Sinds eeuwen zijt gij dieven; Nieuwe verhalen en gedichten uit Suriname

Albert Helman: Verdwenen wereld. Verhalen en schetsen uit Suriname. Uitg. In de Knipscheer, 224 blz. Prijs (f) 29,50 Hoor die tori! Surinaamse vertellingen. Samenstelling: Michiel van Kempen. Uitg. In de Knipscheer, 268 blz. Prijs (f) 32,50 Michael Slory: Ik zal zingen om de zon te laten opkomen. Uitg. In de Knipscheer, 193 blz. Prijs (f) 39,50

Zelfs al had Albert Helman na de Tweede Wereldoorlog nooit meer een boek geschreven, zijn naam in de Nederlandse literatuur zou toch wel zijn gevestigd. In zijn roman De Stille Plantage (1931) toonde de toen pas 27-jarige schrijver voorgoed zijn meesterschap. Met een zeldzame beeldende kracht en grote historische precisie beschreef hij hoe een uitgeweken Franse Hugenotenfamilie aan het eind van de zeventiende eeuw een hard plantersbestaan voor zich probeerde op te bouwen diep in het oerwoud van Suriname. Het boek is een klassieker en beleeft nog regelmatig een herdruk. Eerder had Helman met Zuid-Zuid-West (1926) al de aandacht getrokken. De Nederlandse autoriteiten behandelden hem nadien als een gevaarlijke rebel, omdat hij het had bestaan in de epiloog uit te halen naar het koloniale bewind in zijn land. “Sinds eeuwen zijt gij dieven, men zegt: geoorloofd. Maar weest dan minstens liefdevolle dieven en geen schurken. Indien gij slechts wist, hoe schoon dit land is, hoe innig het leven daar...”

Helman is alleen al door zijn levensloop een kosmopoliet en dat vindt zijn weerspiegeling in wat hij schreef. Hij versloeg als journalist de Spaanse burgeroorlog, was minister in Suriname, diplomaat in de Verenigde Staten, en schrijver in onder andere Mexico, Nederland en Tobago. De tientallen romans en verhalen hebben lang niet allemaal een Westindische achtergrond.

De laatste tien jaar komt Helman toch steeds weer terug op Suriname. Zeker als het over zijn geboorteland gaat, heeft hij nog al eens te zeer de neiging tot moraliseren. In zijn magnum opus De foltering van Eldorado (1983), dat het midden houdt tussen een geschiedschrijving en een politiek testament, heetten alle blanken 'schobbejakken' en 'barbaren'. Ook in Hoofden van Oayapok! (1985) staat de goede inboorling tegenover de slechte blanke.

MORALISEREN

In zijn jongste verhalenbundel Verdwenen Wereld. Verhalen en schetsen uit Suriname ontkomt Helman ook niet altijd aan de moraliserende toon.

Ook nu weer een soort epiloog ('Utopiersdroom'). “En nooit wanhopen, maar waar wij ook zijn, met zijn allen, naar ieders plaats en vermogen, onze uiterste best blijven doen, om eens - de hemel geve dat het gauw moge zijn - de droom van een herleefd Suriname tot werkelijkheid te maken. Dit blijft onze taak tot het einde toe.”

Overigens een opmerkelijk slot, omdat Helman enkele jaren geleden nog het einde van Surinames bestaan voorzag. Daarna volgt ook nog een 'Tot Besluit'.

In de meeste van de verhalen, die het karakter hebben van een literair reisverslag, toont Helman dat hij het schrijversvak nog altijd tot in zijn vingertoppen beheerst. Hij is trefzeker in zijn beschrijvingen, soms meeslepend zonder echt pathetisch te worden. Prachtig is het verhaal 'Voltage' over het bezoek dat Helman eens bracht aan een ingenieur die in het Surinaamse binnenland een hoogspanningsleiding aanlegt. Het heeft bijna het karakter van een kleine roman.

