Topsport en geluksrituelen

Toen PSV-doelman Hans van Breukelen hoorde dat het elftal waarvan hij deel uitmaakt op 7 april tegen Ajax voetbalt, klauterde hij spontaan op tafel.

Vervolgens sprong hij een gat in de lucht. “Die wedstrijd winnen we.

Zondermeer en zeker weten”, juicht hij zelfverzekerd. “Zeven is mijn geluksgetal. Alle data die deelbaar zijn door zeven of waarvan de cijfers bij elkaar opgeteld of van elkaar afgetrokken een door zeven te delen getal vormen, brengen geluk.”

Er valt doorgaans dus weinig te vrezen, want met een zo optimistisch mogelijke rangschikking van de getallen lukt het meestal wel het uitzicht op een gunstig lot te construeren. Dat het Nederlands elftal ooit op de 21ste Hamburg klopte was ondubbelzinnig voorbestemd: die datum berust op drie maal zeven. Het voorspellen van een zege op collega's van respectievelijk Benfica en de Sovjet-Unie vereiste enig denk- en rekenwerk. Beide matches vonden plaats op de 25ste - maar wacht, twee plus vijf is toch... zeven?

Van Breukelen legt uit dat hij om dezelfde reden altijd een briefje van vijfentwintig in zijn zak heeft zitten. Hij herinnert zich een eclatante overwinning op Real Madrid. Die wedstrijd werd op de 18de gespeeld - 25 min 18 maakt... precies.

De belangstelling van de goalkeeper voor de geheime leer der numerologie werd gewekt door een kraamhulp, die na de geboorte van de jongste zoon van de doelman huishoudelijke assistentie verleende. De vrouw hield zich na werktijd onledig met het bestuderen van bovenaardse zaken. Na het afronden van haar taak overhandigde ze de prille vader een getypt expose, waarin ze uiteen zette dat hij 'in vorige levens mensen ontzettend gekwetst had' en dat hij er derhalve op moest rekenen zelf net zo gekwetst te worden. Toch was er hoop. Op basis van een analyse van geboortedatum, uur, plaats en jaar becijferde ze dat Van Breukelen dreigend onheil zou kunnen afwentelen door zich vast te klampen aan het getal zeven. Die wijze raad volgt de doelwachter sindsdien nauwgezet op. Om maar wat te noemen: vak zeven op de parkeerplaats bij het PSV-terrein is voor hem bestemd. De andere spelers weten dat, zijn preoccupatie in deze wordt alom gerespecteerd.

In zijn autobiografische boek Het Engeltje somt Van Breukelen de reeks overige handelingen en rituelen op, die zijn positie volgens hem dagelijks versterken. Vanwege zijn katholieke komaf zal hij nimmer verzuimen pal voor het begin van een wedstrijd 'schietgebedjes' te zeggen en een kruisje te slaan. In de week die aan een toernooi vooraf gaat, scheert hij zich niet. De volgorde van alledaagse, noodzakelijke verrichtingen is belangrijk. “Ik doe altijd eerst mijn rechterkous, scheenbeschermer en -schoen aan, daarna de andere.” Bovendien: “Vlak voor een wedstrijd ga ik altijd poepen, boekje lezen, de warming-up doen en daarna plassen. Een andere volgorde is er niet.”

Een gelukbrengend stuk edelmetaal behoort vanzelfsprekend tot de vaste bagage van iemand die aldus in het leven staat. Van Breukelen beschrijft hoezeer hij de wanhoop nabij was toen hij een van zijn grootvader geerfde bronzen penning ter nagedachtenis aan Paus Johannes de 23ste op het voetbalveld verloor. “Ik heb werkelijk na afloop een uur lang beide strafschopgebieden afgestroopt, maar ik heb die dierbare medaille nooit meer teruggevonden. Ik voelde me daarna een mindere keeper en bovendien kwam er geen kampioenschap meer. Totdat, ruim vier jaar geleden, op de verjaardag van mijn vader, oom Frans dit verhaal hoorde. Oom Frans is ook heel gelovig, was pas nog in Rome geweest en had warempel aan een gouden ketting die medaille van Paus Johannes de 23e hangen. Die kreeg ik. Iedereen kent sindsdien de resultaten.”

