedenis te oordelen. Maar uit alles blijkt zijn betrokkenheid met het lot van de Indianen.

De eerste jaren van deze eeuw was Curtis financieel afhankelijk van de losse verkoop van zijn werk in zijn studio in Seattle. Hij adverteerde met het procede dat zijn foto's de kenmerkende gouden glans gaf. Het effect van zijn 'Curt-tones' bereikte hij door de achterzijde van de glasnegatieven met een goudfilm te bewerken. De tentoonstelling onthult hoe zijn onderwerpen zijn gemodelleerd in een zacht, diffuus licht. Een enkele maal ging hij hierin zeer ver en combineerde hij zijn procede met intensief gebruik van het retoucheerpotlood, zoals in het portret van American Horse. Dat ging helaas ten koste van de kwaliteit.

Dankzij een schenking van de schatrijke J. Pierpont Morgan, de stichter van de beroemde bibliotheek, kwam Curtis later uit de financiele zorgen. Zijn meacenas stelde hem 75.000 dollar ter beschikking, op voorwaarde dat hij het “mooiste boek” zou maken dat “ooit gepubliceerd was”. In 1907 kon Curtis het eerste deel laten verschijnen. Een zeer kostbare onderneming. Het papier voor de boekdelen kwam uit Nederland, dat voor de portfolio's uit Japan. De complete produktie van de twintig delen kwam op zo'n anderhalf miljoen dollar te staan, bij een gelimiteerde oplage van 500 stuks.

Tegenwoordig brengt een complete set, waarvan er een (zonder portfolio's) op de tentoonstelling te zien is, zo'n driehonderdduizend dollar op, het honderdvoudige van de oorspronkelijke prijs. De uitgave werd een groot succes. De New York Herald vond het “the most gigantic undertaking in the making of books since the King James edition of the Bible.”

De portretten, waarvan een groot aantal op de tentoonstelling is te zien, zijn zonder twijfel een hoogtepunt in de geschiedenis van de portretfotografie. De opname van Black Eagle bij voorbeeld, een Assiniboin hoofdman, laat een trotse man zien die zijn verbittering voor deze gelegenheid niet van zich af kon zetten. De negentigjarige liet zich pas fotograferen nadat hem duidelijk was geworden dat Curtis werkte aan het laatste verslag van zijn wereld.

Het was lastig om het vertrouwen van de Indianen te winnen. Ze leefden in de veronderstelling dat de maker van de foto macht zou krijgen over zijn onderwerp en ze beschouwden de opname als een gestolen beeld. Dat gold ook voor het opnemen van hun traditionele gezangen, waarvoor Curtis een in was registrerende Edison fonograaf gebruikte: diefstal van een lied dat persoonlijk eigendom van de zanger was.

Het overwinnen van dergelijke angsten verliep niet altijd succesvol. Curtis werd tot viermaal toe beschoten. Toch raakte hij steeds meer vertrouwd met de Indianen, hij ontving zelfs uitnodigingen van stammen met het verzoek ook hen uit handen van de vergetelheid te houden. Maar als er plotseling een kind verongelukte dat hij een dag eerder had gefotografeerd, wachtte hij niet op wat zou komen, hij pakte in het holst van diezelfde nacht nog zijn biezen.

De foto's geven een goed beeld van de innige relatie tussen mens en natuur, een verbondenheid die Curtis als een van de meest karakteristieke kenmerken van de Indiaanse cultuur zag. Deze lotsverbondenheid kwam duidelijk tot uitdrukking in de religie. Het totemisme veronderstelt een nauwe band tussen een groep personen en een natuurlijk (of kunstmatig) object. In een door Curtis bij de Kwakiutl gefotografeerde dans kropen de dansers letterlijk en figuurlijk in de huid van hun totems en ze gingen gekleed als adelaar, beer of zwaardvis.

Een lezenswaardig verslag van zo'n magische toenadering van mens tot dier werd geschreven door de Duitse kunsthistoricus Aby Warburg (Schlangenritual, Berlijn, 1988). In 1896 bezocht hij de Hopi in de dorpen Oirabi en Walpi, in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Het hoogtepunt van mimische eenwording was de slangendans. De Hopi associeerden de slang met bliksem en regen. Om zich, in hun zeer droge gebied, van water te verzekeren, dansten zij jaarlijks met ratelslangen die zij vervolgens als boodschappers de woestijn instuurden. Het hoogtepunt van de dans vormde het moment waarop de dansers de slang in hun mond namen.

Ook Curtis bezocht deze stam. De nieuwsgierige toeristen die toen al naar de ceremonieen kwamen kijken, hinderden hem bij zijn werk. De enige manier waarop hij accuraat gegevens kon verzamelen was door zelf aan de rituelen deel te nemen. En dat deed hij dan ook. De Hopi-vrouwen waren een dankbaar onderwerp voor zijn fotografie. De foto 'Kijken naar het dansen', is misschien wel de mooiste van de tentoonstelling, een enigmatische opname die het gevoel van die onoverbrugbare afstand weer oproept.

Behalve een fotografisch oeuvre, verzamelde Curtis met behulp van een vragenlijst, zijn '25 cardinal points', het materiaal voor de tekst van 'The North American Indian'. In de winterdagen schreven hij en zijn assistenten van 's ochtends acht tot 's nachts een uur. Hij maakte verder zo'n 10.000 opnamen van traditionele gezangen, waarvan er nog 700 op de Universiteit van Indiana worden bewaard. In 1914 verscheen zijn film In the Land of the Head Hunters en behalve twee bestsellers, schreef hij ook nog een Indian Picture Opera, destijds opgevoerd in Carnegie Hall. Zijn belangrijkste werk, The North American Indian werd begin jaren zeventig herontdekt, met een tentoonstelling in de Morgan Library. Tot die tijd was men het kostbare boek min of meer vergeten.

Bij de mooie tentoonstelling in Hasselt wordt de bezoeker wat mager geinformeerd. De zaaltekst, die in stencilvorm verspreid wordt, geeft alleen maar een samenvatting van de beknopte monografie van Curtis uit de Photothema-reeks, die in plaats van een catalogus wordt verkocht.

Waarom komen we niet meer aan de weet over de onderwerpen van Curtis? Hij documenteerde toch niet voor niets de verdwijnende cultuur van de Indianen in beeld en woord. De geschiedenis heeft van zijn werk meer gemaakt dan enkel mooie plaatjes. Het is een tragisch document.