Hoogtepunten in de bundel vormen de verhalen over ontmoetingen van Helman met indianen. Hij stelt het denken van de 'beschaafde' blanke tegenover dat van de 'primitieve' indiaan, maar subtieler dan in bijvoorbeeld Hoofden van Oayapok! Mooi is ook 'Sarasara' dat gaat over het leven van vissers aan de modderige kust. De stijl in Helmans verhalen roept soms herinneringen op aan zijn eerste werken. Het doet verlangen naar een nieuwe monumentale roman. Misschien komt het er nog van, want de inmiddels 87-jarige Helman heeft er nooit een geheim van gemaakt tot het bittere eind te willen schrijven.

REINTJE

Van minder gehalte is het door Michiel van Kempen samengestelde Hoor die tori! Surinaamse vertellingen. Het is een bundeling van vertellingen over Ba Anansi (de Surinaamse variant op Reintje de vos), mythen en gelijkenissen van indianen en boslandcreolen, en verhalen over het dagelijks leven in Suriname. In enkele gevallen gaat het om bewerkte transcripties van op de band opgenomen orale vertellingen.

Van Kempen, die twee jaar geleden een voortreffelijk boek over Surinaamse literatuur schreef, merkt in zijn inleiding zelf al op dat alle in de bundel opgenomen verhalen de aansluiting bij de spreektaal en de rechtlijnigheid van de plot gemeen hebben. Dat maakt ze volgens hem “bijzonder geschikt voor lezers die de jeugdliteratuur ontgroeid zijn, maar die geen behoefte hebben aan 'moeilijk doen' of 'psychologisch gezeur'.” Dat mag waar zijn, het maakt ze voor de literatuurliefhebber ook moeilijk verteerbaar. Bovendien heeft de kwaliteit in de bundel al te zeer onder de kwantiteit geleden. Een leger van bijna veertig auteurs draaft op, van de dienstplichtig soldaat en de directiesecretaris tot de stoffeerder en de diplomaat.

Het maakt wel eens te meer duidelijk wat een rijke vertelkunst Suriname heeft; om het land beter te begrijpen is het ook de moeite waard er kennis van te nemen. Maar de vertellingen komen in een boek toch minder tot hun recht.

Een goede dienst heeft Van Kempen aan de Nederlandse literatuur bewezen met de samenstelling van een bloemlezing uit het werk van Michael Slory. Gedichten verschijnen in Suriname vaak in onooglijke en in eigen beheer uitgegeven bundeltjes, waarvan velen nooit kennis nemen. Van Slory, die met Trefossa en mevrouw Schouten-Elsenhout tot de grootste dichters van Suriname wordt gerekend, verscheen in Nederland alleen in de jaren zestig een tweetal bundels met politiek getinte gedichten. Incidenteel publiceerde hij in De Gids. De verschijning van deze eerste volwassen bloemlezing Ik zal zingen om de zon te laten opkomen met 88 van zijn gedichten is dan ook een mijlpaal. Een aantal gedichten is in het Sranan en het Spaans geschreven, maar alle zijn voorzien van deels door Slory zelf geschreven vertalingen.

De ritmiek van Slory's verzen werkt soms aanstekelijk; slechts een kawina-drum lijkt nog te ontbreken. Slory zou dan ook een verrijking van Poetry International kunnen zijn. De onderwerpen varieren van het dagelijks leven, de politiek en de natuur tot de schoonheid van de (zwarte) vrouw. Sommige gedichten doen in hun alledaagse simpelheid een beetje denken aan wat Cees Buddingh' schreef, zoals Nachtregen (IV): “(hond)- Waf!- Alleen- een diep geblaf.- Van bijten- komt er niets.- De regen- houdt hem- ervan af.- Waf!” Andere verzen kenmerken zich door een meeslepende lyriek. Maar ook hier weer dat muzikale ritme, soms versterkt door herhaling van zinnen. Michael Slory, een gedesillusioneerd man, blijft zingen.

    • Hans Buddingh'