Van Breukelen kent geen topsporter die niet ontvankelijk is voor enige vorm van bijgeloof. Doelman Piet Schrijvers trapt vlak voor het begin van de wedstrijd tegen de rechterdoelpaal. Erwin Koeman van FC Groningen bukt kort voor de aftrap. Feyenoord-spits Peter Houtman stompt voor elke wedstrijd in de Rotterdamse Kuip met beide handen tegen het dak van de spelerstunnel. Bij Ajax tikte Johan Cruyff steevast keeper Gerd Bals tegen de broekband als ze het veld op gingen. Bij Feijenoord liet Wim van Hanegem een roodwitte bal drie keer stuiteren in de stadiontunnel; als de bal tegen het plafond kwam, dan stond de overwinning vast. Volgens Ruud Gullit heeft het Nederlands elftal uitsluitend kans van slagen als het in een witte broek speelt. Simon Tahamata houdt voor het begin van de wedstrijd de klok scherp in de gaten: exact vijfenveertig minuten voordat hij het veld opgaat, geen seconde eerder of later, trekt hij zijn wondersokken aan. Eerst de linker-, dan de rechtersok, in die volgorde.

Sportpsycholoog Peter Blitz, een kortgeknipte vijftiger met een kwart eeuw ervaring in mentale begeleiding van door faalangst gekwelde topsporters, rekent bijgeloof tot de vaste ingredienten die bijdragen tot een zelfverzekerde houding. Maar hij vindt het wel onzin. Aan zijn reeks boekjes met bijgeleverde geluidscassette, waarop de auteur met hypnotiserende grafstem ontspanningsoefeningen voorschrijft, voegde Blitz onlangs een Blitztraining voor sportprestaties toe. Geloof, bijgeloof, rituelen, magisch denken, dwangneurotisch handelen - het heeft naar zijn mening allemaal met elkaar te maken.

De toenemende 'religieusisering' van de sport karakteriseert hij als hij als een krampachtig zoeken naar houvast in dit ongewis bestaan: “Je ziet het aan die Amerikaanse atleten die, zodra ze een microfoon onder de neus geschoven wordt, allemaal roepen dat ze eerst de Lord willen prijzen. Het ligt zo voor de hand. In situaties van hoop en vrees, als je aan een tegenstander bent overgeleverd of bij dreiging van oorlog, ziekte en dood, of als men een goede prestatie moet leveren, worden mensen gelovig. Het is dan maar een kleine stap naar bijgeloof.”

Toen hij nog aan Papendal - het trainingscentrum voor topsporters - was verbonden, verbaasde Blitz zich over de buitengewone waarde die aan de rustpols wordt toegekend. “Het eerste dat ze 's morgens doen als ze wakker worden is de polsslag meten; dat is bijna een onderdeel van het trainingsprogramma. Ze hebben zich bij voorbeeld voorgenomen dat de rustpols niet boven de 56 mag zijn. Ik vond het merkwaardig dat het zelfvertrouwen helemaal weg was als de polsslag eens 57 was; dat kan zo iemand dan maar heel moeilijk relativeren.” En daarna groeit de onzekerheid. De topsporter stelt een strikt schema op, waarvan onder geen beding mag worden afgeweken. De vaste route van en naar het sportveld. Een bepaald shirt dat altijd moet worden gedragen omdat het anders mis zal gaan. Getallen die geluk brengen, getallen waar een doem op rust. Gevaarlijk is het niet, al greep Blitz een keer in toen de gevolgen van bijgeloof naar zijn smaak onaanvaardbare proporties begonnen aan te nemen.

“Dat was bij een destijds bekende, uiterst succesvolle zwemster die tegen zichzelf in bescherming moest worden genomen. Ze wilde alleen maar zwemmen in een bepaald badpak, maar op het laatst ging dat echt niet meer. Dat ding was tot op de draad versleten. Ze had het idee dat we haar het succes zouden afpakken dat ze aan dat zwempak te danken had. Het bijgeloof van deze vrouw was sterk dwangneurotisch gericht.

Ze moest altijd een bepaalde bloes van haar moeder dragen. Dat ging van kwaad tot erger, er kwamen steeds meer handelingen bij. En als er een kleinigheid mis ging, was ze totaal uit het veld geslagen.

Bijgeloof stond in haar geval een flexibel functioneren en alert reageren op onverwachte situaties in de weg. En waar bijgeloof wordt overwoekerd door dwangneurose, is er werk aan de winkel voor de psychotherapeut.''

Maar psycholoog Blitz is iemand die een ieder 'in zijn algemeenheid' het zijne gunt. Laat mensen gerust bijgelovig zijn als ze zich daar prettig bij voelen. “Het heeft te maken met cognitief gedrag”, doceert hij. “Cultuur speelt ook een rol. Zelf ben ik absoluut niet gelovig of bijgelovig, maar als ik onder een ladder doorloop, dan voel ik wel degelijk iets. Ik verafschuw dat gevoel, zoals ik die hele onzin verafschuw, maar ik kan het niet helpen. Ik weet waar het vandaan komt: als kind waarschuwde mijn moeder dat ik niet onder ladders moest doorlopen. En nu, halverwege de vijftig, voel ik het nog steeds. Het is mijn moeder.”

Illustratie Ron van Roon