Sporen van geknutsel in voorstel Justitie

DEN HAAG, 5 april - De verscherping van de identificatieplicht dient volgens minister Hirsch Ballin (justitie) vooral ter bestrijding van fraude en ter verbetering van het vreemdelingentoezicht. Tijdens de presentatie van zijn plannen gistermiddag in Den Haag meende de bewindsman zelfs dat de maatregelen in principe een “wereld van verschil betekenen” in vergelijking met de huidige praktijk. Geruststellend voegde hij er later aan toe dat zijn wetsontwerp geen gevolgen heeft voor “iemand die 's avonds in het park zijn hondje uitlaat”.

Het concept-wetsvoorstel identificatieplicht van Hirsch Ballin vloeit voort uit het regeerakkoord van het huidige kabinet. Maar eigenlijk is dit onderwerp een erfenis van zijn voorganger, oud-minister Korthals Altes. De identificatieplicht dook - onverhoeds - voor het eerst op in 1986 in het regeerakkoord van het kabinet Lubbers II onder het hoofdje “fraudebestrijding”. Het uiteindelijke wetsvoorstel draagt de sporen van al het geknutsel aan die oorspronkelijke voornemens. Het terrein van de identificatieplicht bleek een reeks van aanpalende, uiterst explosieve, percelen te overlappen. Allereerst is er het emotionele “Ausweis-trauma”, dat veel oudere Nederlanders aan de Duitse bezetting hebben overgehouden. Maar net zo licht ontvlambaar zijn het vraagstuk van de anonieme verdachte (niemand hoeft door zijn naam te geven mee te werken aan zijn eigen veroordeling), de bescherming van persoonsgegevens (privacy), en het toezicht op vreemdelingen (discriminatie). Bovendien ligt er wat meer terzijde, maar niet minder gevoelig, de kwestie rondom de fraudebestendigheid van identiteitspapieren. Hirsch Ballin kondigt een nieuwe identiteitskaart aan en schuift het onderwerp in een vloeiende beweging door naar het ministerie van binnenlandse zaken dat “primair verantwoordelijk is voor de coordinatie van de produktie van identificatie-documenten”.

De in het regeerakkoord van 1986 aangekondigde algemene identificatieplicht werd al snel vervangen door een in beginsel beperkte identificatieplicht. Een jaar later, juni 1987, werd dit uitgangspunt gewaarmerkt in een advies van de inmiddels overleden oud-president van de Hoge Raad mr. G.J. Wiarda (die ook oud-president was van het Europese hof voor de rechten van de mens in Straatsburg).

Volgens hem waren er in de Grondwet noch in het Wetboek van strafvordering beletselen tegen een beperkte plicht tot identificatie.

Voortbouwend op het advies van Wiarda ging weer een jaar later, juni 1988, de notitie Identificatieplicht naar de Kamer. Daarin worden de contouren zichtbaar van het nu door Hirsch Ballin aan adviesinstanties rondgestuurde wetsvoorstel. In de notitie bleven het bankverkeer en het stelsel van de sociale verzekeringen buiten schot. Uitgangspunt was dat de banken vrijwillig zorgden voor deugdzame identificatie van hun klanten en dat fraude met sociale uitkeringen zou worden tegengegaan door het sofi-nummer. Begin 1989 bleek Korthals Altes al van mening veranderd: de identificatieplicht moest ook gelden in de bankwereld en tussen werkgevers en werknemers.

Zo komt het dat de voorgestelde maatregelen van Hirsch Ballin niet echt verrassen. Fiscale fraude wordt bemoeilijkt doordat burgers zich in de toekomst voor allerlei transacties deugdelijk moeten identificeren bij banken en financiele instellingen. Zelfs bij niet op naam gestelde spaarbewijzen moet de aspirant spaarder zijn naam opgeven. Verder wordt fraude met sociale verzekeringen, zwart werken of illegaal werken letterlijk in de tang genomen: werknemers moeten bij het aanvaarden van een nieuwe baan hun identiteit bewijzen, werkgevers zijn strafbaar wanneer bij controle blijkt dat een employe(e) zich niet kan identificeren. In zijn uiterste consequentie betekent dit dat iedere werknemer altijd een identiteitsbewijs mee zal moeten nemen naar zijn werk. Maar volgens Hirsch Ballin komt het er in de praktijk op neer dat dit alleen geldt voor mensen die in een omgeving werken waar illegale arbeid veel voorkomt.

Voor de controle van vreemdelingen betekent de identificatieplicht vooral dat politie-agenten burgers die zich niet kunnen identificeren voor zes uur mogen opsluiten. Intussen moet dan wel gespeurd worden naar de ware identiteit van de betrokkenen. Ze mogen worden gefotografeerd, opgemeten, en er mogen vingerafdrukken worden genomen.

De minister was gisteren opvallend vaag over de vraag hoe de politie-ambtenaren mensen selecteren die voor deze behandeling in aanmerking komen, zonder af te gaan op huidkleur en uitspraak van het Nederlands.

Opvallend afwezig in het wetsvoorstel is de identificatieplicht in het openbaar vervoer en bij voetbalvelden. Hirsch Ballin wil die kwesties later regelen als dat nodig blijkt. Maar waarom heeft de minister niet wat langer gewacht, wat langer gebroed op het door Korthals Altes bevruchte ei? De Haagse jurist prof.mr. M. Wladimiroff verklaarde de haast van Hirsch Ballin gisteravond in het televisieprogramma NOS-Laat uit het feit dat Nederland het komend half jaar het voorzitterschap van de EG zal bekleden. “Daarom ook motiveert hij de identificatieplicht in het bankverkeer met een EG-richtlijn die nog lang niet van kracht is. Nederland wil weer eens voorop lopen, het beste jongetje van de klas zijn.”